15.1 Inleiding
Geldillusie is de neiging van mensen om over geld in nominale en niet in reële (voor inflatie
gecorrigeerde) termen te denken. Met andere woorden, mensen kijken alleen naar het
absolute bedrag op hun bankrekening in plaats van wat ze met dat geld echt kunnen kopen.
Prijsrigiditeit: rigide = star = niet flexibel. Prijzen zijn op korte termijn vast omdat een groot
deel van de kosten op korte termijn vast ligt. Voorbeelden: door cao afspraken liggen lonen
vast, inkoopcontracten met leveranciers liggen vast, huurcontracten liggen vast.
Deflatie → prijsdalingen
15.2 Wat verstaan we onder mobiliteit op de arbeidsmarkt?
Arbeid = heterogeen product door de kwaliteitsverschillen → verlaagt kansen van
bepaalde groepen mensen (schoolverlaters, langdurige werklozen). Oplossing =
arbeidskosten subsidie
Verschillen in de werkloosheid → mensen verhuizen naar andere regio =
geografische mobiliteit.
15.3 Wanneer is werkloosheidsbestrijding succesvol?
Zie blad
15.4 Hoe kan een overheid conjunctuurwerkloosheid bestrijden?
Conjunctuurwerkloosheid: ontstaat als effectieve vraag daalt en de werkelijke productie
kleiner is dan productiecapaciteit.
EV = effectieve vraag
C = consumptie gezinnen
I = investeringen bedrijven
O = bestedingen overheid
E = export (bestedingen buitenlanders)
M = import (...)
EV = C + I + O + E - M
Verband import en ev is negatief. cioe en ev positief
Bestrijding conjunctuurwerkloosheid:
Wat beinvloed de ev?
- rentepolitiek
- invloed rente en sparen. hoge rente = meer sparen = minder bestedingen en
investeringen
- belastingp
- verhoging → netto inkomen van gezin + nettowinst bedrijven daalt.
Minder geld over = minder investering
- prijsp
- goed prijsbeleid beperkt de inflatie → internationaal cp verbetert →
goed voor export = minder import → liever in eigen land goederen
kopen
Geldillusie is de neiging van mensen om over geld in nominale en niet in reële (voor inflatie
gecorrigeerde) termen te denken. Met andere woorden, mensen kijken alleen naar het
absolute bedrag op hun bankrekening in plaats van wat ze met dat geld echt kunnen kopen.
Prijsrigiditeit: rigide = star = niet flexibel. Prijzen zijn op korte termijn vast omdat een groot
deel van de kosten op korte termijn vast ligt. Voorbeelden: door cao afspraken liggen lonen
vast, inkoopcontracten met leveranciers liggen vast, huurcontracten liggen vast.
Deflatie → prijsdalingen
15.2 Wat verstaan we onder mobiliteit op de arbeidsmarkt?
Arbeid = heterogeen product door de kwaliteitsverschillen → verlaagt kansen van
bepaalde groepen mensen (schoolverlaters, langdurige werklozen). Oplossing =
arbeidskosten subsidie
Verschillen in de werkloosheid → mensen verhuizen naar andere regio =
geografische mobiliteit.
15.3 Wanneer is werkloosheidsbestrijding succesvol?
Zie blad
15.4 Hoe kan een overheid conjunctuurwerkloosheid bestrijden?
Conjunctuurwerkloosheid: ontstaat als effectieve vraag daalt en de werkelijke productie
kleiner is dan productiecapaciteit.
EV = effectieve vraag
C = consumptie gezinnen
I = investeringen bedrijven
O = bestedingen overheid
E = export (bestedingen buitenlanders)
M = import (...)
EV = C + I + O + E - M
Verband import en ev is negatief. cioe en ev positief
Bestrijding conjunctuurwerkloosheid:
Wat beinvloed de ev?
- rentepolitiek
- invloed rente en sparen. hoge rente = meer sparen = minder bestedingen en
investeringen
- belastingp
- verhoging → netto inkomen van gezin + nettowinst bedrijven daalt.
Minder geld over = minder investering
- prijsp
- goed prijsbeleid beperkt de inflatie → internationaal cp verbetert →
goed voor export = minder import → liever in eigen land goederen
kopen