NASK Hoofdstuk 2 Water
2.1:
1. Je kunt de drie fasen waarin water kan voorkomen benoemen.
Vaste stof: ijs
Vloeibaar: water
Gasvormig: waterdamp
2. Je kunt beschrijven wat waterdamp is en wat er gebeurt als
waterdamp condenseert.
Waterdamp is water in de gasfase.
Waterdamp kun je niet zien. Dat merk je als je tegen een koude ruit
ademt. De waterdamp in je adem koelt af tegen het koude glas en
condenseert. Op het glas verschijnen kleine waterdruppeltjes: de ruit
beslaat. Die kleine waterdruppeltjes zie je ook als je bij koud weer
uitademt. Voor je mond verschijnt dan een nevelwolkje
, 3. Je kunt uitleggen waarom ijs en veel andere vaste stoffen een
kenmerkende kristalstructuur hebben.
vaste stoffen hebben een kristalstructuur, Sneeuw bestaat uit
kristallen: het is een vaste stof. Die kristallen hebben allerlei mooie
vormen. In al die verschillende vormen kun je dezelfde zeshoekige
structuur herkennen. Deze kristalstructuur is kenmerkend voor
sneeuw. Elke vaste stof heeft een eigen kenmerkende
kristalstructuur.
4. Je kunt de verschillende soorten neerslag noemen en beschrijven.
• Dauw bestaat uit kleine waterdruppeltjes. ’s Ochtends kunnen
grassprieten en bladeren kletsnat zijn door de dauw.
• Rijp bestaat uit enorme aantallen kleine ijskristallen. Rijp kan
boomtakken en grassprieten prachtig wit maken.
• IJzel is zeer koude regen die bevriest als hij de bevroren grond
raakt. Het ijslaagje dat zo ontstaat, is altijd doorzichtig. Het kan
straten en wegen spiegelglad maken
5. Je kunt uitleggen waarom ijs blijft drijven op water.
ijs is lichter dan het water en daarom blijft het drijven
2.1:
1. Je kunt de drie fasen waarin water kan voorkomen benoemen.
Vaste stof: ijs
Vloeibaar: water
Gasvormig: waterdamp
2. Je kunt beschrijven wat waterdamp is en wat er gebeurt als
waterdamp condenseert.
Waterdamp is water in de gasfase.
Waterdamp kun je niet zien. Dat merk je als je tegen een koude ruit
ademt. De waterdamp in je adem koelt af tegen het koude glas en
condenseert. Op het glas verschijnen kleine waterdruppeltjes: de ruit
beslaat. Die kleine waterdruppeltjes zie je ook als je bij koud weer
uitademt. Voor je mond verschijnt dan een nevelwolkje
, 3. Je kunt uitleggen waarom ijs en veel andere vaste stoffen een
kenmerkende kristalstructuur hebben.
vaste stoffen hebben een kristalstructuur, Sneeuw bestaat uit
kristallen: het is een vaste stof. Die kristallen hebben allerlei mooie
vormen. In al die verschillende vormen kun je dezelfde zeshoekige
structuur herkennen. Deze kristalstructuur is kenmerkend voor
sneeuw. Elke vaste stof heeft een eigen kenmerkende
kristalstructuur.
4. Je kunt de verschillende soorten neerslag noemen en beschrijven.
• Dauw bestaat uit kleine waterdruppeltjes. ’s Ochtends kunnen
grassprieten en bladeren kletsnat zijn door de dauw.
• Rijp bestaat uit enorme aantallen kleine ijskristallen. Rijp kan
boomtakken en grassprieten prachtig wit maken.
• IJzel is zeer koude regen die bevriest als hij de bevroren grond
raakt. Het ijslaagje dat zo ontstaat, is altijd doorzichtig. Het kan
straten en wegen spiegelglad maken
5. Je kunt uitleggen waarom ijs blijft drijven op water.
ijs is lichter dan het water en daarom blijft het drijven