Rekenen 1
Leerlijn hele getallen
Groep 1/2
Leren tellen t/m 20, snel herkennen van getalpatronen en vingerbeelden.
Het getalbegrip in groep 1/2 wordt ook wel de ontluikende
gecijferdheid genoemd.
Getalbegrip = Functies van getallen, getalstructuur, de waarde en
betekenis van getallen.
Getallen kunnen verschillende betekenissen hebben:
Hoeveelheidsgetal = Kardinaal getal (bv. 3 snoepjes, 7 auto’s)
Telgetal = Ordinaal getal (bv. 3e in de rij)
Meetgetal = bv. 3 liter, 7 meter, 5 jaar
Rekengetal = Formeel getal (1 + 2 = 3)
Naamgetal = bv. Buslijn 3, A2
Je hebt verschillende manieren waarop je kan leren tellen:
Asynchroon tellen = Niet op volgorde tellen.
Synchroon tellen = Op volgorde tellen, je kan de telrij opzeggen
(1,2,3,4, enz.)
Akoestisch tellen = Tellen op geluid (liedjes, versjes)
Resultatief tellen = Kan antwoord geven op de vraag ‘’hoeveel is
het?’’
Verkort tellen = Tellen met sprongen (doortellen (+), terugtellen (-)
Groep 3
Getalbegrip: Telrij tot 100, in stappen van 1,2,5 en 10.
Bewerkingen: Plus en min sommen t/m 20 (getallen splitsen)
In groep 3 noemen we het rekenen ook wel aanvankelijk rekenen.
Didactisch model – Handelingsmodel (dit model wordt veel gebruikt met
het begin van rekenen)
Structuurmodellen:
Lijnmodel = Kralenketting, getallenlijn
Groepsmodel = Blokjes, turfen, geld
, Combinatiemodel = Rekenrekje
Wat is er zo handig aan het rekenrek?
Vijf-structuur
Tien-structuur
Dubbel-structuur
Fasering inzet rekenrek:
o Inoefenen van getalbeelden
o Werken met een rekenrek
o Handig werken met het rekenrek
o Kijken naar het rekenrek
o Denken aan het rekenrek
Rekenstrategieën groep 3:
Verwisselen: 3 + 6 6 + 3
Bijna dubbel: 3 + 4 (bijna dubbel), 3 + 3 (dubbel)
Halveren: 6 – 3
Omvormen: 4 + 6 5 + 5
Compenseren: 5 + 8 5 + 10 -2
Rekenen via de 10: 6 + 8 6 + 4 = 10 + 4 = 14
Inverserelatie: 8 – 4 = 4, want 4 + 4 = 8
Sommen met 0: 6 + 0 = 6
Eraf en erbij 1: 7 – 1 = 6
Tiensommen: 10 + 3 = 13
(bijna) verdwijnsommen: 4 – 4 = 0 (verdwijn), 5 – 4 = 1 (bijna
verdwijn)
Groep 4/5
Groep 4:
Getalbegrip: Telrij t/m 1000
Bewerkingen: +/- t/m 100, makkelijke sommen van
vermenigvuldigen en delen.
Strategieën: Rijgen en splitsen
Groep 5:
Getalbegrip: Telrij tot 10.000
Bewerkingen: +/- t/m 1000, vermenigvuldigen van moeilijke tafels
(6-9), deelsommen (1-10), overgang kolomsgewijs en cijferend
rekenen.
Strategie: Splitsen
In groep 4/5 noemen we het rekenen ook wel voortgezet rekenen.
Handelingsmodel is hier ook van belang.
Model van = Concreet, model dat is gebaseerd op de context,
gericht om zicht te krijgen op de context.
Model voor = Abstract, model dat niet meer is gericht op de
context, maar ter ondersteuning van het formeel handelen
Leerlijn hele getallen
Groep 1/2
Leren tellen t/m 20, snel herkennen van getalpatronen en vingerbeelden.
Het getalbegrip in groep 1/2 wordt ook wel de ontluikende
gecijferdheid genoemd.
Getalbegrip = Functies van getallen, getalstructuur, de waarde en
betekenis van getallen.
Getallen kunnen verschillende betekenissen hebben:
Hoeveelheidsgetal = Kardinaal getal (bv. 3 snoepjes, 7 auto’s)
Telgetal = Ordinaal getal (bv. 3e in de rij)
Meetgetal = bv. 3 liter, 7 meter, 5 jaar
Rekengetal = Formeel getal (1 + 2 = 3)
Naamgetal = bv. Buslijn 3, A2
Je hebt verschillende manieren waarop je kan leren tellen:
Asynchroon tellen = Niet op volgorde tellen.
Synchroon tellen = Op volgorde tellen, je kan de telrij opzeggen
(1,2,3,4, enz.)
Akoestisch tellen = Tellen op geluid (liedjes, versjes)
Resultatief tellen = Kan antwoord geven op de vraag ‘’hoeveel is
het?’’
Verkort tellen = Tellen met sprongen (doortellen (+), terugtellen (-)
Groep 3
Getalbegrip: Telrij tot 100, in stappen van 1,2,5 en 10.
Bewerkingen: Plus en min sommen t/m 20 (getallen splitsen)
In groep 3 noemen we het rekenen ook wel aanvankelijk rekenen.
Didactisch model – Handelingsmodel (dit model wordt veel gebruikt met
het begin van rekenen)
Structuurmodellen:
Lijnmodel = Kralenketting, getallenlijn
Groepsmodel = Blokjes, turfen, geld
, Combinatiemodel = Rekenrekje
Wat is er zo handig aan het rekenrek?
Vijf-structuur
Tien-structuur
Dubbel-structuur
Fasering inzet rekenrek:
o Inoefenen van getalbeelden
o Werken met een rekenrek
o Handig werken met het rekenrek
o Kijken naar het rekenrek
o Denken aan het rekenrek
Rekenstrategieën groep 3:
Verwisselen: 3 + 6 6 + 3
Bijna dubbel: 3 + 4 (bijna dubbel), 3 + 3 (dubbel)
Halveren: 6 – 3
Omvormen: 4 + 6 5 + 5
Compenseren: 5 + 8 5 + 10 -2
Rekenen via de 10: 6 + 8 6 + 4 = 10 + 4 = 14
Inverserelatie: 8 – 4 = 4, want 4 + 4 = 8
Sommen met 0: 6 + 0 = 6
Eraf en erbij 1: 7 – 1 = 6
Tiensommen: 10 + 3 = 13
(bijna) verdwijnsommen: 4 – 4 = 0 (verdwijn), 5 – 4 = 1 (bijna
verdwijn)
Groep 4/5
Groep 4:
Getalbegrip: Telrij t/m 1000
Bewerkingen: +/- t/m 100, makkelijke sommen van
vermenigvuldigen en delen.
Strategieën: Rijgen en splitsen
Groep 5:
Getalbegrip: Telrij tot 10.000
Bewerkingen: +/- t/m 1000, vermenigvuldigen van moeilijke tafels
(6-9), deelsommen (1-10), overgang kolomsgewijs en cijferend
rekenen.
Strategie: Splitsen
In groep 4/5 noemen we het rekenen ook wel voortgezet rekenen.
Handelingsmodel is hier ook van belang.
Model van = Concreet, model dat is gebaseerd op de context,
gericht om zicht te krijgen op de context.
Model voor = Abstract, model dat niet meer is gericht op de
context, maar ter ondersteuning van het formeel handelen