H1 Presentatie
1.1 Wit van de pagina
Gedichten verschillen wat onderwerp of aanleiding betreft niet van andere
literaire teksten.
Een gedicht herken je door de presentatie: de manier waarop de tekst op de
bladzijde staat.
Bij een gedicht is er veel wit van de pagina rondom de tekst en vaak ook tussen
de verschillende delen van een gedicht.
1.2 Versregel
Een gedicht bestaat uit een aantal bij elkaar horende versregels (afgekort vs.).
Een groepje bij elkaar horende versregels is een strofe.
De verschillende strofen van een gedicht worden van elkaar gescheiden door
witregels.
1.3 Horizontaal en verticaal
Gedichten met redelijk lange versregels noem je horizontale gedichten.
Gedichten met veel korte versregels van weinig woorden noem je verticale
gedichten.
De lengte van de versregel is (mede)bepalend voor je leesactiviteit en de
waardering van het gedicht door jou als lezer.
1.4 Enjambement
Bij enjambement wordt een versregel (soms midden in een woord) afgebroken
op een plaats waar geen vanzelfsprekend einde van de versregel is. Het gevolg is
, dat de woorden voor en na het afbreken door enjambement nadruk krijgen, of
dat er een extra betekenis wordt geactiveerd.
H2 Samenhang door herhaling
2.1 Inhoudelijke herhaling
Net als bij andere literaire teksten als verhalen en romans ontdek je samenhang
doordat bepaalde woorden of situaties herhaald worden.
Behalve door inhoudelijke (woord)herhaling kun je als lezer samenhang in een
gedicht herkennen door de herhaling van klanken (rijm) en beklemtoning
(metrum en ruimte).
2.2 Rijm
Rijm is een overeenkomst van klanken in niet ver van elkaar verwijderde
beklemtoonde lettergrepen. Rijmende woorden gaan door klankovereenkomst
bij elkaar horen.
Het gebruik van rijm kan woorden ook extra nadruk geven.
Er is rijm op basis op basis van vorm en van plaats.
Rijm op basis van vorm:
Volrijm: rijmen van beklemtoonde klinker en de daaropvolgende medeklinker à
piek - uniek
Halfrijm: * rijmen van beklemtoonde klinkers (assonantie) à voor – oog –
toonbeelden; ziet niemand
* of beginmedeklinkers van beklemtoonde woorden (alliteratie) à los
– lust, loop los, mijn – maken – mij, jak – juk.
2.3 Metrum
Met het begrip metrum wordt de regelmatige afwisseling van sterke (–) en
zwakker (U) beklemtoonde lettergrepen bedoeld.
Het metrum is maat (regelmaat).
Versregels met metrum worden verdeeld in versvoeten (|).
Als op het einde van de versregel geen volledige voet is noem je dat een naslag.
Alleen als deze beklemtoond is tel je hem mee.
1.1 Wit van de pagina
Gedichten verschillen wat onderwerp of aanleiding betreft niet van andere
literaire teksten.
Een gedicht herken je door de presentatie: de manier waarop de tekst op de
bladzijde staat.
Bij een gedicht is er veel wit van de pagina rondom de tekst en vaak ook tussen
de verschillende delen van een gedicht.
1.2 Versregel
Een gedicht bestaat uit een aantal bij elkaar horende versregels (afgekort vs.).
Een groepje bij elkaar horende versregels is een strofe.
De verschillende strofen van een gedicht worden van elkaar gescheiden door
witregels.
1.3 Horizontaal en verticaal
Gedichten met redelijk lange versregels noem je horizontale gedichten.
Gedichten met veel korte versregels van weinig woorden noem je verticale
gedichten.
De lengte van de versregel is (mede)bepalend voor je leesactiviteit en de
waardering van het gedicht door jou als lezer.
1.4 Enjambement
Bij enjambement wordt een versregel (soms midden in een woord) afgebroken
op een plaats waar geen vanzelfsprekend einde van de versregel is. Het gevolg is
, dat de woorden voor en na het afbreken door enjambement nadruk krijgen, of
dat er een extra betekenis wordt geactiveerd.
H2 Samenhang door herhaling
2.1 Inhoudelijke herhaling
Net als bij andere literaire teksten als verhalen en romans ontdek je samenhang
doordat bepaalde woorden of situaties herhaald worden.
Behalve door inhoudelijke (woord)herhaling kun je als lezer samenhang in een
gedicht herkennen door de herhaling van klanken (rijm) en beklemtoning
(metrum en ruimte).
2.2 Rijm
Rijm is een overeenkomst van klanken in niet ver van elkaar verwijderde
beklemtoonde lettergrepen. Rijmende woorden gaan door klankovereenkomst
bij elkaar horen.
Het gebruik van rijm kan woorden ook extra nadruk geven.
Er is rijm op basis op basis van vorm en van plaats.
Rijm op basis van vorm:
Volrijm: rijmen van beklemtoonde klinker en de daaropvolgende medeklinker à
piek - uniek
Halfrijm: * rijmen van beklemtoonde klinkers (assonantie) à voor – oog –
toonbeelden; ziet niemand
* of beginmedeklinkers van beklemtoonde woorden (alliteratie) à los
– lust, loop los, mijn – maken – mij, jak – juk.
2.3 Metrum
Met het begrip metrum wordt de regelmatige afwisseling van sterke (–) en
zwakker (U) beklemtoonde lettergrepen bedoeld.
Het metrum is maat (regelmaat).
Versregels met metrum worden verdeeld in versvoeten (|).
Als op het einde van de versregel geen volledige voet is noem je dat een naslag.
Alleen als deze beklemtoond is tel je hem mee.