Hoofdstuk 1 t/m 3 (p. 17-116)
Hoofdstuk 6 (p. 165-200)
1
1.1 sleutelbegrippen bij het vormgeven van effectiefleren
De 6 sleutelbegrippen (Kenmerken) van effectief leren
1. Een heldere structuur in de opbouw van de leerstof (begin midden eind)
2. Het juiste niveau van de leerstof
3. Betekenis geven aan de leerstof (als leerlingen het lesdoel zelf betekenis geven, zullen ze daar
gemotiveerder aan werken))
4. Individuele aanspreekbaarheid (zorg ervoor dat de kinderen meedoen door de leerlingen te
benaderen, dat iedere leerling aanspreekbaar is op een antwoord van een vraag of opdracht.)
5. Zichtbaarheid van leren en denken (zorg ervoor dat je inzicht hebt of de kinderen de stof ook echt
begrijpen)
6. Aandacht voor nieuwsgierigheid en motivatie (door kinderen nieuwsgierig te maken leren ze eerder,
doordat ze iets willen weten)
1.1.4 Motivatie
De 6 factoren die invloed hebben op goed leergedrag van leerlingen (goed klimaat)
1. Succesbeleving (complimenten, belonen)
2. Individuele aanspreekbaarheid (betrek alle kinderen erbij)
3. Feedback, kennis van resultaten (het maakt dat de leerling weet wat hij kan en niet kan, stuurt
kinderen aan)
4. Betekenis geven (als leerlingen het lesdoel zelf betekenis geven, zullen ze daar gemotiveerder aan
werken)
5. Interesse in de leerling en veiligheid (als ze zich niet veilig en gerespecteerd voelen is het
bedreigend voor hen om mee te doen in het leerproces)
6. Positieve benadering (motiveert de kinderen dat ze iets kunnen)
1.2 Leren en leeractiviteiten
3 vormen van leren, 4 leeractiviteiten
Leren gericht op wendbaar, flexibel gebruik: creatief toepassen (is gericht op het gebruiken
van de kennis in een nieuwe, onbekende situatie)
Leren gericht op beklijving, verankeren: integreren (is het ophalen en activeren van
voorkennis en ervaringen)
Leren gericht op beheersing en inzicht: onthouden en begrijpen
,1.3 vaardigheden en competenties eigen maken versus kennis
Vaardigheden
Cognitieve vaardigheden Analyseren, structureren, selecteren,
memoriseren, toepassen enz.
Motorische vaardigheden Springen, handstand, microscoop gebruiken,
iets opzoeken in bieb
Affectieve vaardigheden Zelfkennis (reflectieve vaardigheden, logisch
denken)
Sociale vaardigheden Luisteren, afspraken maken, elkaar
aanmoedigen, conflicten oplossen
1.5 achtergronden bij effectief leren en leeractiviteiten
Het aanleren van declaratieve kennis Het aanleren van procedurele kennis
1 betekenis geven door activeren van 1 modellen construeren door voorbeelden
voorkennis te laten zien
2 Organiseren 2 Bijstellen en verfijnen
3 Opslaan in geheugen 3 Verinnerlijken door oefening
Declaratieve kennis: doen en uitvoeren
Procedurele kennis: weten
, 2
Any instructional method should incorporate the fundamentals of theory one
(= directe instructie)
(Perkins, 1992)
Directe instructie heeft als hoofddoel het aanleren van basiskennis en basisvaardigheden
2.2 fasen in de les
Bij directe instructie kent het lesontwerp 6 fases, daartoe moeten doelen, taken en
leeractiviteiten op elkaar afgestemd zijn.
1. Aandacht richten op de doelen van de les en aansluiten bij voorkennis (beginsituatie)
2. Nieuwe informatie op effectieve wijze aanbieden of voordoen (introductie van nieuwe stof)
3. Nagaan of de belangrijkste begrippen of vaardigheden zijn overgekomen (vragen stellen)
4. Instructie geven ten behoeve van zelfwerkzaamheid (kinderen gaan aan het werk)
5. Geleide of zelfstandige oefening en het begeleiden van zelfwerkzaamheid (kinderen begeleiden,
helpen 3rondjesmodel kunnen leerlingen zelfstandig aan het leren, helpen, wat is er geleerd)
6. Afsluiten van de les op kernbegrippen en leerstrategie (evaluatie)
Bekend – benieuwd – bewaard (wat weet ik al, wat wil ik weten, wat heb ik geleerd)
2.4.5
GIP-model
Fase 1 Aandacht reguleren
Fase 2 Taakafspraken
Fase 3 Extra (deel- of) groepsinstructie
Fase 4 Langdurig zelfwerken