Geschiedenis samenvattingen tijdvak 6
Tijd van regenten en vorsten (1600-1700)
6.1 Rijk door handel overzee
Kenmerkende aspecten:
- Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie
- De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de
Nederlandse Republiek
Samenvatting tekst 6.1:
Gespecialiseerde boeren
Veel boeren in de Republiek gingen zich specialiseren in de veeteelt. Dit moest omdat de natuurlijke
omstandigheden waren veranderd, grote delen van de Republiek waren namelijk verzakt en onder zeeniveau
gaan liggen. Als gevolg hiervan was de grond te drassig om te verbouwen, maar was het goed genoeg voor de
koeien om te grazen. Hierdoor gingen een aantal boeren zich specialiseren in het vetmesten van runderen voor
vlees, kaas of melk. Andere boeren konden niks anders doen dan werk zoeken buiten de agrarische sector of naar
de stad trekken. In de minder natte gebieden specialiseerden de boeren zich in handelsgewassen (hennep, hop,
tuinbouw, bomen, meekrap en tabaksteelt). Deze specialisaties waren belangrijk voor de economie, bijvoorbeeld
in de koloniën in Amerika was veel vraag naar tabak. De overgang naar veeteelt was mogelijk omdat graan werd
ingevoerd door Hollandse schippers vanuit gebieden rond de Oostzee. Het ging hierbij om grote hoeveelheden.
De stapelmarkt
Rond 1600 was Amsterdam de belangrijkste havenstad. Graan werd vanuit hier verhandeld naar Spanje, Frankrijk,
Italië en Portugal omdat wanneer daar de oogst was mislukt de handelaren een flinke prijs voor het graan konden
krijgen. Hollandse handelaren werkten volgens het principe van kapitalisme: het behalen van zoveel mogelijk
winst na een investering. De graanhandel werd daardoor de belangrijkste handel voor de economie van de
Republiek. Door de gunstige ligging van de Nederlanden was het mogelijk om in 1 vaarseizoen in doorgaande
vaart de zogeheten driehoekstocht te doen. Vanuit Holland naar de Golf van Biskaje (zout en wijn) vanuit daar
naar de havens aan de Oostzee, volgeladen met graan en hout keerde het schip dan voor de winter weer terug in
Holland.
De stapelmarkt van Amsterdam was eigenlijk de oorzaak van haar positie. Hier werd hout en graan opgeslagen in
afwachting van verder transport. Deze functie was heel belangrijk omdat de aanvoer van producten onzeker kon
zijn en hiermee er dus altijd producten waren om handel mee te voeren. De Hollande kooplieden waren gedreven
om nieuwe handelsmogelijkheden te ontdekken en waren niet kieskeurig wie de handelspartners werden, ook
met vijanden van de republiek werd handel gedreven.
Van concurrentie naar compagnie
Door het groeiende aantal handelscontacten ging de Republiek een grotere rol spelen in de wereldeconomie.
Hierdoor ontstond het handelskapitalisme: het investeren van een grote hoeveelheid geld om zo veel mogelijk
handelswinst te behalen. Kijkend naar de winstgevende handel met Azië werd een compagnie opgericht in 1594
om rechtstreeks handel te drijven met Indië. Omdat veel handelaren van deze route wouden profiteren stegen de
inkoopprijzen in Indië en daalde de verkoopprijzen in Holland. Deze ontwikkeling was slechts volgens Johan van
Oldenbarnevelt en in 1602 werd dan ook een samenwerkingsverband opgericht: de Verenigde Oost-Indische
Compagnie. Haar werkkapitaal kreeg de VOC door aandelen uit te geven.
Desnoods met de harde hand
De VOC had een monopolie op de handel met Azië en ze mochten handelsovereenkomsten sluiten, soldaten en
bestuursambtenaren in dienst nemen, aan vreemde kusten forten bouwen en geweld gebruiken als de belangen
van de VOC in gevaar kwamen (bijv. Jan Pieterszoon Coen).
Tijd van regenten en vorsten (1600-1700)
6.1 Rijk door handel overzee
Kenmerkende aspecten:
- Wereldwijde handelscontacten, handelskapitalisme en het begin van een wereldeconomie
- De bijzondere plaats in staatkundig opzicht en de bloei in economisch en cultureel opzicht van de
Nederlandse Republiek
Samenvatting tekst 6.1:
Gespecialiseerde boeren
Veel boeren in de Republiek gingen zich specialiseren in de veeteelt. Dit moest omdat de natuurlijke
omstandigheden waren veranderd, grote delen van de Republiek waren namelijk verzakt en onder zeeniveau
gaan liggen. Als gevolg hiervan was de grond te drassig om te verbouwen, maar was het goed genoeg voor de
koeien om te grazen. Hierdoor gingen een aantal boeren zich specialiseren in het vetmesten van runderen voor
vlees, kaas of melk. Andere boeren konden niks anders doen dan werk zoeken buiten de agrarische sector of naar
de stad trekken. In de minder natte gebieden specialiseerden de boeren zich in handelsgewassen (hennep, hop,
tuinbouw, bomen, meekrap en tabaksteelt). Deze specialisaties waren belangrijk voor de economie, bijvoorbeeld
in de koloniën in Amerika was veel vraag naar tabak. De overgang naar veeteelt was mogelijk omdat graan werd
ingevoerd door Hollandse schippers vanuit gebieden rond de Oostzee. Het ging hierbij om grote hoeveelheden.
De stapelmarkt
Rond 1600 was Amsterdam de belangrijkste havenstad. Graan werd vanuit hier verhandeld naar Spanje, Frankrijk,
Italië en Portugal omdat wanneer daar de oogst was mislukt de handelaren een flinke prijs voor het graan konden
krijgen. Hollandse handelaren werkten volgens het principe van kapitalisme: het behalen van zoveel mogelijk
winst na een investering. De graanhandel werd daardoor de belangrijkste handel voor de economie van de
Republiek. Door de gunstige ligging van de Nederlanden was het mogelijk om in 1 vaarseizoen in doorgaande
vaart de zogeheten driehoekstocht te doen. Vanuit Holland naar de Golf van Biskaje (zout en wijn) vanuit daar
naar de havens aan de Oostzee, volgeladen met graan en hout keerde het schip dan voor de winter weer terug in
Holland.
De stapelmarkt van Amsterdam was eigenlijk de oorzaak van haar positie. Hier werd hout en graan opgeslagen in
afwachting van verder transport. Deze functie was heel belangrijk omdat de aanvoer van producten onzeker kon
zijn en hiermee er dus altijd producten waren om handel mee te voeren. De Hollande kooplieden waren gedreven
om nieuwe handelsmogelijkheden te ontdekken en waren niet kieskeurig wie de handelspartners werden, ook
met vijanden van de republiek werd handel gedreven.
Van concurrentie naar compagnie
Door het groeiende aantal handelscontacten ging de Republiek een grotere rol spelen in de wereldeconomie.
Hierdoor ontstond het handelskapitalisme: het investeren van een grote hoeveelheid geld om zo veel mogelijk
handelswinst te behalen. Kijkend naar de winstgevende handel met Azië werd een compagnie opgericht in 1594
om rechtstreeks handel te drijven met Indië. Omdat veel handelaren van deze route wouden profiteren stegen de
inkoopprijzen in Indië en daalde de verkoopprijzen in Holland. Deze ontwikkeling was slechts volgens Johan van
Oldenbarnevelt en in 1602 werd dan ook een samenwerkingsverband opgericht: de Verenigde Oost-Indische
Compagnie. Haar werkkapitaal kreeg de VOC door aandelen uit te geven.
Desnoods met de harde hand
De VOC had een monopolie op de handel met Azië en ze mochten handelsovereenkomsten sluiten, soldaten en
bestuursambtenaren in dienst nemen, aan vreemde kusten forten bouwen en geweld gebruiken als de belangen
van de VOC in gevaar kwamen (bijv. Jan Pieterszoon Coen).