NEUROPSYCHOLOGIE
HOOFDSTUK 11
Amnesieën
, Hoofdstuk 11: amnesieën
11.1 Begripsbepaling en indelingen van het geheugen
Het geheugen is niet 1 functie en zit niet op 1 plek. Hippocampus = sleutelrol.
Tests voor geheugen hebben van een nadeel: hebben weinig te maken met geheugen in het
dagelijks leven. De ecologische validiteit is gering. Uitzondering = Rivermead Behavioral
Memory Test van Barbara Wilson, heeft meer te maken met het dagelijks leven.
Er zijn veel vormen van geheugen, dit figuur geeft de meest gebruikte classificatie
11.1.1 Geheugen in het dagelijks leven
Vormen van het geheugen:
Prospectief geheugen: geheugen over de toekomst, moeilijk in te delen vorm van geheugen,
want kan eigenlijk bij zowel declaratief als procedureel. VB: afspraken nakomen.
Klassieke conditionering: je maakt verbanden. VB: printer geeft piepsignaal, u weet dat het
papier eraan komt.
Operante conditionering: soort van trial and error. VB: iets lukt niet dus u probeert opnieuw
totdat het wel lukt.
Declaratief geheugen: bewuste belevenissen. VB: iets heftigs meemaken en dit drie jaar later
vertellen aan iemand.
Procedureel geheugen: automatische processen. VB: je routine in de ochtend gaat ‘vanzelf’.
Inprenting en codering: iets bewust opslaan door er mee bezig te zijn/ezelsbruggetjes te
verzinnen. VB: Jaap komt op maandag de twaalfde, allemaal aa’s, dit een aantal keer
herhalen.
Oproepen, retrieval, recall: ergens weer op komen. VB: wat is er morgen de twaalfde? Oh dat
was met die aa’s, Jaap komt.
Priming: een geheugenvorm die ervoor zorgt dat iemand eerder zal reageren op een
bepaalde prikkel van buiten af als deze al eens opgeslagen is dan wanneer deze prikkel nog
nooit ontvangen is. VB: je hebt het over een vrouw maar weet haar naam niet, wanneer je
hoort dat het met een ‘A’ begint weet je het weer.
Ultrakort geheugen/sensorische buffer/immediate memory: houd je maar enkele seconden
vast. VB: iemand roept nummer, je zoekt naar papier om het op te schrijven, maar je bent
het alweer vergeten.
Kortetermijngeheugen (STM: short term memory): iets langer dan ultrakort geheugen. VB: in
de ochtend weet je je droom nog, ’s avonds weet je alleen nog dat je hebt gedroomd, maar
je weet niet meer wat.
Langetermijngeheugen (LTM: long term memory): gaat jaren terug. VB: herinneringen
kindertijd.
Modaliteitsgebonden geheugen; visueel verbaal: VB: je herkent iemands gezicht, maar weet
de naam niet meer en vice versa.
Modaliteitsgebonden geheugen; spatieel: VB: onbekende stad waarbij je de heenweg goed
op je omgeving let waardoor je de terugweg gewoon zelf kunt vinden.
Modaliteitsgebonden geheugen; akoestisch: VB: geluiden/muziek herkennen.
Episodisch geheugen: autobiografisch je weet wat je gedaan hebt. VB: ‘Ja ik ben een keer in
Enschede geweest toen was ik veel te laat bij een afspraak.’
HOOFDSTUK 11
Amnesieën
, Hoofdstuk 11: amnesieën
11.1 Begripsbepaling en indelingen van het geheugen
Het geheugen is niet 1 functie en zit niet op 1 plek. Hippocampus = sleutelrol.
Tests voor geheugen hebben van een nadeel: hebben weinig te maken met geheugen in het
dagelijks leven. De ecologische validiteit is gering. Uitzondering = Rivermead Behavioral
Memory Test van Barbara Wilson, heeft meer te maken met het dagelijks leven.
Er zijn veel vormen van geheugen, dit figuur geeft de meest gebruikte classificatie
11.1.1 Geheugen in het dagelijks leven
Vormen van het geheugen:
Prospectief geheugen: geheugen over de toekomst, moeilijk in te delen vorm van geheugen,
want kan eigenlijk bij zowel declaratief als procedureel. VB: afspraken nakomen.
Klassieke conditionering: je maakt verbanden. VB: printer geeft piepsignaal, u weet dat het
papier eraan komt.
Operante conditionering: soort van trial and error. VB: iets lukt niet dus u probeert opnieuw
totdat het wel lukt.
Declaratief geheugen: bewuste belevenissen. VB: iets heftigs meemaken en dit drie jaar later
vertellen aan iemand.
Procedureel geheugen: automatische processen. VB: je routine in de ochtend gaat ‘vanzelf’.
Inprenting en codering: iets bewust opslaan door er mee bezig te zijn/ezelsbruggetjes te
verzinnen. VB: Jaap komt op maandag de twaalfde, allemaal aa’s, dit een aantal keer
herhalen.
Oproepen, retrieval, recall: ergens weer op komen. VB: wat is er morgen de twaalfde? Oh dat
was met die aa’s, Jaap komt.
Priming: een geheugenvorm die ervoor zorgt dat iemand eerder zal reageren op een
bepaalde prikkel van buiten af als deze al eens opgeslagen is dan wanneer deze prikkel nog
nooit ontvangen is. VB: je hebt het over een vrouw maar weet haar naam niet, wanneer je
hoort dat het met een ‘A’ begint weet je het weer.
Ultrakort geheugen/sensorische buffer/immediate memory: houd je maar enkele seconden
vast. VB: iemand roept nummer, je zoekt naar papier om het op te schrijven, maar je bent
het alweer vergeten.
Kortetermijngeheugen (STM: short term memory): iets langer dan ultrakort geheugen. VB: in
de ochtend weet je je droom nog, ’s avonds weet je alleen nog dat je hebt gedroomd, maar
je weet niet meer wat.
Langetermijngeheugen (LTM: long term memory): gaat jaren terug. VB: herinneringen
kindertijd.
Modaliteitsgebonden geheugen; visueel verbaal: VB: je herkent iemands gezicht, maar weet
de naam niet meer en vice versa.
Modaliteitsgebonden geheugen; spatieel: VB: onbekende stad waarbij je de heenweg goed
op je omgeving let waardoor je de terugweg gewoon zelf kunt vinden.
Modaliteitsgebonden geheugen; akoestisch: VB: geluiden/muziek herkennen.
Episodisch geheugen: autobiografisch je weet wat je gedaan hebt. VB: ‘Ja ik ben een keer in
Enschede geweest toen was ik veel te laat bij een afspraak.’