Samenvatting bedrijfskunde
H1 + 2.1
Algemene economie:
Micro-economie: Gezinnen, bedrijven, overheden.
Macro-economie: Bestudeert economische problemen van maatschappij als geheel. Nationaal
inkomen, werkgelegenheid, inflatie.
Bedrijfseconomie:
Richt zich op economisch handelen binnen productieorganisaties.
- Interne bedrijfshouding
- Relaties van bedrijf met omgeving
De interne financiële bedrijfshuishouding
• Financiële administratie
• Jaarrekening, balans, winst- en verliesrekening met eventueel cashflowoverzicht.
• Belastingdienst, Investeerders.
Relaties met de omgeving
• Geldstromen tussen de bedrijven onderling (Cash management).
Door in- en verkoop van goederen/diensten
Lenen van geld voor financieren (investeringen) (corporate finance) Bank, suiker oom en wat nog
meer?
• Daarnaast is de relatie met de klant ook zeer belangrijk.
Relatiebeheer
Marketing
Efficiency doelmatigheid. Weinig middelen voor proces.
Effectiviteit doelgerichtheid. Uitkomst van het proces wordt
gerealiseerd.
Non-Profit:
- Overheidssector, collectieve goederen en diensten.
- Particuliere non-profit (sportvereniging en goede doelen)
Verschillen profit- en non profit.
Doel: Winst / sociale- en/of maatschappelijke doelstellingen.
Economisch zelfstandigheid; afhankelijk van donaties en
subsidies
Er is geen/moeilijk vergelijk tussen efficiency en effectiviteit;
Industrie: Industriële ondernemingen creëren een fysiek tastbaar product dat vóór de productie in
die vorm nog niet bestond.
Handel: Handelsondernemingen halen hun bestaansrecht uit ongelijkheid tussen productie en
consumptie.
- Producent
- Groothandel
, - Detailhandel
Dienstverlening: Verrichten van een prestatie voor een klant, zonder dat er een nieuw goed wordt
vervaardigd:
- Financiële dienstverlening
- Transport
- ICT
- Facilitair
Rechtsvormen:
Leiding EN eigendom:
- Eenmanszaak
- V.O.F of Maatschap (iedereen hoofdelijk
aansprakelijk, bij maatschap voor gelijke delen)
- CV (Commanditaire vennootschap) Als V.O.F maar
dan met commandieten.
Scheiding tussen leiding en eigendom:
- Besloten vennootschap (rechtspersoon,
geregistreerde aandelen)
- Naamloze vennootschap (rechtspersoon, vrij
verhandelbare aandelen)
- Coöperatie (rechtspersoon)
Samenwerkingsvormen tussen ondernemingen:
- Joint venture
o Projectmatig karakter, tijdelijk,
opbrengsten, kosten en risico’s
delen, deelnemers blijven
zelfstandig, resultaat is nieuwe
zelfstandige rechtsvorm.
- Franchising
o Gebruik van verkoopsysteem,
contractuele verplichtingen,
deelnemers blijven zelfstandig.
- Fusie of overname:
o Juridisch en economisch samengaan
o Financiële (on)gelijkwaardigheid bepaalt vorm.
Aanmerkelijkbelanghouder: Belastingplichtige die ten minste 5% van het aandelen kapitaal van een
nv of bv bezit. Inkomstenbelasting in box 2.
Beherende vennoot: Vennoot in een commanditaire vennootschap die zowel leider als eigenaar is.
Integratie: Een onderneming neemt een schakel in de voortbrenging in eigen beheer die vroeger
door een afzonderlijke onderneming werd verricht.
Omzetbelasting: Belasting die wordt geheven van ondernemers over de verkoopopbrengst.
H1 + 2.1
Algemene economie:
Micro-economie: Gezinnen, bedrijven, overheden.
Macro-economie: Bestudeert economische problemen van maatschappij als geheel. Nationaal
inkomen, werkgelegenheid, inflatie.
Bedrijfseconomie:
Richt zich op economisch handelen binnen productieorganisaties.
- Interne bedrijfshouding
- Relaties van bedrijf met omgeving
De interne financiële bedrijfshuishouding
• Financiële administratie
• Jaarrekening, balans, winst- en verliesrekening met eventueel cashflowoverzicht.
• Belastingdienst, Investeerders.
Relaties met de omgeving
• Geldstromen tussen de bedrijven onderling (Cash management).
Door in- en verkoop van goederen/diensten
Lenen van geld voor financieren (investeringen) (corporate finance) Bank, suiker oom en wat nog
meer?
• Daarnaast is de relatie met de klant ook zeer belangrijk.
Relatiebeheer
Marketing
Efficiency doelmatigheid. Weinig middelen voor proces.
Effectiviteit doelgerichtheid. Uitkomst van het proces wordt
gerealiseerd.
Non-Profit:
- Overheidssector, collectieve goederen en diensten.
- Particuliere non-profit (sportvereniging en goede doelen)
Verschillen profit- en non profit.
Doel: Winst / sociale- en/of maatschappelijke doelstellingen.
Economisch zelfstandigheid; afhankelijk van donaties en
subsidies
Er is geen/moeilijk vergelijk tussen efficiency en effectiviteit;
Industrie: Industriële ondernemingen creëren een fysiek tastbaar product dat vóór de productie in
die vorm nog niet bestond.
Handel: Handelsondernemingen halen hun bestaansrecht uit ongelijkheid tussen productie en
consumptie.
- Producent
- Groothandel
, - Detailhandel
Dienstverlening: Verrichten van een prestatie voor een klant, zonder dat er een nieuw goed wordt
vervaardigd:
- Financiële dienstverlening
- Transport
- ICT
- Facilitair
Rechtsvormen:
Leiding EN eigendom:
- Eenmanszaak
- V.O.F of Maatschap (iedereen hoofdelijk
aansprakelijk, bij maatschap voor gelijke delen)
- CV (Commanditaire vennootschap) Als V.O.F maar
dan met commandieten.
Scheiding tussen leiding en eigendom:
- Besloten vennootschap (rechtspersoon,
geregistreerde aandelen)
- Naamloze vennootschap (rechtspersoon, vrij
verhandelbare aandelen)
- Coöperatie (rechtspersoon)
Samenwerkingsvormen tussen ondernemingen:
- Joint venture
o Projectmatig karakter, tijdelijk,
opbrengsten, kosten en risico’s
delen, deelnemers blijven
zelfstandig, resultaat is nieuwe
zelfstandige rechtsvorm.
- Franchising
o Gebruik van verkoopsysteem,
contractuele verplichtingen,
deelnemers blijven zelfstandig.
- Fusie of overname:
o Juridisch en economisch samengaan
o Financiële (on)gelijkwaardigheid bepaalt vorm.
Aanmerkelijkbelanghouder: Belastingplichtige die ten minste 5% van het aandelen kapitaal van een
nv of bv bezit. Inkomstenbelasting in box 2.
Beherende vennoot: Vennoot in een commanditaire vennootschap die zowel leider als eigenaar is.
Integratie: Een onderneming neemt een schakel in de voortbrenging in eigen beheer die vroeger
door een afzonderlijke onderneming werd verricht.
Omzetbelasting: Belasting die wordt geheven van ondernemers over de verkoopopbrengst.