H1 Welvaart: mate waarin mensen over middelen beschikken om hun behoeften te vervullen
welzijn: mate waarin mensen tevreden zijn over hun lichamelijke en geestelijke gezondheid
Verzorgingsstaat: de overheid bemoeit zich actief met de welvaart en het welzijn van haar
inwoners. Functies:
1) verzorgen (ziekenhuizen, verpleeghuizen)
2) verzekeren (uitkeringen bij werkloosheid) → sociale zekerheidsstelsel verzekert je
van een inkomen bij ziekte, ouderdom
3) verheffen (kans op ontplooiing, onderwijs)
4) verbinden (sociale ongelijkheid verminderen, sociale cohesie)
Gebaseerd op het solidariteitsprincipe: bereidheid om risico’s te delen.
Collectief goed: niemand wordt uitgesloten, ook niet als je niet meewerkt (dijken)
Bij een verzorgingsstaat draait het om sociale grondrechten: werkgelegenheid,
volksgezondheid, sociale zekerheid maar ook om plichten zoals de sollicitatieplicht, anders
krijg je geen uitkering, ook betaal je verplicht premies voor de AOW en de
basiszorgverzekering.
3 soorten verzorgingsstaten, allemaal gebaseerd op solidariteit en gelijke kansen:
- sociaaldemocratisch (scandinavisch)
● gelijkheid
● overheid grote rol bij leveren goederen en diensten
- liberaal (angelsaksisch)
● beperkte rol overheid
● verantwoordelijkheid en vrijheid
- corporatistisch: mengsel
● gezin is belangrijk
● vrije markt wordt flink ingeperkt
● harmonieuze samenwerking: overheid, werkgevers en -nemers
Planeconomie: gelijkheid, overheid beheert productiemiddelen voor eerlijke verdeling, goed
onderwijs en opvang, arbeidsparticipatie van vrouwen hoog.
Vrijemarkteconomie: vrijheid, overheid grijpt niet actief in op de economie, lage belastingen
en duur onderwijs
H2 Eerste helft van de 19e eeuw was de overheid liberaal. Vrije markt, zwakken geholpen
door liefdadigheid.
Nederland was een nachtwakersstaat: de overheid beperkt zich tot het handhaven van de
openbare orde en veiligheid.
In 1854 kwam de armenwet: niet-kerkelijke hulpbehoevenden kregen recht op steun
Hierna kwamen andere sociale verzekeringen en werden de risico's van arbeid erkend.
1874: Kinderwetje van Van Houten, liberaal, verbood kinderarbeid
1901: leerplicht. Elr ontstond dus inzicht dat gezonde arbeiders beter presteren.
De staat moest volgens alle politieke partijen ingrijpen op de vrije markt:
- katholieken en protestanten wilden zwakkeren beschermen en christenen waren
bang voor een sociale revolutie
welzijn: mate waarin mensen tevreden zijn over hun lichamelijke en geestelijke gezondheid
Verzorgingsstaat: de overheid bemoeit zich actief met de welvaart en het welzijn van haar
inwoners. Functies:
1) verzorgen (ziekenhuizen, verpleeghuizen)
2) verzekeren (uitkeringen bij werkloosheid) → sociale zekerheidsstelsel verzekert je
van een inkomen bij ziekte, ouderdom
3) verheffen (kans op ontplooiing, onderwijs)
4) verbinden (sociale ongelijkheid verminderen, sociale cohesie)
Gebaseerd op het solidariteitsprincipe: bereidheid om risico’s te delen.
Collectief goed: niemand wordt uitgesloten, ook niet als je niet meewerkt (dijken)
Bij een verzorgingsstaat draait het om sociale grondrechten: werkgelegenheid,
volksgezondheid, sociale zekerheid maar ook om plichten zoals de sollicitatieplicht, anders
krijg je geen uitkering, ook betaal je verplicht premies voor de AOW en de
basiszorgverzekering.
3 soorten verzorgingsstaten, allemaal gebaseerd op solidariteit en gelijke kansen:
- sociaaldemocratisch (scandinavisch)
● gelijkheid
● overheid grote rol bij leveren goederen en diensten
- liberaal (angelsaksisch)
● beperkte rol overheid
● verantwoordelijkheid en vrijheid
- corporatistisch: mengsel
● gezin is belangrijk
● vrije markt wordt flink ingeperkt
● harmonieuze samenwerking: overheid, werkgevers en -nemers
Planeconomie: gelijkheid, overheid beheert productiemiddelen voor eerlijke verdeling, goed
onderwijs en opvang, arbeidsparticipatie van vrouwen hoog.
Vrijemarkteconomie: vrijheid, overheid grijpt niet actief in op de economie, lage belastingen
en duur onderwijs
H2 Eerste helft van de 19e eeuw was de overheid liberaal. Vrije markt, zwakken geholpen
door liefdadigheid.
Nederland was een nachtwakersstaat: de overheid beperkt zich tot het handhaven van de
openbare orde en veiligheid.
In 1854 kwam de armenwet: niet-kerkelijke hulpbehoevenden kregen recht op steun
Hierna kwamen andere sociale verzekeringen en werden de risico's van arbeid erkend.
1874: Kinderwetje van Van Houten, liberaal, verbood kinderarbeid
1901: leerplicht. Elr ontstond dus inzicht dat gezonde arbeiders beter presteren.
De staat moest volgens alle politieke partijen ingrijpen op de vrije markt:
- katholieken en protestanten wilden zwakkeren beschermen en christenen waren
bang voor een sociale revolutie