Wiskunde H2 Bijzondere lijnen §1, 2 en 3
● Evenwijdige lijnen hebben dezelfde afstand tot elkaar, ze snijden elkaar nooit.
● Loodrechte lijnen ook wel loodlijnen snijden elkaar onder een hoek van 90࿀, je
gebruikt het loodrecht teken.
● De omtrek van een figuur is de lengte van alle zijdes opgeteld.
● De oppervlakte van een ruimtefiguur is de som van alle oppervlaktes van de
zijvlakken.
● Elke hoek heeft twee benen en krijgt de naam met een hoofdletter. ∠A gebruik het
hoekteken!
● Een rechthoekige driehoek heeft een hoek van 90 graden.
● Een scherphoekige driehoek heeft drie hoeken kleiner dan 90 graden.
● Een stomphoekige driehoek heeft een hoek die groter is dan 90 graden.
● Een gelijkzijdige driehoek heeft 3 even lange zijden en 3 gelijke hoeken van 60
graden.
● Een gelijkbenige driehoek heeft 2 even lange benen. De basishoeken zijn gelijk.
● Een vierkant is een vierhoek met vier rechte hoeken en vier even lange zijden.
● Een rechthoek is een vierhoek met vier rechte hoeken. In een rechthoek zijn
overstaande zijden evenwijdig en even lang.
● Een trapezium is een vierhoek met twee evenwijdige zijden.
● Een parallellogram is een vierhoek met twee paar evenwijdige zijden. De
tegenoverliggende zijden en hoeken van een parallellogram zijn even groot.
● Een ruit is een vierhoek met vier even lange zijden.
● Een vlieger is een vierhoek waarin twee paar aanliggende zijden even lang zijn.
● Een omgeschreven cirkel is een cirkel die door alle hoekpunten van een driehoek
gaat. Zijn middelpunt is het snijpunt van de middelloodlijnen van alle zijden.
● Een bissectrice is een lijn die een hoek in twee even grote hoeken deelt.
● Je maakt een cirkel om het hoekpunt, dan 2 cirkels op die punten, dan trek je er een
lijn doorheen en geef je aan dat ze even groot zijn met een *etc.
● De ingeschreven cirkel is een cirkel die alle zijdes van een driehoek raakt, het
middelpunt is het snijpunt van alle bissectrices.
●
● Evenwijdige lijnen hebben dezelfde afstand tot elkaar, ze snijden elkaar nooit.
● Loodrechte lijnen ook wel loodlijnen snijden elkaar onder een hoek van 90࿀, je
gebruikt het loodrecht teken.
● De omtrek van een figuur is de lengte van alle zijdes opgeteld.
● De oppervlakte van een ruimtefiguur is de som van alle oppervlaktes van de
zijvlakken.
● Elke hoek heeft twee benen en krijgt de naam met een hoofdletter. ∠A gebruik het
hoekteken!
● Een rechthoekige driehoek heeft een hoek van 90 graden.
● Een scherphoekige driehoek heeft drie hoeken kleiner dan 90 graden.
● Een stomphoekige driehoek heeft een hoek die groter is dan 90 graden.
● Een gelijkzijdige driehoek heeft 3 even lange zijden en 3 gelijke hoeken van 60
graden.
● Een gelijkbenige driehoek heeft 2 even lange benen. De basishoeken zijn gelijk.
● Een vierkant is een vierhoek met vier rechte hoeken en vier even lange zijden.
● Een rechthoek is een vierhoek met vier rechte hoeken. In een rechthoek zijn
overstaande zijden evenwijdig en even lang.
● Een trapezium is een vierhoek met twee evenwijdige zijden.
● Een parallellogram is een vierhoek met twee paar evenwijdige zijden. De
tegenoverliggende zijden en hoeken van een parallellogram zijn even groot.
● Een ruit is een vierhoek met vier even lange zijden.
● Een vlieger is een vierhoek waarin twee paar aanliggende zijden even lang zijn.
● Een omgeschreven cirkel is een cirkel die door alle hoekpunten van een driehoek
gaat. Zijn middelpunt is het snijpunt van de middelloodlijnen van alle zijden.
● Een bissectrice is een lijn die een hoek in twee even grote hoeken deelt.
● Je maakt een cirkel om het hoekpunt, dan 2 cirkels op die punten, dan trek je er een
lijn doorheen en geef je aan dat ze even groot zijn met een *etc.
● De ingeschreven cirkel is een cirkel die alle zijdes van een driehoek raakt, het
middelpunt is het snijpunt van alle bissectrices.
●