Inhoud
1 klinische observaties en meetinstrumenten....................................................................2
1.1 Observatie van de motoriek (het spontane bewegen)...............................................2
1.2 Beoordeling van de mobiliteit....................................................................................2
1.2.1 Anamnese en observatie.....................................................................................2
1.2.2 Vitale parameters................................................................................................ 2
2 Stoornissen, disfuncties en complicaties..........................................................................2
2.1 Problemen m.b.t. de neuromusculaire aansturing van de spieren.............................2
2.2 Problemen m.b.t. de spieren......................................................................................3
2.3 Problemen m.b.t. de botten, pezen en gewrichten....................................................3
2.4 Mobiliteitsbeperkingen.............................................................................................. 3
2.4.1 Decubitus of drukletsels ten gevolge van immobiliteit........................................4
2.4.2 Tromboflebitis en diep veneuze trombose (DVT).................................................5
2.4.3 Complicaties op het ademhalingsstelsel..............................................................5
2.4.4 Complicaties op het maagdarmstelsel.................................................................6
2.4.5 Complicaties op het urinewegstelsel...................................................................6
3 Interventies en vaardigheden..........................................................................................6
3.1 Decubituspreventie.................................................................................................... 6
3.1.1 Houding veranderen............................................................................................7
3.1.2 Drukverlagende middelen gebruiken...................................................................8
3.1.3 Mobilisatie......................................................................................................... 10
3.1.4 Huidzorg en inspectie........................................................................................10
3.1.5 Voeding............................................................................................................. 10
3.2 Preventieve maatregelen bij het voorkomen van tromboflebitis en diep veneuze
trombose (DVT)............................................................................................................. 10
3.3 Preventieve maatregelen bij het voorkomen van complicaties van het
ademhalingsstelsel........................................................................................................ 10
3.4 Preventieve maatregelen bij het voorkomen van obstipatie....................................11
3.5 Preventieve maatregelen bij het voorkomen van urinewegproblemen....................11
HET MOTORISCH SYSTEEM
1
, 1 KLINISCHE OBSERVATIES EN MEETINSTRUMENTEN
Mobiliteit betekent beweeglijkheid of het gemak waarmee iemand zich verplaatst.
Gewrichten hebben een zekere beweeglijkheid maar wanneer gewrichten onbegrensd
soepel zijn, zijn deze niet meer stabiel.
Beweging of motoriek is het vermogen om te bewegen als geheel.
1.1 OBSERVATIE VAN DE MOTORIEK (HET SPONTANE BEWEGEN)
Observatiepunten grove motoriek:
- Verlopen de bewegingen stram, houterig, soepel?
- Zijn de bewegingen langzaam of snel?
- Zijn de bewegingen ruw of beheerst?
- Heeft de patiënt een goed evenwicht?
- Is er een verhoogde valneiging?
Observatiepunten fijne motoriek:
- Kan de patiënt gericht grijpen?
- Hoe is de oog-handcoördinatie?
- Zijn de bewegingen nauwkeurig of grof?
1.2 BEOORDELING VAN DE MOBILITEIT
1.2.1 ANAMNESE EN OBSERVATIE
Tijdens het afnemen van een anamnese bevraagt men de energie die nodig is om de
gewenste activiteiten uit te voeren. Daarnaast kijkt men in welke mate de patiënt kan
bewegen om deze activiteiten uit te voeren. Beide factoren zijn van invloed en kunnen
indien er een afname is van beiden leiden tot mobiliteitstekort.
Om de mate van zelfstandigheid bij het bewegen in kaart te brengen, kan men gebruik
maken van een eenvoudige observatieschaal:
- Niveau 0: beweegt zich volledig zelfstandig
- Niveau I: zelfstandig met hulpmiddel
- Niveau II: heeft hulp of begeleiding van 1 persoon nodig
- Niveau III: hulp én begeleiding nodig
- Niveau IV: volledig afhankelijk van anderen
1.2.2 VITALE PARAMETERS
Via observatie van de vitale parameters krijg je een beeld van de energie die aanwezig is
om deze bewegingen mogelijk te maken.
2 STOORNISSEN, DISFUNCTIES EN COMPLICATIES
2.1 PROBLEMEN M.B.T. DE NEUROMUSCULAIRE AANSTURING VAN DE SPIEREN
2
1 klinische observaties en meetinstrumenten....................................................................2
1.1 Observatie van de motoriek (het spontane bewegen)...............................................2
1.2 Beoordeling van de mobiliteit....................................................................................2
1.2.1 Anamnese en observatie.....................................................................................2
1.2.2 Vitale parameters................................................................................................ 2
2 Stoornissen, disfuncties en complicaties..........................................................................2
2.1 Problemen m.b.t. de neuromusculaire aansturing van de spieren.............................2
2.2 Problemen m.b.t. de spieren......................................................................................3
2.3 Problemen m.b.t. de botten, pezen en gewrichten....................................................3
2.4 Mobiliteitsbeperkingen.............................................................................................. 3
2.4.1 Decubitus of drukletsels ten gevolge van immobiliteit........................................4
2.4.2 Tromboflebitis en diep veneuze trombose (DVT).................................................5
2.4.3 Complicaties op het ademhalingsstelsel..............................................................5
2.4.4 Complicaties op het maagdarmstelsel.................................................................6
2.4.5 Complicaties op het urinewegstelsel...................................................................6
3 Interventies en vaardigheden..........................................................................................6
3.1 Decubituspreventie.................................................................................................... 6
3.1.1 Houding veranderen............................................................................................7
3.1.2 Drukverlagende middelen gebruiken...................................................................8
3.1.3 Mobilisatie......................................................................................................... 10
3.1.4 Huidzorg en inspectie........................................................................................10
3.1.5 Voeding............................................................................................................. 10
3.2 Preventieve maatregelen bij het voorkomen van tromboflebitis en diep veneuze
trombose (DVT)............................................................................................................. 10
3.3 Preventieve maatregelen bij het voorkomen van complicaties van het
ademhalingsstelsel........................................................................................................ 10
3.4 Preventieve maatregelen bij het voorkomen van obstipatie....................................11
3.5 Preventieve maatregelen bij het voorkomen van urinewegproblemen....................11
HET MOTORISCH SYSTEEM
1
, 1 KLINISCHE OBSERVATIES EN MEETINSTRUMENTEN
Mobiliteit betekent beweeglijkheid of het gemak waarmee iemand zich verplaatst.
Gewrichten hebben een zekere beweeglijkheid maar wanneer gewrichten onbegrensd
soepel zijn, zijn deze niet meer stabiel.
Beweging of motoriek is het vermogen om te bewegen als geheel.
1.1 OBSERVATIE VAN DE MOTORIEK (HET SPONTANE BEWEGEN)
Observatiepunten grove motoriek:
- Verlopen de bewegingen stram, houterig, soepel?
- Zijn de bewegingen langzaam of snel?
- Zijn de bewegingen ruw of beheerst?
- Heeft de patiënt een goed evenwicht?
- Is er een verhoogde valneiging?
Observatiepunten fijne motoriek:
- Kan de patiënt gericht grijpen?
- Hoe is de oog-handcoördinatie?
- Zijn de bewegingen nauwkeurig of grof?
1.2 BEOORDELING VAN DE MOBILITEIT
1.2.1 ANAMNESE EN OBSERVATIE
Tijdens het afnemen van een anamnese bevraagt men de energie die nodig is om de
gewenste activiteiten uit te voeren. Daarnaast kijkt men in welke mate de patiënt kan
bewegen om deze activiteiten uit te voeren. Beide factoren zijn van invloed en kunnen
indien er een afname is van beiden leiden tot mobiliteitstekort.
Om de mate van zelfstandigheid bij het bewegen in kaart te brengen, kan men gebruik
maken van een eenvoudige observatieschaal:
- Niveau 0: beweegt zich volledig zelfstandig
- Niveau I: zelfstandig met hulpmiddel
- Niveau II: heeft hulp of begeleiding van 1 persoon nodig
- Niveau III: hulp én begeleiding nodig
- Niveau IV: volledig afhankelijk van anderen
1.2.2 VITALE PARAMETERS
Via observatie van de vitale parameters krijg je een beeld van de energie die aanwezig is
om deze bewegingen mogelijk te maken.
2 STOORNISSEN, DISFUNCTIES EN COMPLICATIES
2.1 PROBLEMEN M.B.T. DE NEUROMUSCULAIRE AANSTURING VAN DE SPIEREN
2