H3: Welk nut heeft de sociologie voor wie geen socioloog wil
worden?
Introductie: staat niet in het boek, maar is wel te kennen!
Geloofskennis, ervaringskennis en wetenschappelijke kennis
1. Geloofskennis
Kennis gebonden aan autoriteit
Vertrouwen stellen in persoon die kennis overdraagt
Iets aannemen, zonder het zelf te onderzoeken, te weten of te
begrijpen in essentie weinig kritisch
Geloofskennis kan:
- Dogmatisch zijn: houding waarbij mensen aantal opvattingen als
onwrikbare waarheid hanteren en die daarom nooit controleert.
- Maar niet altijd handelen vaak o.b.v. geloofskennis
2. Ervaringskennis
Wijsheid: de door de ervaringen van het leven verworven kennis.
De mens leert bij via het proces van trial and error.
Learning by doing: leren uit je fouten
Ervaringskennis is altijd absoluut waar voor de betrokkenen: de
gevoelde sensaties, emoties, gevoelens zijn onloochenbaar.
Ervaringen zijn niet veralgemeen baar of overdraagbaar naar
anderen.
Ervaringsdeskundige: begrijpt situatie beter omdat hij het zelf al
heeft meegemaakt. Gevaar: Subjectiviteit en betrokkenheid van de
ervaringsdeskundige.
3. Wetenschappelijke kennis
(Zelf autonoom gaan nadenken, op onderzoek gaan en een deeltje
ervan gaan bestuderen en onderzoeken)
Wetenschappelijke kennis komt tot stand op basis van wederzijdse
kritiek op theorieën, en op basis van feitelijke discussie.
Verklaart nooit totaliteit van realiteit, maar beperkt zich tot
deelaspect van werkelijkheid.
Gradueel proces
, Gemeenschappelijkheid: wetenschap is openbaar iedereen kan
wetenschappelijke kennis in vraag stellen
Elke vorm van wetenschappelijke kennis is voorlopig (nooit absoluut)
Progressie van kennis op basis van verificatie
Belangeloosheid: geen persoonlijke- of groepsbelangen
1. De sociologie, een wetenschap als (g)een ander
Een late ontdekking?
Ja, op zich een gevolg van maatschappelijke transformaties en de vraag:
waarom en waar naartoe?
Waarom kwam sociologie zo laat tot leven?
Een mogelijke verklaring is dat de samenleving het water is waarin de
menselijke vis rondzwemt e de mens, net al een vis, zichzelf met zijn
omgeving identificeert. De ruimte voor een eigen wetenschap van de
samenleving kwam er pas toen die omgeving in vraag werd gesteld en
niet langer als een goddelijke of natuurlijke orde werd gegeven. Pas
dan konden de wetenschappelijke verklaringen de rol overnemen.
Auguste Comte (1798-1857): ‘Vader van de sociologie’
Wetenschap van de samenleving
Ambitie: De wetten van de samenleving blootleggen zoals de
natuurwetenschappen
Verschijnselen → algemene wetten
Lanceerde begrip “physique social” of ‘sociale fysica’
Belangrijk methodologisch keerpunt -> ‘Verstehende Methode’
Max Weber (1864-1920)
worden?
Introductie: staat niet in het boek, maar is wel te kennen!
Geloofskennis, ervaringskennis en wetenschappelijke kennis
1. Geloofskennis
Kennis gebonden aan autoriteit
Vertrouwen stellen in persoon die kennis overdraagt
Iets aannemen, zonder het zelf te onderzoeken, te weten of te
begrijpen in essentie weinig kritisch
Geloofskennis kan:
- Dogmatisch zijn: houding waarbij mensen aantal opvattingen als
onwrikbare waarheid hanteren en die daarom nooit controleert.
- Maar niet altijd handelen vaak o.b.v. geloofskennis
2. Ervaringskennis
Wijsheid: de door de ervaringen van het leven verworven kennis.
De mens leert bij via het proces van trial and error.
Learning by doing: leren uit je fouten
Ervaringskennis is altijd absoluut waar voor de betrokkenen: de
gevoelde sensaties, emoties, gevoelens zijn onloochenbaar.
Ervaringen zijn niet veralgemeen baar of overdraagbaar naar
anderen.
Ervaringsdeskundige: begrijpt situatie beter omdat hij het zelf al
heeft meegemaakt. Gevaar: Subjectiviteit en betrokkenheid van de
ervaringsdeskundige.
3. Wetenschappelijke kennis
(Zelf autonoom gaan nadenken, op onderzoek gaan en een deeltje
ervan gaan bestuderen en onderzoeken)
Wetenschappelijke kennis komt tot stand op basis van wederzijdse
kritiek op theorieën, en op basis van feitelijke discussie.
Verklaart nooit totaliteit van realiteit, maar beperkt zich tot
deelaspect van werkelijkheid.
Gradueel proces
, Gemeenschappelijkheid: wetenschap is openbaar iedereen kan
wetenschappelijke kennis in vraag stellen
Elke vorm van wetenschappelijke kennis is voorlopig (nooit absoluut)
Progressie van kennis op basis van verificatie
Belangeloosheid: geen persoonlijke- of groepsbelangen
1. De sociologie, een wetenschap als (g)een ander
Een late ontdekking?
Ja, op zich een gevolg van maatschappelijke transformaties en de vraag:
waarom en waar naartoe?
Waarom kwam sociologie zo laat tot leven?
Een mogelijke verklaring is dat de samenleving het water is waarin de
menselijke vis rondzwemt e de mens, net al een vis, zichzelf met zijn
omgeving identificeert. De ruimte voor een eigen wetenschap van de
samenleving kwam er pas toen die omgeving in vraag werd gesteld en
niet langer als een goddelijke of natuurlijke orde werd gegeven. Pas
dan konden de wetenschappelijke verklaringen de rol overnemen.
Auguste Comte (1798-1857): ‘Vader van de sociologie’
Wetenschap van de samenleving
Ambitie: De wetten van de samenleving blootleggen zoals de
natuurwetenschappen
Verschijnselen → algemene wetten
Lanceerde begrip “physique social” of ‘sociale fysica’
Belangrijk methodologisch keerpunt -> ‘Verstehende Methode’
Max Weber (1864-1920)