Codificatie van het recht in Europa (19-20e eeuw)
JEREMY BENTHAM
- Was een jurist, filosoof, wiskundige & uitvinder panopticon
- Pleitbezorger van de codificatie van het recht en was grondlegger
van het utilisme.
- Engels recht= ‘monster of chicane’: kritiek dat de regels moeilijk
terug te vinden waren.
- Vind ook the principle of utility uit waar elke rechtsregel zoveel
mogelijk geluk moest veroorzaken en zoveel mogelijk pijn moest
vermijden.
- Grondlegger van het utlisme & bedenker van term ‘codification’
Voor hem moet het recht voldoen aan 2 voorwaarden voldoen:
cognoscibility & accessibility.
- In zijn testament liet hij opnemen dat zijn lichaam geschonken
moest worden aan de wetenschap en dat het moest worden
opgezet. --> University College of London.
CODIFICATIE: DEFENITIE
1. Geschreven recht
2. Is uitgevaardigd en gehandhaafd door overheid binnen territorium
3. Moet volledig zijn
4. Moet systematisch geordend zijn (zoals institutensysteem)
5. Moet exclusief gelden (mogen geen concurrerende andere
rechtsbronnen zijn)
6. (Ontstaan uit abstracte principe)
CODIFICATIEPERIODE
- Verlichting (Rousseau, Montesqieu)
Geloof dat alles te verklaren is met rede (ratio). Kennis kreeg je door
rationeel denken, niet via Bijbel. Alles (menselijk gedrag,
geschiedenis) kan rationeel verklaard worden.
Verlichtingdenkers wilden kennis ordenen en toegankelijk maken, dit
leidde tot het ontstaan van encyclopedieën.
Ze zijn voorstanders van: Meer vrijheid, in een tijd van censuur
door kerk en staat. Gelijkheid: iedereen is gelijk omdat
iedereen een redelijk wezen is. Nationale eenmaking: einde
diversiteit verschillende rechtbanken iedereen is gelijk.
- Natuurrecht (1720-1780)
Ontstaan bij Grotius: elk mens is een redelijk wezen en kan tot
kennis van natuurrecht komen. (4 principes: pacta sunt servanda).
, Universeel, tijdloos, systematisch geordend en exclusief (enkel
natuurrecht)
Constructivistisch: niet bestaande recht gebruiken als bron, maar
bouwen iets nieuws.
Vooral in HRR. In werkelijkheid zal het RR een belangrijke bron van
inspiratie zijn.
2e helft 18de eeuw: vorsten experimenteren met exclusieve wetboeken.
Is exclusief, maar niet universeel (enkel voor eigen territorium). Is ook vrij
van interpretatie: rechter is ‘la bouche de la loi’: moet enkel recht
toepassen en niet verder interpreteren want wetboeken zijn volgens hun al
duidelijk genoeg.
EERSTE POGINGEN
Beieren: Wil samenwerking versterken en een efficiënter bestuur maken
na versnippering door oorlog Codex Maximilianeus Bavaricus civilis
(1756): burgerlijk wetboek
- 1751: Codex Maximilianeus Bavaricus criminalis: strafrecht
- 1753: Codex Maximilianeus Bavaricus judiciarii: procesrecht
Kenmerken
- Exclusief: doet alle voorgaande rechtsbronnen teniet
- Niet exclusief: kent subsidiaire rol toe tot RR.
- Geen tabula Rasa: gebaseerd op gewoonterecht en RR
- Gold tot 1900 bij invoering Duitse BGB
Pruisen:
Allgemeines Landrecht für die Preussischen Staaten (1794) nood BW in
Pruisen.
Pruisen was verspreid en had diversiteit van recht. Koning wil een BW die
geldt voor heel Pruisen (1740). Eenduidig, helder en heeft geen
interpretatie nodig.
Fredrik II de grote haat juristen en zet een commentaar en
interpretatieverbod voor juristen. Toch onduidelijkheid in rechtbanken
gezetskommission waar rechter kan vragen hoe ze recht kan toepassen.
(In FR: référé législatif).
Werd een volledig en casuïstisch wetboek: 19 000 art. Het krijgt
subsidiaire werking: lokale gewoonterecht blijft en bij lacunes komt dat
recht. (Geen exclusieve werking) Standenmaatschappij staat in BW, maar
kort erna verdwijnt dit waardoor het BW niet meer gebruikt kan worden.
Het was geschreven voor Ancien regime en in 19de eeuw begon nieuwe tijd
dus BW kwam niet meer van pas.
JEREMY BENTHAM
- Was een jurist, filosoof, wiskundige & uitvinder panopticon
- Pleitbezorger van de codificatie van het recht en was grondlegger
van het utilisme.
- Engels recht= ‘monster of chicane’: kritiek dat de regels moeilijk
terug te vinden waren.
- Vind ook the principle of utility uit waar elke rechtsregel zoveel
mogelijk geluk moest veroorzaken en zoveel mogelijk pijn moest
vermijden.
- Grondlegger van het utlisme & bedenker van term ‘codification’
Voor hem moet het recht voldoen aan 2 voorwaarden voldoen:
cognoscibility & accessibility.
- In zijn testament liet hij opnemen dat zijn lichaam geschonken
moest worden aan de wetenschap en dat het moest worden
opgezet. --> University College of London.
CODIFICATIE: DEFENITIE
1. Geschreven recht
2. Is uitgevaardigd en gehandhaafd door overheid binnen territorium
3. Moet volledig zijn
4. Moet systematisch geordend zijn (zoals institutensysteem)
5. Moet exclusief gelden (mogen geen concurrerende andere
rechtsbronnen zijn)
6. (Ontstaan uit abstracte principe)
CODIFICATIEPERIODE
- Verlichting (Rousseau, Montesqieu)
Geloof dat alles te verklaren is met rede (ratio). Kennis kreeg je door
rationeel denken, niet via Bijbel. Alles (menselijk gedrag,
geschiedenis) kan rationeel verklaard worden.
Verlichtingdenkers wilden kennis ordenen en toegankelijk maken, dit
leidde tot het ontstaan van encyclopedieën.
Ze zijn voorstanders van: Meer vrijheid, in een tijd van censuur
door kerk en staat. Gelijkheid: iedereen is gelijk omdat
iedereen een redelijk wezen is. Nationale eenmaking: einde
diversiteit verschillende rechtbanken iedereen is gelijk.
- Natuurrecht (1720-1780)
Ontstaan bij Grotius: elk mens is een redelijk wezen en kan tot
kennis van natuurrecht komen. (4 principes: pacta sunt servanda).
, Universeel, tijdloos, systematisch geordend en exclusief (enkel
natuurrecht)
Constructivistisch: niet bestaande recht gebruiken als bron, maar
bouwen iets nieuws.
Vooral in HRR. In werkelijkheid zal het RR een belangrijke bron van
inspiratie zijn.
2e helft 18de eeuw: vorsten experimenteren met exclusieve wetboeken.
Is exclusief, maar niet universeel (enkel voor eigen territorium). Is ook vrij
van interpretatie: rechter is ‘la bouche de la loi’: moet enkel recht
toepassen en niet verder interpreteren want wetboeken zijn volgens hun al
duidelijk genoeg.
EERSTE POGINGEN
Beieren: Wil samenwerking versterken en een efficiënter bestuur maken
na versnippering door oorlog Codex Maximilianeus Bavaricus civilis
(1756): burgerlijk wetboek
- 1751: Codex Maximilianeus Bavaricus criminalis: strafrecht
- 1753: Codex Maximilianeus Bavaricus judiciarii: procesrecht
Kenmerken
- Exclusief: doet alle voorgaande rechtsbronnen teniet
- Niet exclusief: kent subsidiaire rol toe tot RR.
- Geen tabula Rasa: gebaseerd op gewoonterecht en RR
- Gold tot 1900 bij invoering Duitse BGB
Pruisen:
Allgemeines Landrecht für die Preussischen Staaten (1794) nood BW in
Pruisen.
Pruisen was verspreid en had diversiteit van recht. Koning wil een BW die
geldt voor heel Pruisen (1740). Eenduidig, helder en heeft geen
interpretatie nodig.
Fredrik II de grote haat juristen en zet een commentaar en
interpretatieverbod voor juristen. Toch onduidelijkheid in rechtbanken
gezetskommission waar rechter kan vragen hoe ze recht kan toepassen.
(In FR: référé législatif).
Werd een volledig en casuïstisch wetboek: 19 000 art. Het krijgt
subsidiaire werking: lokale gewoonterecht blijft en bij lacunes komt dat
recht. (Geen exclusieve werking) Standenmaatschappij staat in BW, maar
kort erna verdwijnt dit waardoor het BW niet meer gebruikt kan worden.
Het was geschreven voor Ancien regime en in 19de eeuw begon nieuwe tijd
dus BW kwam niet meer van pas.