Tijd van steden en staten (1000-1500)
Paragraaf 1 Opbloei en macht van de stad
Nieuwe steden, handel en nijverheid
Vroege Middeleeuwen: iedereen zelfvoorzienend, geen voedseloverschot waardoor er soms honger was.
Onder Willem de Veroveraar veranderde dit in Engeland.
Vlaamse boeren werden door Vlaamse edelen die Willem hielpen overgehaald om grond te ontginnen in
Engeland;
Gesteund door kloosters uit Vlaanderen en Noord-Frankrijk die land als beloning kregen voor het steunen van
Willem;
Verbeteringen in de landbouw (waaronder de groei van de schapenteelt, betere ploeg, warmer en minder vochtig
klimaat en toepassing van drieslagstelsel) leidden tot een hogere voedselproductie/overproductie en
bevolkingsgroei.
Door overproductie hoefde niet iedereen meer in de landbouw te werken, en konden mensen zich specialiseren
in een ambacht (: beroep waarbij een handwerker met gereedschap eindproducten maakt).
De specialisten gingen wonen op een veilige plek waar veel mensen kwamen.
Steden werden groter en er ontstonden steden bij knooppunten van handelsroutes en burchten.
Handel, nijverheid (: het met de hand of met eenvoudige gereedschappen produceren van goederen) en omvang
van steden namen toe.
Landbouwsamenleving landbouwstedelijke samenleving.
Willem de Veroveraar stichtte nieuwe steden op strategische plaatsen.
Handel en nijverheid bevorderen;
Politiek motief: hij kon vanuit stad het omliggende platteland besturen en belasting heffen;
Militair motief: vooral aan grenzen Wales en Schotland.
Londen
11e eeuw: 15.000 inwoners.
Slag bij Hastings: Londen gaf zich over aan Willem de Veroveraar.
Burgers (: in de Middeleeuwen een inwoner van een stad) eisten in ruil dat Willem hun vrijheden in privileges (:
voorrecht voor een stad, gewest of groep mensen) vastlegde.
Een voorbeeld van privileges zijn stadsrechten (: document waarin de voorrechten van een stad en haar inwoners
zijn vastgelegd), deze gaven steden zelfbestuur en zorgden voor economische ne juridische voordelen.
Londen ontwikkelde zich tot handelscentrum.
Vlaanderen: textielnijverheid; produceerden laken;
Engelse wol werd vanuit Londen naar Vlaanderen gebracht;
Via Londen kwamen luxeproducten Engeland binnen.
14e eeuw: 45.000 inwoners.
Illustreert bloei van Londen.
Londen bleef klein vergeleken met steden in Europa.
Constantinopel: 300.000 inwoners (grootste stad);
Noord-Italië: Venetië en Genua (havensteden), Bologna, Milaan en Florence (nijverheid) 100.000 inwoners;
Nederland: Gent: 60.000 inwoners.
Interregionale handel
Regionale handel: handel was vooral gericht op platteland waar boeren voedsel en grondstoffen verkochten en van
de opbrengst producten voor hun huishouden kochten.
Interregionale handel: handelaren uit Noord-Italië brachten luxeproducten uit Azië en Arabië over de Alpen naar
Europa.
12e eeuw: Noord-Franse steden (Champagne) organiseerden jaarmarkten (: een of enkele malen per jaar spreken
stedelingen een markt- of handelsperiode af voor handelaren).
, 13e eeuw: hoogtepunt interregionale handel;
Vlaamse handelaren wisselden textiel tegen handelswaren uit Middellandse Zeegebied.
14e eeuw: jaarmarkten namen af. Italiaanse handelaren gingen per schip langs Brugge.
Champagne verliest functie;
Dit was mogelijk door grotere schepen;
Ook werd mogelijk om via Straat van Gibraltar naar Brugge te varen;
Om winstgevendheid te vermeerderen door oorlogsgeweld en belastingen te vermijden die je tijdens reizen over
weg wel had.
Koopmansgilden (: samenwerkingsverband van kooplieden (handelaren) in de stad) ontstonden.
Handelaren werkten samen om handelsvoorrechten te krijgen, bij elkaar te staan op reis en kapitaal te krijgen
voor verre reizen.
Volgende stap organiseren handel: instellen van Hanze (: samenwerkingsverband van (handelaren uit) verschillende
steden, bedoeld om elkaar te ondersteunen in de handel.
Begon in Oostzeegebied;
Steden die in Hanze zaten gaven elkaar handelsvoorrechten;
Grootste bloei: 1300-1450
Grootste Hanze: veel handelssteden aan Oost- en Noordzee, ze handelden in bulkgoederen en dure goederen;
Noord-Italiaanse steden: schakels tussen Azië, Afrika, Europa;
Brugge: schakel tussen Zuid-Europa en Noord-Europese Hanze;
Duitse Hanze werd belangrijkst.
Stadsstichtingen
Noord-Italië, Frankrijk, Brugge: belangrijke rol.
Duitse gebieden: minder belangrijke rol.
Duitse Rijk:
Centralisatie en staatsvorming mislukt;
Keizerschap niet erfelijk;
Rijk is eeuwenlang verbrokkeld;
Uitzondering in Europa.
Machthebbers Centraal-Europa zagen het nut van steden.
Ze stimuleerden stichting en groei van steden en gaven inwoners privileges (bijv. stadsrechten);
Privileges lokten veel mensen van platteland;
Horigen trokken van platteland naar stad;
Tekort aan horigen op domeinen;
Adel probeerde dit te voorkomen door belasting te verlagen en verplichtingen te verminderen;
Horigheid West-Europa: geld bepaalt verhouding heer-horige i.p.v. rechten en plichten;
Horigheid Oost-Europa blijft bestaan;
Opkomst van steden zorgde voor vrijheid voor bevolking.
Spanningen in de stad
Machthebber in de regio van nieuwe stad maakte stadsbestuur.
Patriciërs (rijke, grond bezittende burgers) maakten gebruik van hun financiële positie, zij kregen in ruil voor
belastingbetalingen invloed in stadsbestuur;
Bijvoorbeeld schepen (: aangewezen of gekozen bestuurder en rechter in een stad) worden in schepenbank
(rechtbank van stad) of schout (: vertegenwoordigt de heer).
Meeste bestuurder hielden hun functie levenslang (door corruptie en vriendjespolitiek.
Bij het gemeen (: het armere deel van de bevolking in een middeleeuwse stad, gildemeesters/welvarende
burgers, arme burgers, knechten, niet-leden gilden, zwervers, bedelaars) bestond hierover veel onvrede.
Nieuwe groepen beschikten over kapitaal door handel en nijverheid en betaalden belasting.
Ook zij eisten invloed in stadsbestuur;
Gold voor handelaren en handwerkslieden, zij werden belangrijke economische macht in de stad.
Paragraaf 1 Opbloei en macht van de stad
Nieuwe steden, handel en nijverheid
Vroege Middeleeuwen: iedereen zelfvoorzienend, geen voedseloverschot waardoor er soms honger was.
Onder Willem de Veroveraar veranderde dit in Engeland.
Vlaamse boeren werden door Vlaamse edelen die Willem hielpen overgehaald om grond te ontginnen in
Engeland;
Gesteund door kloosters uit Vlaanderen en Noord-Frankrijk die land als beloning kregen voor het steunen van
Willem;
Verbeteringen in de landbouw (waaronder de groei van de schapenteelt, betere ploeg, warmer en minder vochtig
klimaat en toepassing van drieslagstelsel) leidden tot een hogere voedselproductie/overproductie en
bevolkingsgroei.
Door overproductie hoefde niet iedereen meer in de landbouw te werken, en konden mensen zich specialiseren
in een ambacht (: beroep waarbij een handwerker met gereedschap eindproducten maakt).
De specialisten gingen wonen op een veilige plek waar veel mensen kwamen.
Steden werden groter en er ontstonden steden bij knooppunten van handelsroutes en burchten.
Handel, nijverheid (: het met de hand of met eenvoudige gereedschappen produceren van goederen) en omvang
van steden namen toe.
Landbouwsamenleving landbouwstedelijke samenleving.
Willem de Veroveraar stichtte nieuwe steden op strategische plaatsen.
Handel en nijverheid bevorderen;
Politiek motief: hij kon vanuit stad het omliggende platteland besturen en belasting heffen;
Militair motief: vooral aan grenzen Wales en Schotland.
Londen
11e eeuw: 15.000 inwoners.
Slag bij Hastings: Londen gaf zich over aan Willem de Veroveraar.
Burgers (: in de Middeleeuwen een inwoner van een stad) eisten in ruil dat Willem hun vrijheden in privileges (:
voorrecht voor een stad, gewest of groep mensen) vastlegde.
Een voorbeeld van privileges zijn stadsrechten (: document waarin de voorrechten van een stad en haar inwoners
zijn vastgelegd), deze gaven steden zelfbestuur en zorgden voor economische ne juridische voordelen.
Londen ontwikkelde zich tot handelscentrum.
Vlaanderen: textielnijverheid; produceerden laken;
Engelse wol werd vanuit Londen naar Vlaanderen gebracht;
Via Londen kwamen luxeproducten Engeland binnen.
14e eeuw: 45.000 inwoners.
Illustreert bloei van Londen.
Londen bleef klein vergeleken met steden in Europa.
Constantinopel: 300.000 inwoners (grootste stad);
Noord-Italië: Venetië en Genua (havensteden), Bologna, Milaan en Florence (nijverheid) 100.000 inwoners;
Nederland: Gent: 60.000 inwoners.
Interregionale handel
Regionale handel: handel was vooral gericht op platteland waar boeren voedsel en grondstoffen verkochten en van
de opbrengst producten voor hun huishouden kochten.
Interregionale handel: handelaren uit Noord-Italië brachten luxeproducten uit Azië en Arabië over de Alpen naar
Europa.
12e eeuw: Noord-Franse steden (Champagne) organiseerden jaarmarkten (: een of enkele malen per jaar spreken
stedelingen een markt- of handelsperiode af voor handelaren).
, 13e eeuw: hoogtepunt interregionale handel;
Vlaamse handelaren wisselden textiel tegen handelswaren uit Middellandse Zeegebied.
14e eeuw: jaarmarkten namen af. Italiaanse handelaren gingen per schip langs Brugge.
Champagne verliest functie;
Dit was mogelijk door grotere schepen;
Ook werd mogelijk om via Straat van Gibraltar naar Brugge te varen;
Om winstgevendheid te vermeerderen door oorlogsgeweld en belastingen te vermijden die je tijdens reizen over
weg wel had.
Koopmansgilden (: samenwerkingsverband van kooplieden (handelaren) in de stad) ontstonden.
Handelaren werkten samen om handelsvoorrechten te krijgen, bij elkaar te staan op reis en kapitaal te krijgen
voor verre reizen.
Volgende stap organiseren handel: instellen van Hanze (: samenwerkingsverband van (handelaren uit) verschillende
steden, bedoeld om elkaar te ondersteunen in de handel.
Begon in Oostzeegebied;
Steden die in Hanze zaten gaven elkaar handelsvoorrechten;
Grootste bloei: 1300-1450
Grootste Hanze: veel handelssteden aan Oost- en Noordzee, ze handelden in bulkgoederen en dure goederen;
Noord-Italiaanse steden: schakels tussen Azië, Afrika, Europa;
Brugge: schakel tussen Zuid-Europa en Noord-Europese Hanze;
Duitse Hanze werd belangrijkst.
Stadsstichtingen
Noord-Italië, Frankrijk, Brugge: belangrijke rol.
Duitse gebieden: minder belangrijke rol.
Duitse Rijk:
Centralisatie en staatsvorming mislukt;
Keizerschap niet erfelijk;
Rijk is eeuwenlang verbrokkeld;
Uitzondering in Europa.
Machthebbers Centraal-Europa zagen het nut van steden.
Ze stimuleerden stichting en groei van steden en gaven inwoners privileges (bijv. stadsrechten);
Privileges lokten veel mensen van platteland;
Horigen trokken van platteland naar stad;
Tekort aan horigen op domeinen;
Adel probeerde dit te voorkomen door belasting te verlagen en verplichtingen te verminderen;
Horigheid West-Europa: geld bepaalt verhouding heer-horige i.p.v. rechten en plichten;
Horigheid Oost-Europa blijft bestaan;
Opkomst van steden zorgde voor vrijheid voor bevolking.
Spanningen in de stad
Machthebber in de regio van nieuwe stad maakte stadsbestuur.
Patriciërs (rijke, grond bezittende burgers) maakten gebruik van hun financiële positie, zij kregen in ruil voor
belastingbetalingen invloed in stadsbestuur;
Bijvoorbeeld schepen (: aangewezen of gekozen bestuurder en rechter in een stad) worden in schepenbank
(rechtbank van stad) of schout (: vertegenwoordigt de heer).
Meeste bestuurder hielden hun functie levenslang (door corruptie en vriendjespolitiek.
Bij het gemeen (: het armere deel van de bevolking in een middeleeuwse stad, gildemeesters/welvarende
burgers, arme burgers, knechten, niet-leden gilden, zwervers, bedelaars) bestond hierover veel onvrede.
Nieuwe groepen beschikten over kapitaal door handel en nijverheid en betaalden belasting.
Ook zij eisten invloed in stadsbestuur;
Gold voor handelaren en handwerkslieden, zij werden belangrijke economische macht in de stad.