Samenvatting Seminarium Gedragstherapie – deeltoets 3
Boek: Geïntegreerde cognitieve gedragstherapie
Hoofdstuk 12 – Aangrijpingspunt van de behandeling (I): interventies die
sequentiële relaties falsificeren
12.1 – Inleiding
CGT is een interventiegerichte methode. In dit boek worden vooral
evidence-based en consensus based (experts zijn het er met elkaar over
eens) interventies besproken.
Vijf mogelijkheden voor interventies:
1. Vermijden, herevalueren, afstand nemen of coping ten aanzien van
CS en/of Sd
2. Falsiciferen van verwachtingsrelatie CS US/UR-representatie en/of
representatie R positieve gedragsconsequenties
3. Herevalueren van (vermeende) positieve gedragsconsequenties
4. Aanleren van nieuwe adequate vaardigheden en versterken en
richten van bestaande adequate vaardigheden
5. Aandacht richten op feitelijke negatieve gedragsconsequenties
in dit hoofdstuk worden interventies beschreven die vooral
disfunctionele verwachtingen in sequentiële (of causale) associaties
moeten falsificeren. Zulke verwachtingen kunnen niet alleen zijn
weergegeven in de BA (CS US/UR-repr), maar ook in de FA (R
positieve gedragsconsequentie).
- Sequentiële associaties zijn vooral van belang bij diverse
angststoornissen. De patiënt moet in dat geval niet alleen weten dat
dit niet klopt, maar het ervaren
- Bij dwangproblemen kan het ook in een BA worden omschreven als
uitdrukking van problematische sequentiële associaties (CS
US/UR), maar ook een FA is passend
12.2 – Algemene interventies die óók disfunctionele verwachtingen
falsificeren
Het gedachterapport als interventiemedium: disfunctionele
gedachten en opvattingen kunnen worden bijgesteld; bedoeld om een
veranderingsproces in werking te zetten op basis van de tijdens de
registratiefase verzamelde gegevens. De patiënt leert disfunctionele
gedachten te identificeren, uit te dagen en bij te stellen.
als de ervaren geloofwaardigheid en gepastheid op het moment dat
een bepaald voorval zich voordeed bij de patiënt groter zijn is het
gedachterapport een goede eerste interventie. Het is daarbij belangrijk om
rekening te houden met het verschil tussen gewone sequentiële
associaties en causale associaties. De intellectuele geloofwaardigheid
van door de patiënt als causaal ervaren associaties zal doorgaans groter
zijn dan die van gewone sequentiële associaties.
- Thought-event fusion: de overtuiging dat wanneer je denkt dat
iets zou kunnen gebeuren, de kans dat dit daadwerkelijke gebeurt,
toeneemt.
, - Thought-action fusion: de overtuiging dat de agressieve
opwellende gedachte om iemand een mes in het lijf te steken,
betekent dat de kans groot is dat je zoiets daadwerkelijk zult gaan
doen.
Het gedachterapport helpt dus om:
- Duidelijk te maken welke opinies medeverantwoordelijk zijn voor het
voortduren van de psychopathologie
- Twijfel rondom de juistheid van opinies te zaaien
Fases van het gedachterapport:
1. Registratie patiënt wordt geleerd om situaties die als problematisch
worden ervaren, uiteen te rafelen
a. Wat is de problematische situatie?
b. Welk negatief gevoel speelt daarbij?
c. Welke automatische negatieve gedachten zijn
(mede)verantwoordelijk voor die gevoelens?
Belangrijkste Automatische Negatieve Gedachte (BANG) wordt
geselecteerd
2. BANG evalueren en falsificeren
a. Verzamelen van voorbewijzen voor de BANG (onderscheid maken
tussen aanwijzingen (bij een situationele gedachte) en
ervaringen (bij een algemene gedachte of opvatting) van de
patiënt, de patiënt wil namelijk de juistheid van de BANG
benadrukken)
b. Verzamelen van tegenbewijzen voor de BANG (uitdaging van
relevantie en houdbaarheid van aangevoerde bewijzen van de
patiënt, moeilijkste stap)
i. Therapeut helpt actief bij het zoekproces
c. Realistisch en evenwichtig alternatief voor de BANG
geformuleerd Evenwichtige Nieuwe Gedachte (ENG)
d. Gevoel (en gedrag) dat hieruit voortvloeit wordt opnieuw
geëvalueerd
tijdens het gedachterapport wordt gebruik gemaakt van socratische
gespreksvoering. De therapeut moet erop letten dat er geen discussie
wordt gestart als de patiënt steeds meer bewijsmateriaal vóór de BANG
aanlevert
De patiënt gaat twijfelen aan de gedachte en juistheid van de BANG en
vervangt die geleidelijk voor de ENG. Vaak is alleen de gedachte niet
voldoende en moet de juistheid van de ENG ook worden ervaren.
Daarnaast blijkt het niet alleen zo te zijn dat psychopathologie wordt
veroorzaakt door disfunctionele gedachtepatronen en dat die gedachten
dus eerst moeten worden gecorrigeerd. Het is dus niet altijd nodig om
daarmee te beginnen, ook interventies die niet rechtstreeks zijn gericht op
cognitieve aspecten van de problematiek kunnen tot forse cognitieve
veranderingen leiden.
12.3 – Interventies specifiek ontwikkeld om disfunctionele verwachtingen
te falsificeren
bij aversieve prikkels
, Een kwestie die bij verwachtingsfalsificatie (met name bij exposure in vivo,
als speciale vorm van gedragsexperiment) een belangrijke rol speelt is de
plaats en rol van veiligheidsgedrag en het gebruik maken van
veiligheidssignalen.
Veiligheidsgedragingen: acitiviteiten die de patiënt onderneemt tijdens
blootstelling aan door hem gevreesde situatiers (Sd/CS) in de hoop dat die
activiteiten helpen om de door de CS (of Sd) voorspelde ramp te
voorkomen of te verzachten.
Veiligheidssignalen (inhibitoire stimuli): concrete of minder concrete
prikkels, die de rampzalige voorspelling van de excitatoire stimulus als het
ware neutraliseren. Iets kan dus dienstdoen als veiligheidssignaal, mits de
patiënt gelooft dat daarmee het optreden van de US/UR wordt afgewend.
het wezen van de rationale achter exposure in vivo wordt door
gebruikmaking van veiligheidsgedrag en veiligheidssignalen vaak ernstig
aangetast (sommige varianten van coping vallen hier mogelijk ook onder)
- (functionele) coping: adequate omgang met problematische
situaties
- (inadequaat) veiligheidsgedrag: inadequate omgang met
problematische situaties
Exposure in vivo: patiënt wordt langdurig en herhaaldelijk blootgesteld
aan de problematische (meestal angstwekkende) situatie (CS), totdat de
negatieve emotionele reactie (CR) was verdwenen.
komt niet door habituatie, maar doordat disfunctionele verwachtingen
worden ontkracht
angstreductie en cognitieve verandering komt overeen met
gedragsexperimenten (primair ingezet voor cognitieve verandering op
een veel breder terrein) en worden daarom steeds vaker samengenomen
- Bij exposure in vivo wordt er altijd een Als…Dan…Uitspraak (ADU)
gemaakt
- Bij een gedragsexperiment wordt gestreefd naar het expliciet
versterken van een vooraf geformuleerde, functionele ADU
Soms wordt imaginaire exposure toegepast, bv. bij PTSS of specifieke
fobieën. Ook VR kan hiervoor worden gebruikt. Vaak is exposure in vivo
wel de voorkeursbehandeling.
Het verwachte negatieve gevolg kan als kerngebeurtenis worden
beschouwd in een sequentiële associatie. Bij behandeling van een CS als
lichamelijke sensatie wordt interoceptieve exposure toegepast. Dit is
een vorm van exposure in vivo. Bij een combinatie van de twee spreken
we van superexposure.
Stappenplan van exposure in vivo:
1. Selecteer op basis van de BA de uitlokkende prikkelconstellatie(s)
(CS)
a. Occassionsetters en andere stimuli die deel uitmaken van een
CS-compund moeten extra aandacht krijgen. Soms weet de
patiënt niet meer wat hij in de loop der jaren allemaal is gaan
vermijden.
Boek: Geïntegreerde cognitieve gedragstherapie
Hoofdstuk 12 – Aangrijpingspunt van de behandeling (I): interventies die
sequentiële relaties falsificeren
12.1 – Inleiding
CGT is een interventiegerichte methode. In dit boek worden vooral
evidence-based en consensus based (experts zijn het er met elkaar over
eens) interventies besproken.
Vijf mogelijkheden voor interventies:
1. Vermijden, herevalueren, afstand nemen of coping ten aanzien van
CS en/of Sd
2. Falsiciferen van verwachtingsrelatie CS US/UR-representatie en/of
representatie R positieve gedragsconsequenties
3. Herevalueren van (vermeende) positieve gedragsconsequenties
4. Aanleren van nieuwe adequate vaardigheden en versterken en
richten van bestaande adequate vaardigheden
5. Aandacht richten op feitelijke negatieve gedragsconsequenties
in dit hoofdstuk worden interventies beschreven die vooral
disfunctionele verwachtingen in sequentiële (of causale) associaties
moeten falsificeren. Zulke verwachtingen kunnen niet alleen zijn
weergegeven in de BA (CS US/UR-repr), maar ook in de FA (R
positieve gedragsconsequentie).
- Sequentiële associaties zijn vooral van belang bij diverse
angststoornissen. De patiënt moet in dat geval niet alleen weten dat
dit niet klopt, maar het ervaren
- Bij dwangproblemen kan het ook in een BA worden omschreven als
uitdrukking van problematische sequentiële associaties (CS
US/UR), maar ook een FA is passend
12.2 – Algemene interventies die óók disfunctionele verwachtingen
falsificeren
Het gedachterapport als interventiemedium: disfunctionele
gedachten en opvattingen kunnen worden bijgesteld; bedoeld om een
veranderingsproces in werking te zetten op basis van de tijdens de
registratiefase verzamelde gegevens. De patiënt leert disfunctionele
gedachten te identificeren, uit te dagen en bij te stellen.
als de ervaren geloofwaardigheid en gepastheid op het moment dat
een bepaald voorval zich voordeed bij de patiënt groter zijn is het
gedachterapport een goede eerste interventie. Het is daarbij belangrijk om
rekening te houden met het verschil tussen gewone sequentiële
associaties en causale associaties. De intellectuele geloofwaardigheid
van door de patiënt als causaal ervaren associaties zal doorgaans groter
zijn dan die van gewone sequentiële associaties.
- Thought-event fusion: de overtuiging dat wanneer je denkt dat
iets zou kunnen gebeuren, de kans dat dit daadwerkelijke gebeurt,
toeneemt.
, - Thought-action fusion: de overtuiging dat de agressieve
opwellende gedachte om iemand een mes in het lijf te steken,
betekent dat de kans groot is dat je zoiets daadwerkelijk zult gaan
doen.
Het gedachterapport helpt dus om:
- Duidelijk te maken welke opinies medeverantwoordelijk zijn voor het
voortduren van de psychopathologie
- Twijfel rondom de juistheid van opinies te zaaien
Fases van het gedachterapport:
1. Registratie patiënt wordt geleerd om situaties die als problematisch
worden ervaren, uiteen te rafelen
a. Wat is de problematische situatie?
b. Welk negatief gevoel speelt daarbij?
c. Welke automatische negatieve gedachten zijn
(mede)verantwoordelijk voor die gevoelens?
Belangrijkste Automatische Negatieve Gedachte (BANG) wordt
geselecteerd
2. BANG evalueren en falsificeren
a. Verzamelen van voorbewijzen voor de BANG (onderscheid maken
tussen aanwijzingen (bij een situationele gedachte) en
ervaringen (bij een algemene gedachte of opvatting) van de
patiënt, de patiënt wil namelijk de juistheid van de BANG
benadrukken)
b. Verzamelen van tegenbewijzen voor de BANG (uitdaging van
relevantie en houdbaarheid van aangevoerde bewijzen van de
patiënt, moeilijkste stap)
i. Therapeut helpt actief bij het zoekproces
c. Realistisch en evenwichtig alternatief voor de BANG
geformuleerd Evenwichtige Nieuwe Gedachte (ENG)
d. Gevoel (en gedrag) dat hieruit voortvloeit wordt opnieuw
geëvalueerd
tijdens het gedachterapport wordt gebruik gemaakt van socratische
gespreksvoering. De therapeut moet erop letten dat er geen discussie
wordt gestart als de patiënt steeds meer bewijsmateriaal vóór de BANG
aanlevert
De patiënt gaat twijfelen aan de gedachte en juistheid van de BANG en
vervangt die geleidelijk voor de ENG. Vaak is alleen de gedachte niet
voldoende en moet de juistheid van de ENG ook worden ervaren.
Daarnaast blijkt het niet alleen zo te zijn dat psychopathologie wordt
veroorzaakt door disfunctionele gedachtepatronen en dat die gedachten
dus eerst moeten worden gecorrigeerd. Het is dus niet altijd nodig om
daarmee te beginnen, ook interventies die niet rechtstreeks zijn gericht op
cognitieve aspecten van de problematiek kunnen tot forse cognitieve
veranderingen leiden.
12.3 – Interventies specifiek ontwikkeld om disfunctionele verwachtingen
te falsificeren
bij aversieve prikkels
, Een kwestie die bij verwachtingsfalsificatie (met name bij exposure in vivo,
als speciale vorm van gedragsexperiment) een belangrijke rol speelt is de
plaats en rol van veiligheidsgedrag en het gebruik maken van
veiligheidssignalen.
Veiligheidsgedragingen: acitiviteiten die de patiënt onderneemt tijdens
blootstelling aan door hem gevreesde situatiers (Sd/CS) in de hoop dat die
activiteiten helpen om de door de CS (of Sd) voorspelde ramp te
voorkomen of te verzachten.
Veiligheidssignalen (inhibitoire stimuli): concrete of minder concrete
prikkels, die de rampzalige voorspelling van de excitatoire stimulus als het
ware neutraliseren. Iets kan dus dienstdoen als veiligheidssignaal, mits de
patiënt gelooft dat daarmee het optreden van de US/UR wordt afgewend.
het wezen van de rationale achter exposure in vivo wordt door
gebruikmaking van veiligheidsgedrag en veiligheidssignalen vaak ernstig
aangetast (sommige varianten van coping vallen hier mogelijk ook onder)
- (functionele) coping: adequate omgang met problematische
situaties
- (inadequaat) veiligheidsgedrag: inadequate omgang met
problematische situaties
Exposure in vivo: patiënt wordt langdurig en herhaaldelijk blootgesteld
aan de problematische (meestal angstwekkende) situatie (CS), totdat de
negatieve emotionele reactie (CR) was verdwenen.
komt niet door habituatie, maar doordat disfunctionele verwachtingen
worden ontkracht
angstreductie en cognitieve verandering komt overeen met
gedragsexperimenten (primair ingezet voor cognitieve verandering op
een veel breder terrein) en worden daarom steeds vaker samengenomen
- Bij exposure in vivo wordt er altijd een Als…Dan…Uitspraak (ADU)
gemaakt
- Bij een gedragsexperiment wordt gestreefd naar het expliciet
versterken van een vooraf geformuleerde, functionele ADU
Soms wordt imaginaire exposure toegepast, bv. bij PTSS of specifieke
fobieën. Ook VR kan hiervoor worden gebruikt. Vaak is exposure in vivo
wel de voorkeursbehandeling.
Het verwachte negatieve gevolg kan als kerngebeurtenis worden
beschouwd in een sequentiële associatie. Bij behandeling van een CS als
lichamelijke sensatie wordt interoceptieve exposure toegepast. Dit is
een vorm van exposure in vivo. Bij een combinatie van de twee spreken
we van superexposure.
Stappenplan van exposure in vivo:
1. Selecteer op basis van de BA de uitlokkende prikkelconstellatie(s)
(CS)
a. Occassionsetters en andere stimuli die deel uitmaken van een
CS-compund moeten extra aandacht krijgen. Soms weet de
patiënt niet meer wat hij in de loop der jaren allemaal is gaan
vermijden.