Ik ga leven - VERHAALANALYSE
1 Titel
De titel “ik ga leven” is ook exact wat ze gaat doen. Het grootste deel van het boek gaat over de
talloze restricties in haar leven door het geloof bij haar gezin. Na veel worstelen, besluit ze, aan het
einde van het boek, voor zichzelf op te komen. Haar eerste daad van verzet is het afdoen van haar
hoofddoek. Ze kiest ervoor de regels van thuis niet langer te volgen, ook al weet ze dat dit betekent
dat ze haar familie niet meer zal kunnen zien. Het was een moeilijke keus, maar ze kon niet anders,
ze moest vrij, ze wilde eindelijk gaan leven.
Titel komt ook letterlijk aan het einde van het boek: Büsra is in gesprek met God in een droom en
zegt ze hem: 'Ik wil leven.' God geeft haar Zijn zegen.
2. Motto
Er zijn 6 motto’s: 1 van Nietzsche en 5 van Multatuli.
Alle motto’s gaan over het zijn van de mens (in het bijzonder van de vrouw), en zijn vrijheid binnen eigen
cultuur, opvoeding en geloof.
Hier gaat het boek ook over, Lale Gül, de schrijfster, namelijk haar leven in een extreem islamitische
cultuur, met weinig vrijheid.
1. “Hoe dan? Is de mens een miskleun van God? Of is God een vergissing van de mens?”
- Friedrich Nietzsche
‘God is dood! God blijft dood! En wij hebben hem gedood!’ Er zijn weinig denkers die zich zo fel
hebben afgezet tegen geloof in God als de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche (1844-1900), Duitse
filosoof.
‘Zijn belangrijkste kritiek is dat het christendom de mens en zijn verantwoordelijkheid klein maakt.
Nietzsche wil de mens zien als een soeverein individu dat zijn verantwoordelijkheid neemt en zich
niet verschuilt achter regeltjes. Het christendom predikt volgens hem een morele wereldorde waarin
het individu goed leeft als het correct leeft – oftewel, wanneer het de morele voorschriften van de
priesterklasse volgt. Wanneer je je verschuilt achter een façade van een nette christelijke of
burgerlijke levenswijze, noemt Nietzsche dat nihilisme. Dan leef je misschien wel correct, maar pleeg
je verraad aan de mogelijkheid om een soeverein en vrij mens te zijn. Je besteedt je
verantwoordelijkheid uit aan een reeks voorschriften. Nihilisme is dus eigenlijk het verwaarlozen van
de kracht die in je vrijheid zit.’ (Uit artikel van Jonathan Janssen op 22 april 2025: “Nietzsche
verklaarde God dood, en toch is hij volgens deze filosoof een religieus denker”)
Dit sluit aan bij Büsra's ideeën over het geloof en zijn verband met mens en gemeenschap, natuurlijk
bij haar de religie is niet de Christelijke.
2. “Ik wil gelezen worden.”
- Multatuli
Multatuli zegt ook in zijn boek “… die toch ook eens 't boek moeten inzien waarvan men zooveel
kwaads spreekt….ik wilde zóó schryven dat het gehoord werd.” Zoals Multatuli, wil Lale met deze
boek een aanklacht en een oproep doen in de hoop dat, uiteindelijk, bekend wordt hoe erg de
, situatie is en dat men actie zal ondernemen om de situatie te veranderen.
3. “Wat maakt gy van onze dochters, o zeden! Gy dwingt ze tot liegen en huichelen. Ze mogen niet
weten wat zij weten, niet voelen wat ze voelen, niet begeren wat zy begeren, niet wezen wat ze zyn.”
- Multatuli
“Dat doet geen meisje. Dat zegt geen meisje. Dat vraagt geen meisje. Zo spreekt geen meisje…”
- Multatuli
“Ziedaar schering en inslag van de opvoeding. En als dan zo’n arm ingebakerd kind gelooft,
berust, gehoorzaamt… als ze, heel onderworpen, haar lieven bloeityd heeft doorgebracht met
snoeien en knotten, met smoren en verkrachten van lust, geest en gemoed… als ze behoorlijk
verdraaid, verkreukt, verknoeid, heel braaf is gebleven – dat noemen ze de zeden braaf! – dan
heeft ze kans dat deze of gene lummel haar ’t loon komt aanbieden voor zoveel braafheid, door
’n aanstelling tot opzichtster over z’n linnenkast, tot uitsluitend-brevetmachine om zyn eerwaard
geslacht aan den gang te houden. ’t Is wel de moeite waard!”
- Multatuli
De regels voor mannen zijn anders dan die voor vrouwen en ook daarop uit ze kritiek in haar hele
boek. Dat maakt ze al duidelijk in deze 3 motto’s die ze gekozen heeft.
Multatuli was een feminist, hij vocht voor vrouwen rechten, hij liep voor zijn tijd.
4. “De roeping van de mens is mens te zijn.”
- Multatuli
Iedereen heeft recht en plicht tegen zichzelf om zijn identiteit te zoeken en die te leven.
Multatuli komt ook in het boek terug, als ze bijvoorbeeld iemand Wawelaar (dominee uit het boek Max
Havelaar) noemt. Of alle keren die ze haar moeder Droogstoppel noemt: Batavus Droogstoppel is ook een
personage van Multatuli's meesterwerk Max Havelaar. Hij is een karikatuur van de oerdegelijke Nederlandse
zakenman die niet het minste benul heeft van wat er in Nederlands-Indië gebeurt. Droogstoppel vindt het
vanzelfsprekend dat hij het goed heeft. Hij gedraagt zich immers onberispelijk en gaat braaf naar de kerk;
daarvoor wordt hij door de Heer beloond.
Er zijn meer verwijzingen naar literatuur, bijvoorbeeld naar Een ontgoocheling van Elsschot ('Een grote
lantaarn, een klein licht.'). Ook wordt er hier en daar verwezen naar Nietzsche.
Ze verwijst ook naar de aforisme van Herman Langgraf, ze dankt hem ervoor. Maar ik kon zijn aforisme niet
uitvissen. (Langgraf zet zijn aforisme in X/Twitter, daar heeft ze eruit gehaald)
3. Opdracht
“Voor m'n inmiddels overleden Oma en Defne”
De oma was de oma aan vaders kant, ze woonde in de appartement tegenover die van haar ouders. Ze ging
bij haar slapen op een bepaalde moment. Ze woonde daar al bij het begin van het boek.
Defne is haar kleine zus.
Beide zijn de enige met wie ze een echte band had en ze haar begrepen. Ze waren ook de enige reden om
nog vol te houden met al de hellende dat ze thuis mee makte. Haar enige opties waren:
voor haarzelf te kiezen en alles achter laten, inclusief oma en Defne
of een dubbele leven proberen te leven tot het niet meer kon en haarzelf buigen tot een zware lot.
Maar het laatste betekende hetzelfde leven leiden van de andere moslim vrouwen in een orthodox Turkse
gemeenschap. En ze kon dat niet.
, 4. Perspectief, Tijd, Structuur en Opbouw
Het boek is verdeeld in 36 genummerde hoofdstukken. Binnen de hoofdstukken is er sprake van witregels.
Het laatste hoofdstuk heeft de titel 'Afscheid' en bestaat uit een gedicht. Er zijn nog twee gedichten in het
boek (een zonder titel en de andere heet “Vissentijd”).
Het verhaal wordt niet-chronologisch verteld, de schrijfster gaat vaak van de ene gebeurtenis naar de
anderen maar niet volgens een tijdlijn of een duidelijk structuur, het lijkt meer dat ze haar gevoelens volgt.
Het komt soms zelfs wat chaotisch over, ineens komen er stukken/gebeurtenissen bijna als los geplaatst (het
is dus ook niet continu).
Er is wel een groeiende lijn in de tijd te vinden. Er is, namelijk, een rode draad die kan teruggevonden in haar
persoonlijk ontwikkeling, en hierin is er wel een chronologisch volgorde herkenbaar.
In de eerste paragraven, tussen de regels door, zie je haar in de eerste stadium, toen ze heel jong was en nog
volgzaam was. Toch had ze toen al vragen, hoewel deze onschuldig waren en vooral voortkwamen uit
nieuwsgierigheid – een soort eerste barstje in het geheel. Gaandeweg ontstaan er meer van deze "barstjes"
en grotere vraagstukken, die samengaan met haar ouder worden. Deze uiten zich aanvankelijk als constante
verbazing, daarna als irritatie en frustratie, en worden uiteindelijk woede en verzet.
Ze is 23 jaar oud als ze het boek schreef (2021) en heeft ze over haar leven tot dat moment, dat is dus ook de
vertelde tijd, wel is waar dat de gebeurtenissen van haar geboorte en kort daarna worden niet echt
beschreven, dus gaat het niet echt om volle 23 jaren, iets minder.
Er is één verhaal lijn, het verhaal wordt door de alwetend perspectief van de schrijver, tevens de
hoofdpersoon (onder andere naam, Büsra) en wordt het in de ik-persoon verteld, Büsra. Gezien het feit dat
dit boek een autobiografische roman wordt genoemd, kunnen we ervan uitgaan dat Büsra overeenkomsten
vertoont met Lale Gül zelf.
Verhaal begint in media res, Büsra komt het huis van haar oma binnen, waar een duidelijke stank hangt en
ze is al volwassenen (22j/23j).
Eerste zin
“Was ik maar met de stroom meegegaan, dan was me dit niet overkomen, dan was ik niet verworden tot
een verschoppeling.”
Slotzin
“Wordt (waarschijnlijk) vervolgd.”
Er is sprake van een open einde: sowieso het is duidelijk dat het “sluit” met het begin van een nieuwe leven,
dus geen conclusie, maar een overgaan naar een nieuwe, nog onbekende, levensstuk.
Erbij schrijft ze, letterlijk, in de laatste zin van het boek, dat het verhaal in een volgende boek verder zal
verteld worden.
(Inmiddels weten we dat de vervolgroman al gepubliceerd is, in 2024, met de titel: “Ik ben vrij”)
5. Ruimte/decor
Het verhaal speelt zich voornamelijk af in Amsterdam, in de Kolenkitbuurt, een wijk met uitdagingen.
Vooral in haar eigen omgeving, thuis, waar de kenmerken van haar cultuur duidelijk naar voren komen.
Thuis behandelen haar ouders haar op een zeer strenge manier.
Een ander deel van het verhaal vindt plaats buiten haar huis: school, Koranschool, werkplekken, maar wel
in haar thuisstad.
1 Titel
De titel “ik ga leven” is ook exact wat ze gaat doen. Het grootste deel van het boek gaat over de
talloze restricties in haar leven door het geloof bij haar gezin. Na veel worstelen, besluit ze, aan het
einde van het boek, voor zichzelf op te komen. Haar eerste daad van verzet is het afdoen van haar
hoofddoek. Ze kiest ervoor de regels van thuis niet langer te volgen, ook al weet ze dat dit betekent
dat ze haar familie niet meer zal kunnen zien. Het was een moeilijke keus, maar ze kon niet anders,
ze moest vrij, ze wilde eindelijk gaan leven.
Titel komt ook letterlijk aan het einde van het boek: Büsra is in gesprek met God in een droom en
zegt ze hem: 'Ik wil leven.' God geeft haar Zijn zegen.
2. Motto
Er zijn 6 motto’s: 1 van Nietzsche en 5 van Multatuli.
Alle motto’s gaan over het zijn van de mens (in het bijzonder van de vrouw), en zijn vrijheid binnen eigen
cultuur, opvoeding en geloof.
Hier gaat het boek ook over, Lale Gül, de schrijfster, namelijk haar leven in een extreem islamitische
cultuur, met weinig vrijheid.
1. “Hoe dan? Is de mens een miskleun van God? Of is God een vergissing van de mens?”
- Friedrich Nietzsche
‘God is dood! God blijft dood! En wij hebben hem gedood!’ Er zijn weinig denkers die zich zo fel
hebben afgezet tegen geloof in God als de Duitse filosoof Friedrich Nietzsche (1844-1900), Duitse
filosoof.
‘Zijn belangrijkste kritiek is dat het christendom de mens en zijn verantwoordelijkheid klein maakt.
Nietzsche wil de mens zien als een soeverein individu dat zijn verantwoordelijkheid neemt en zich
niet verschuilt achter regeltjes. Het christendom predikt volgens hem een morele wereldorde waarin
het individu goed leeft als het correct leeft – oftewel, wanneer het de morele voorschriften van de
priesterklasse volgt. Wanneer je je verschuilt achter een façade van een nette christelijke of
burgerlijke levenswijze, noemt Nietzsche dat nihilisme. Dan leef je misschien wel correct, maar pleeg
je verraad aan de mogelijkheid om een soeverein en vrij mens te zijn. Je besteedt je
verantwoordelijkheid uit aan een reeks voorschriften. Nihilisme is dus eigenlijk het verwaarlozen van
de kracht die in je vrijheid zit.’ (Uit artikel van Jonathan Janssen op 22 april 2025: “Nietzsche
verklaarde God dood, en toch is hij volgens deze filosoof een religieus denker”)
Dit sluit aan bij Büsra's ideeën over het geloof en zijn verband met mens en gemeenschap, natuurlijk
bij haar de religie is niet de Christelijke.
2. “Ik wil gelezen worden.”
- Multatuli
Multatuli zegt ook in zijn boek “… die toch ook eens 't boek moeten inzien waarvan men zooveel
kwaads spreekt….ik wilde zóó schryven dat het gehoord werd.” Zoals Multatuli, wil Lale met deze
boek een aanklacht en een oproep doen in de hoop dat, uiteindelijk, bekend wordt hoe erg de
, situatie is en dat men actie zal ondernemen om de situatie te veranderen.
3. “Wat maakt gy van onze dochters, o zeden! Gy dwingt ze tot liegen en huichelen. Ze mogen niet
weten wat zij weten, niet voelen wat ze voelen, niet begeren wat zy begeren, niet wezen wat ze zyn.”
- Multatuli
“Dat doet geen meisje. Dat zegt geen meisje. Dat vraagt geen meisje. Zo spreekt geen meisje…”
- Multatuli
“Ziedaar schering en inslag van de opvoeding. En als dan zo’n arm ingebakerd kind gelooft,
berust, gehoorzaamt… als ze, heel onderworpen, haar lieven bloeityd heeft doorgebracht met
snoeien en knotten, met smoren en verkrachten van lust, geest en gemoed… als ze behoorlijk
verdraaid, verkreukt, verknoeid, heel braaf is gebleven – dat noemen ze de zeden braaf! – dan
heeft ze kans dat deze of gene lummel haar ’t loon komt aanbieden voor zoveel braafheid, door
’n aanstelling tot opzichtster over z’n linnenkast, tot uitsluitend-brevetmachine om zyn eerwaard
geslacht aan den gang te houden. ’t Is wel de moeite waard!”
- Multatuli
De regels voor mannen zijn anders dan die voor vrouwen en ook daarop uit ze kritiek in haar hele
boek. Dat maakt ze al duidelijk in deze 3 motto’s die ze gekozen heeft.
Multatuli was een feminist, hij vocht voor vrouwen rechten, hij liep voor zijn tijd.
4. “De roeping van de mens is mens te zijn.”
- Multatuli
Iedereen heeft recht en plicht tegen zichzelf om zijn identiteit te zoeken en die te leven.
Multatuli komt ook in het boek terug, als ze bijvoorbeeld iemand Wawelaar (dominee uit het boek Max
Havelaar) noemt. Of alle keren die ze haar moeder Droogstoppel noemt: Batavus Droogstoppel is ook een
personage van Multatuli's meesterwerk Max Havelaar. Hij is een karikatuur van de oerdegelijke Nederlandse
zakenman die niet het minste benul heeft van wat er in Nederlands-Indië gebeurt. Droogstoppel vindt het
vanzelfsprekend dat hij het goed heeft. Hij gedraagt zich immers onberispelijk en gaat braaf naar de kerk;
daarvoor wordt hij door de Heer beloond.
Er zijn meer verwijzingen naar literatuur, bijvoorbeeld naar Een ontgoocheling van Elsschot ('Een grote
lantaarn, een klein licht.'). Ook wordt er hier en daar verwezen naar Nietzsche.
Ze verwijst ook naar de aforisme van Herman Langgraf, ze dankt hem ervoor. Maar ik kon zijn aforisme niet
uitvissen. (Langgraf zet zijn aforisme in X/Twitter, daar heeft ze eruit gehaald)
3. Opdracht
“Voor m'n inmiddels overleden Oma en Defne”
De oma was de oma aan vaders kant, ze woonde in de appartement tegenover die van haar ouders. Ze ging
bij haar slapen op een bepaalde moment. Ze woonde daar al bij het begin van het boek.
Defne is haar kleine zus.
Beide zijn de enige met wie ze een echte band had en ze haar begrepen. Ze waren ook de enige reden om
nog vol te houden met al de hellende dat ze thuis mee makte. Haar enige opties waren:
voor haarzelf te kiezen en alles achter laten, inclusief oma en Defne
of een dubbele leven proberen te leven tot het niet meer kon en haarzelf buigen tot een zware lot.
Maar het laatste betekende hetzelfde leven leiden van de andere moslim vrouwen in een orthodox Turkse
gemeenschap. En ze kon dat niet.
, 4. Perspectief, Tijd, Structuur en Opbouw
Het boek is verdeeld in 36 genummerde hoofdstukken. Binnen de hoofdstukken is er sprake van witregels.
Het laatste hoofdstuk heeft de titel 'Afscheid' en bestaat uit een gedicht. Er zijn nog twee gedichten in het
boek (een zonder titel en de andere heet “Vissentijd”).
Het verhaal wordt niet-chronologisch verteld, de schrijfster gaat vaak van de ene gebeurtenis naar de
anderen maar niet volgens een tijdlijn of een duidelijk structuur, het lijkt meer dat ze haar gevoelens volgt.
Het komt soms zelfs wat chaotisch over, ineens komen er stukken/gebeurtenissen bijna als los geplaatst (het
is dus ook niet continu).
Er is wel een groeiende lijn in de tijd te vinden. Er is, namelijk, een rode draad die kan teruggevonden in haar
persoonlijk ontwikkeling, en hierin is er wel een chronologisch volgorde herkenbaar.
In de eerste paragraven, tussen de regels door, zie je haar in de eerste stadium, toen ze heel jong was en nog
volgzaam was. Toch had ze toen al vragen, hoewel deze onschuldig waren en vooral voortkwamen uit
nieuwsgierigheid – een soort eerste barstje in het geheel. Gaandeweg ontstaan er meer van deze "barstjes"
en grotere vraagstukken, die samengaan met haar ouder worden. Deze uiten zich aanvankelijk als constante
verbazing, daarna als irritatie en frustratie, en worden uiteindelijk woede en verzet.
Ze is 23 jaar oud als ze het boek schreef (2021) en heeft ze over haar leven tot dat moment, dat is dus ook de
vertelde tijd, wel is waar dat de gebeurtenissen van haar geboorte en kort daarna worden niet echt
beschreven, dus gaat het niet echt om volle 23 jaren, iets minder.
Er is één verhaal lijn, het verhaal wordt door de alwetend perspectief van de schrijver, tevens de
hoofdpersoon (onder andere naam, Büsra) en wordt het in de ik-persoon verteld, Büsra. Gezien het feit dat
dit boek een autobiografische roman wordt genoemd, kunnen we ervan uitgaan dat Büsra overeenkomsten
vertoont met Lale Gül zelf.
Verhaal begint in media res, Büsra komt het huis van haar oma binnen, waar een duidelijke stank hangt en
ze is al volwassenen (22j/23j).
Eerste zin
“Was ik maar met de stroom meegegaan, dan was me dit niet overkomen, dan was ik niet verworden tot
een verschoppeling.”
Slotzin
“Wordt (waarschijnlijk) vervolgd.”
Er is sprake van een open einde: sowieso het is duidelijk dat het “sluit” met het begin van een nieuwe leven,
dus geen conclusie, maar een overgaan naar een nieuwe, nog onbekende, levensstuk.
Erbij schrijft ze, letterlijk, in de laatste zin van het boek, dat het verhaal in een volgende boek verder zal
verteld worden.
(Inmiddels weten we dat de vervolgroman al gepubliceerd is, in 2024, met de titel: “Ik ben vrij”)
5. Ruimte/decor
Het verhaal speelt zich voornamelijk af in Amsterdam, in de Kolenkitbuurt, een wijk met uitdagingen.
Vooral in haar eigen omgeving, thuis, waar de kenmerken van haar cultuur duidelijk naar voren komen.
Thuis behandelen haar ouders haar op een zeer strenge manier.
Een ander deel van het verhaal vindt plaats buiten haar huis: school, Koranschool, werkplekken, maar wel
in haar thuisstad.