Natuurkunde hoofdstuk 3
Paragraaf 1
Energiebron = alles wat een bruikbare soort energie kan leveren
(zonlicht, wind, aardgas). Meestal zet apparaat energiesoort van de bron
om in een ander soort energie:
Zonnecel zet stralingsenergie van zonlicht om in elektrische
energie.
Windmolen zet bewegingsenergie van stromende lucht om in
elektrische energie.
Gasfornuis zet chemische energie van aardgas om in warmte.
Energiebronnen van Nederland:
Fossiele brandstoffen (aardolie, aardgas, steenkool): bevatten
chemische energie. Aardolie: op grote schaal in transport,
aardgas: verwarmen van gebouwen en in elektriciteitscentrales,
steenkool: in enkele elektriciteitscentrales.
Biomassa (van planten, dieren): levert chemische energie. Soms
direct verbranden, maar mest vergisten -> biogas (dezelfde doelen
als aardgas).
Wind: wieken van windmolen/windturbine drijven generator aan in
de molen, daardoor bewegingsenergie van wind omgezet in
elektrische energie.
Kernsplijting: bij splijten van een atoomkern komt veel energie vrij
in de vorm van warmte. In kerncentrale wordt warmte gebruikt om
stoom te maken, stoom spuit met hoge snelheid tegen schoepen
van turbine, generator zet bewegingsenergie om in elektrische
energie.
Zon: bron van stralingsenergie. Zonnecollector zet
stralingsenergie om in warmte waarmee water wordt verhit.
Zonnecellen zetten stralingsenergie om in elektrische energie.
Aardwarmte: 2 putten voor winning van aardwarmte: 1e heet
grondwater wordt uit de diepte omhooggepompt (kan vervuild zijn
en zouten bevatten), hete grondwater wordt door
warmtewisselaar geleid, deel van warmte wordt afgegeven aan
koud water, 2e grondwater terug in de grond.
Energietransitie = overgang van niet-duurzame energiebronnen naar
duurzame, klimaatneutrale energiebronnen. Nieuw energiesysteem:
Fossiele brandstoffen bijna volledig vervangen met duurzame
energiebronnen. Energiecentrales gesloten of op biomassa, meeste
voertuigen met elektromotoren, huizen verwarmd door
Paragraaf 1
Energiebron = alles wat een bruikbare soort energie kan leveren
(zonlicht, wind, aardgas). Meestal zet apparaat energiesoort van de bron
om in een ander soort energie:
Zonnecel zet stralingsenergie van zonlicht om in elektrische
energie.
Windmolen zet bewegingsenergie van stromende lucht om in
elektrische energie.
Gasfornuis zet chemische energie van aardgas om in warmte.
Energiebronnen van Nederland:
Fossiele brandstoffen (aardolie, aardgas, steenkool): bevatten
chemische energie. Aardolie: op grote schaal in transport,
aardgas: verwarmen van gebouwen en in elektriciteitscentrales,
steenkool: in enkele elektriciteitscentrales.
Biomassa (van planten, dieren): levert chemische energie. Soms
direct verbranden, maar mest vergisten -> biogas (dezelfde doelen
als aardgas).
Wind: wieken van windmolen/windturbine drijven generator aan in
de molen, daardoor bewegingsenergie van wind omgezet in
elektrische energie.
Kernsplijting: bij splijten van een atoomkern komt veel energie vrij
in de vorm van warmte. In kerncentrale wordt warmte gebruikt om
stoom te maken, stoom spuit met hoge snelheid tegen schoepen
van turbine, generator zet bewegingsenergie om in elektrische
energie.
Zon: bron van stralingsenergie. Zonnecollector zet
stralingsenergie om in warmte waarmee water wordt verhit.
Zonnecellen zetten stralingsenergie om in elektrische energie.
Aardwarmte: 2 putten voor winning van aardwarmte: 1e heet
grondwater wordt uit de diepte omhooggepompt (kan vervuild zijn
en zouten bevatten), hete grondwater wordt door
warmtewisselaar geleid, deel van warmte wordt afgegeven aan
koud water, 2e grondwater terug in de grond.
Energietransitie = overgang van niet-duurzame energiebronnen naar
duurzame, klimaatneutrale energiebronnen. Nieuw energiesysteem:
Fossiele brandstoffen bijna volledig vervangen met duurzame
energiebronnen. Energiecentrales gesloten of op biomassa, meeste
voertuigen met elektromotoren, huizen verwarmd door