Scheikunde: hoofdstuk 1
Paragraaf 1
Zuivere stoffen en Mengsels
Mengsel bestaat uit verschillende stoffen met verschillende
stofeigenschappen.
Stofeigenschappen waarnemen is op macroniveau. Op microniveau
kijk je naar de moleculen en atomen (deeltjes van moleculen).
Een zuivere stof is 1 stof en bestaat uit 1 soort moleculen, maar
deze kan wel uit meerdere soorten atomen bestaan. Als moleculen
van zuivere stof bestaan uit twee of meer atoomsoorten =
verbinding/ontleedbare stof.
Als moleculen van zuivere stof uit 1 soort moleculen bestaan =
niet-ontleedbare stof.
Faseveranderingen
Stof kan in drie fasen voorkomen: vast (s), vloeibaar (l) en
gasvormig (g).
Stoffen kunnen van ene fase in de andere overgaan =
faseverandering/faseovergang.
Faseovergang kun je gebruiken om te bepalen of het een zuivere
stof of een mengsel is. Bij zuivere stof blijft temperatuur tijdens
faseovergang constant. Stof heeft een smeltpunt en kookpunt. Bij
mengsel loopt temperatuur langzaam op, dan smelttraject en
kooktraject.
Binas-tabellen 8, 11, 12, 40A en 42 voor smelt- en kookpunten van
stoffen.
, Temperatuur in K – 273 = temperatuur in graden C
Temperatuur in graden C + 273 = temperatuur in K
Soorten mengsels
Drie soorten mengsels: oplossing, suspensie en emulsie.
Oplossing = helder mengsel van vaste stof, vloeistof of gas in
oplosmiddel. Op microniveau zijn deeltjes waar stoffen uit
bestaan goed gemengd = homogeen mengsel.
Suspensie = troebel mengsel van vaste stof in vloeistof en
vaste stof is niet opgelost (kleiner korreltjes in vloeistof). Door
verschil in dichtheid zakt vaste stof meestal naar bodem.
Emulsie = troebel mengsel van twee vloeistoffen die niet goed
mengbaar zijn (kleine druppeltjes zweven in vloeistof).
Suspensies en emulsies = heterogene mengsels: stoffen zijn
op microniveau niet volledig gemengd.
Tweelagensysteem bij emulsie = vloeistof met grootste
dichtheid ligt op de bodem met daarop de andere vloeistof. Vaak
is de ene stof hydrofiel (kan oplossen in water) en andere stof
hydrofoob (kan niet oplossen in water). Met emulgator kun je
ervoor zorgen dat emulsie niet ontmengt.
Staart van emulgatormolecuul is hydrofoob en kop is hydrofiel.
Percentage stof in een mengsel
Massapercentage = massa gevraagde stof/massa totale mengsel ×
100%
Volumepercentage = volume gevraagde stof/volume totale mengsel
× 100%
Paragraaf 2
Scheidingsmethoden
Scheiden = de ene stof van de andere weghalen. Je houdt meestal
zuivere stoffen over. Op macroniveau maak je gebruik van verschil
Paragraaf 1
Zuivere stoffen en Mengsels
Mengsel bestaat uit verschillende stoffen met verschillende
stofeigenschappen.
Stofeigenschappen waarnemen is op macroniveau. Op microniveau
kijk je naar de moleculen en atomen (deeltjes van moleculen).
Een zuivere stof is 1 stof en bestaat uit 1 soort moleculen, maar
deze kan wel uit meerdere soorten atomen bestaan. Als moleculen
van zuivere stof bestaan uit twee of meer atoomsoorten =
verbinding/ontleedbare stof.
Als moleculen van zuivere stof uit 1 soort moleculen bestaan =
niet-ontleedbare stof.
Faseveranderingen
Stof kan in drie fasen voorkomen: vast (s), vloeibaar (l) en
gasvormig (g).
Stoffen kunnen van ene fase in de andere overgaan =
faseverandering/faseovergang.
Faseovergang kun je gebruiken om te bepalen of het een zuivere
stof of een mengsel is. Bij zuivere stof blijft temperatuur tijdens
faseovergang constant. Stof heeft een smeltpunt en kookpunt. Bij
mengsel loopt temperatuur langzaam op, dan smelttraject en
kooktraject.
Binas-tabellen 8, 11, 12, 40A en 42 voor smelt- en kookpunten van
stoffen.
, Temperatuur in K – 273 = temperatuur in graden C
Temperatuur in graden C + 273 = temperatuur in K
Soorten mengsels
Drie soorten mengsels: oplossing, suspensie en emulsie.
Oplossing = helder mengsel van vaste stof, vloeistof of gas in
oplosmiddel. Op microniveau zijn deeltjes waar stoffen uit
bestaan goed gemengd = homogeen mengsel.
Suspensie = troebel mengsel van vaste stof in vloeistof en
vaste stof is niet opgelost (kleiner korreltjes in vloeistof). Door
verschil in dichtheid zakt vaste stof meestal naar bodem.
Emulsie = troebel mengsel van twee vloeistoffen die niet goed
mengbaar zijn (kleine druppeltjes zweven in vloeistof).
Suspensies en emulsies = heterogene mengsels: stoffen zijn
op microniveau niet volledig gemengd.
Tweelagensysteem bij emulsie = vloeistof met grootste
dichtheid ligt op de bodem met daarop de andere vloeistof. Vaak
is de ene stof hydrofiel (kan oplossen in water) en andere stof
hydrofoob (kan niet oplossen in water). Met emulgator kun je
ervoor zorgen dat emulsie niet ontmengt.
Staart van emulgatormolecuul is hydrofoob en kop is hydrofiel.
Percentage stof in een mengsel
Massapercentage = massa gevraagde stof/massa totale mengsel ×
100%
Volumepercentage = volume gevraagde stof/volume totale mengsel
× 100%
Paragraaf 2
Scheidingsmethoden
Scheiden = de ene stof van de andere weghalen. Je houdt meestal
zuivere stoffen over. Op macroniveau maak je gebruik van verschil