HC29 – leefstijl
RICHTLIJNEN
Beweging
Niet langer dan 1 uur achter elkaar stilzitten
- < 1 jaar: 30 min/dag in buikligging (nog niet mobiel) of spelen op de grond
- 1/2 jaar: 3 uur per dag lichamelijke activiteit
- 3 jaar: 3 uur per dag lichamelijke activiteit (waarvan 1 uur matig-intensief)
- 4-18 jaar: 1 uur per dag matig-intensief = ademhaling wordt sneller
3 x per week spier/botversterkend = bv volleybal, dansen, fietsen
→ mentale ontwikkeling, motoriek verbeteren, aanmaak botten & spieren
Slaap
• 0-2 maanden 14.6 uur → 16 jaar 8.1 uur
• Vast slaapschema: baby’s kortere slaapcycli + actiever in slaap
• Slaapritueel 20-30 minuten (boekje lezen/liedje zingen)
• Rustige/donkere slaapkamer
• Geen zware maaltijden (< 2 uur) & schermgebruik voor slapen
• Geen dutjes bij ouderen kinderen
• Overdag genoeg bewegen
Voeding
• Tot 6 maanden: borstvoeding/kunstvoeding → 4-6 maanden: introductie bijvoeding
• 12 maanden: met de pot mee-eten
• Tot 4 jaar: vitamine D & tot 3 maanden: vitamine K
Vaste eet- /drinkmomenten & ontspannen voedingsmomenten met voldoende tijd (niet dwingen!)
Schermgebruik
20-20-2 = 20 min schermgebruik → 20 sec in de verte kijken + 2 uur buiten
→ voorkomen myopie (= bijziendheid) – bij veel dichtbij kijken → oog groeit in de lengte tot 25 jaar
CULTURELE SENSITIVITEIT
Definities
Culturele sensitiviteit = vermogen zorgprofessional om rekening te houden met culturele
achtergrond, waarden, normen & communicatievoorkeuren patiënten → mee in klinisch handelen
Etnische identiteit = mate waarin iemand zich identificeert met zijn/haar etnische of culturele
groep – en betekenis die die identiteit heeft in zijn/haar dagelijks leven ( bv je woont in NL en voelt
je niet verbonden met land waar je vandaan komt)
- Onder cultuur valt niet alleen migratieachtergrond, maar ook regio/opvoeding etc.
Sensitief communiceren
- Oppervlakkige structuur = zichtbare culturele elementen zoals taal, muziek, voedsel, en
kleding die herkenbaar zijn voor de doelgroep
- Diepe structuur = onderliggende culturele, sociale, historische, omgevings en
psychologische factoren die het gezondheidsgedrag beïnvloeden (bv oorlogsgebied)
Culturele bescheidenheid = reflecteren op eigen handelen – eigen cultuur niet als superieur zien
en openstaan voor feedback → oprecht nieuwsgierig zijn naar de anders cultuur
,Cultuur sensitief werken
Waarom?
- Toename diversiteit in NL → verkleinen gezondheidsverschillen
- Patiënt kan zorgbehoeften beter kenbaar maken → hoge tevredenheid
- Betere kwaliteit van de zorg
Hoe?
1. Kennis hebben over wat cultuur is en wat de invloed ervan is
2. Zelfkennis over eigen culturele bagage + invloed op handelen als professional
3. Open houding
4. Inschatten of cultuur een rol speelt
5. Vaardigheden om gesprek over cultuur aan te gaan
6. Kwetsbaar opstellen: ongemak benoemen & fouten durven maken
Meer dan cultuursensitief…
Sensitief werken in de brede zin – aandacht voor meer dan alleen culturele aspecten: trauma,
stress, ontwikkelingsfase kind, geletterdheid
Culturele interview
Culturele interview = gesprek waarin je de leefwereld, waarden, betekenisgeving en ervaringen
van de patiënt verkent
1. Culturele identiteit: referentiegroepen, taal, culturele factoren in ontwikkeling patiënt,
betrokkenheid eigen cultuur, betrokkenheid cultuur gastland
Hoe zou u uzelf beschrijven wat betreft afkomst, cultuur of achtergrond?
Wat is voor u belangrijk aan die achtergrond?
2. Culturele verklaring voor klachten:
- Betekenis/ernst van symptomen in relatie met culturele normen
- Veronderstelde oorzaken & verklaringsmodellen
- Hulpzoekgedrag: ervaring & plannen
Hoe zou u uw probleem of klachten zelf omschrijven?
Wat denkt u dat oorzaak is? Hoe beïnvloedt dit uw dagelijks leven?
3. Culturele factoren in de psychosociale omgeving en functioneren: sociale stressoren,
sociale steun, niveaus van functioneren/beperkingen
Op wie kunt u terugvallen als u steun nodig heeft
Zijn er religieuze of spirituele activiteiten die u steun geven? En invloed op uw klachten?
4. Culturele elementen in de relatie tussen patient en hulpverlener: in NL nemen we zelf
actie bij klachten, maar in sommige culturen is dokter iets waar je tegen opki jkt
Hoe ziet u mijn rol als hulpverlener? Wat veracht u van mij? Voelt u zich gehoord en begrepen?
5. Algehele culturele vaststelling ten behoeve van diagnostiek en behandeling: bv
bepaalde diagnostiek of behandeling niet uitvoeren ivm cultuur
Zijn er thema’s die volgens u verder besproken moeten worden om u goed te helpen?
Zijn er aspecten van achtergrond die u belangrijk vindt om terug te laten komen in behandeling?
Vuistregels
1. Geef de patient de gelegenheid om zijn verhaal te doen
2. Maak gebruik van een professionele tolk
3. Luister zonder oordelen
4. Realiseer je: context kleurt het verhaal van de patiënt (ook eigen context)
5. Toets of jouw beeld van de cultuur voor deze patiënt opgaat
6. Nodig uit toelichting en voorbeelden te geven
→ GEEF HELDERE INTRODUCTIE – het kunnen heftige vragen zijn
Onderzoek Marieke Hartman
Een algemeen programma kan goed werken in een multi-etnische context → niet voor elke cultuur
een aparte aanpak realiseren
,LEEFSTIJLGESPREK
4 barrières
• Persoonlijke barrières = te weinig training, niet leuk vinden
• Barrière in de werkomgeving = te weinig tijd, geen financiële vergoeding
• Barrière gerelateerd aan de behandelrelatie = angst negatieve reactie ouders/kind
• Barrières behorende bij de eigenschappen van kind/ouders = ouders met overgewicht,
familie met veel problemen
3 helpende factoren
• Persoonlijke factoren = kennis en vertrouwen in eigen kunnen
• Factoren gerelateerd aan interactie tussen dokter & ouders = gerelateerde klacht,
goede vertrouwensband, objectieve meetgegevens
• Factoren behorende bij eigenschappen ouders – ouders starten zelf het gesprek
Systeem 1 vs systeem 2 denken
Systeem 1 = onbewust obv intuïtie, snel/automatisch/moeiteloos, grote capaciteit (96%)
- Beïnvloed door ervaring, emoties & herrinering
Systeem 2: bewust obv onderzoek, langzaam/inspanning/controle, beperkte capaciteit (4%)
- Beïnvloed door feiten, logica & bewijs
→ uitdaging is niet om geen bias te hebben, maar om je bewust te worden van wanneer die ons
handelen stuurt
Hoe aan te kaarten
- Gebruik open vragen
- Kies het juist moment
- Aansluiten bij hulpvraag – moeilijk; vaak komen ze niet voor leefstijl op het spreekuur
- Aansluiten bij cultuur kind/gezin
- Kleine stapjes → alle stapjes helpen
- Wees bewust van je eigen onbewuste aannames/bagage
→ leefstijlroer: voeding, beweging, verbinding, ontspanning, middelen, slaap
Welke open vragen zou jij als jeugdarts stellen om de culturele opvattingen van moeder
over voeding, gezondheid en opvoeding beter te begrijpen?
- Wat vindt u belangrijk dat Sara meekrijgt van uw Syrische achtergrond?
- Wat betekent gezond zijn voor u bij een kind van Sara’s leeftijd?
- Wat leert u Sara over eten en bewegen?
Beschrijf 2 concrete manieren waarop jij in dit gesprek cultuursensitief zou handelen?
- Taal/communicatie: langzaam spreken, korte zinnen, actief checken of begrepen – indien
nodig: professionele tolk
- Niet stigmatiseren: niet spreken over te zwaar, maar over gezondheid en energie & niet
praten over een fout van de ouders, maar over gezamelijke zorg
Formuleer een eerste stap richting een leefstijladvies dat niet stigmatiserend, realistisch en
aansluitend op de culturele en sociale context van dit gezin is. Hoe zorg je dat dit advies
zowel haalbaar als gezamenlijk geformuleerd is?
- Samen thuis bewegen (dansen, spelletje)
- Water of thee zonder suiker als standaard drinken
→ gezamenlijk:
- Wat zou voor u het makkelijkst zijn om mee te beginnen?
- Klein/concreet houden
- Vervolgafspraak inplannen
, HC30 – voedingsproblemen bij kinderen
Ontwikkeling van voedingsproces
In het van Wiechenschema wordt de ontwikkeling van eten & drinken niet benoemd
Geboorte > ~18-24 maanden
• Passief (eten aangeboden) > Actief (zelf eten met bestek)
• Afhankelijk > Zelfstandig
• Reflexmatig > Bewust
• Vloeibaar > Vaste voeding
Drinken Eten
Geboorte: zuigen-slikken-ademen tegelijk tot 3 mnd 4-5 mnd: afhappen lepel
7 mnd: eigen fles pakken & leegdrinken 6-8 mnd: stengel/koekje eten
8 mnd: uit tuitbeker drinken 12 mnd: vaste voeding eten
12 mnd: uit beker drinken 18 mnd-24 mnd: lepel uit bakje eten
Kritische periode
Kritische periodes = stimulus moet worden aangeboden om reactie uit te lokken; als je dit niet
doet kunnen kinderen de reactie nooit ontwikkelen
- Tot 3 maanden: zuigen-slikken-ademen: alles tegelijk
- 8-10 maanden: kauwen-slikken
- Vanaf baarmoeder-borstvoeding-vaste voeding: smaakontwikkeling
o Moeder dus ook gevarieerd eten
o N. hypoglossus: smaak
o N. olfactorius: geur
o N. trigeminus: textuur
o Tong met 5 smaken: bitter, zuur, zoet, zout, umami
→ bij een bijtring weet je dat kind klaar is voor vaste voedsel
Smaakontwikkeling eerste 3 jaar
• Zuigelingen: voorkeur zoet/zout – afnemend met hogere leeftijd
• Window of opportunity: 6 maanden-2 jaar
• Borstvoeding minder kieskeurig dan flesvoeding
Effectief voedingsproces is afhankelijk van
• Fysiologie: respiratoir, cardiaal, GI, autonoom CZS
• Sensomotoriek: slikken, zuigen, kauwen, afhappen, transporteren
• Ouders: belastbaarheid, kennis van vaardigheden, relatie ouder-kind
• Kind: controle, gedrag, conditie
Problemen
Pediatric feeding disorder = stoornis in orale voedingsinname (niet age-appropriate) > 2 weken
geassocieerd met medische, nutritionele (ondervoeding), vaardigheid en/of psychosociale
problemen – niet door culturele normen of te weinig voedsel aanbieden
Kan niet eten Wil niet (alles) eten Krijgt geen eten
- Respiratoir - Neofobie - Armoede
- Cardiaal - Picky eating - Verwaarlozing
- Gastro-enterologisch - Pedagogisch - Pediatric condition
- Neurologisch - Chronische weigering falsification disorder
→ somatische ziekte - Somatisch: bv chemo (PCF)
- Eetstoornis: fobie & ARFID
RICHTLIJNEN
Beweging
Niet langer dan 1 uur achter elkaar stilzitten
- < 1 jaar: 30 min/dag in buikligging (nog niet mobiel) of spelen op de grond
- 1/2 jaar: 3 uur per dag lichamelijke activiteit
- 3 jaar: 3 uur per dag lichamelijke activiteit (waarvan 1 uur matig-intensief)
- 4-18 jaar: 1 uur per dag matig-intensief = ademhaling wordt sneller
3 x per week spier/botversterkend = bv volleybal, dansen, fietsen
→ mentale ontwikkeling, motoriek verbeteren, aanmaak botten & spieren
Slaap
• 0-2 maanden 14.6 uur → 16 jaar 8.1 uur
• Vast slaapschema: baby’s kortere slaapcycli + actiever in slaap
• Slaapritueel 20-30 minuten (boekje lezen/liedje zingen)
• Rustige/donkere slaapkamer
• Geen zware maaltijden (< 2 uur) & schermgebruik voor slapen
• Geen dutjes bij ouderen kinderen
• Overdag genoeg bewegen
Voeding
• Tot 6 maanden: borstvoeding/kunstvoeding → 4-6 maanden: introductie bijvoeding
• 12 maanden: met de pot mee-eten
• Tot 4 jaar: vitamine D & tot 3 maanden: vitamine K
Vaste eet- /drinkmomenten & ontspannen voedingsmomenten met voldoende tijd (niet dwingen!)
Schermgebruik
20-20-2 = 20 min schermgebruik → 20 sec in de verte kijken + 2 uur buiten
→ voorkomen myopie (= bijziendheid) – bij veel dichtbij kijken → oog groeit in de lengte tot 25 jaar
CULTURELE SENSITIVITEIT
Definities
Culturele sensitiviteit = vermogen zorgprofessional om rekening te houden met culturele
achtergrond, waarden, normen & communicatievoorkeuren patiënten → mee in klinisch handelen
Etnische identiteit = mate waarin iemand zich identificeert met zijn/haar etnische of culturele
groep – en betekenis die die identiteit heeft in zijn/haar dagelijks leven ( bv je woont in NL en voelt
je niet verbonden met land waar je vandaan komt)
- Onder cultuur valt niet alleen migratieachtergrond, maar ook regio/opvoeding etc.
Sensitief communiceren
- Oppervlakkige structuur = zichtbare culturele elementen zoals taal, muziek, voedsel, en
kleding die herkenbaar zijn voor de doelgroep
- Diepe structuur = onderliggende culturele, sociale, historische, omgevings en
psychologische factoren die het gezondheidsgedrag beïnvloeden (bv oorlogsgebied)
Culturele bescheidenheid = reflecteren op eigen handelen – eigen cultuur niet als superieur zien
en openstaan voor feedback → oprecht nieuwsgierig zijn naar de anders cultuur
,Cultuur sensitief werken
Waarom?
- Toename diversiteit in NL → verkleinen gezondheidsverschillen
- Patiënt kan zorgbehoeften beter kenbaar maken → hoge tevredenheid
- Betere kwaliteit van de zorg
Hoe?
1. Kennis hebben over wat cultuur is en wat de invloed ervan is
2. Zelfkennis over eigen culturele bagage + invloed op handelen als professional
3. Open houding
4. Inschatten of cultuur een rol speelt
5. Vaardigheden om gesprek over cultuur aan te gaan
6. Kwetsbaar opstellen: ongemak benoemen & fouten durven maken
Meer dan cultuursensitief…
Sensitief werken in de brede zin – aandacht voor meer dan alleen culturele aspecten: trauma,
stress, ontwikkelingsfase kind, geletterdheid
Culturele interview
Culturele interview = gesprek waarin je de leefwereld, waarden, betekenisgeving en ervaringen
van de patiënt verkent
1. Culturele identiteit: referentiegroepen, taal, culturele factoren in ontwikkeling patiënt,
betrokkenheid eigen cultuur, betrokkenheid cultuur gastland
Hoe zou u uzelf beschrijven wat betreft afkomst, cultuur of achtergrond?
Wat is voor u belangrijk aan die achtergrond?
2. Culturele verklaring voor klachten:
- Betekenis/ernst van symptomen in relatie met culturele normen
- Veronderstelde oorzaken & verklaringsmodellen
- Hulpzoekgedrag: ervaring & plannen
Hoe zou u uw probleem of klachten zelf omschrijven?
Wat denkt u dat oorzaak is? Hoe beïnvloedt dit uw dagelijks leven?
3. Culturele factoren in de psychosociale omgeving en functioneren: sociale stressoren,
sociale steun, niveaus van functioneren/beperkingen
Op wie kunt u terugvallen als u steun nodig heeft
Zijn er religieuze of spirituele activiteiten die u steun geven? En invloed op uw klachten?
4. Culturele elementen in de relatie tussen patient en hulpverlener: in NL nemen we zelf
actie bij klachten, maar in sommige culturen is dokter iets waar je tegen opki jkt
Hoe ziet u mijn rol als hulpverlener? Wat veracht u van mij? Voelt u zich gehoord en begrepen?
5. Algehele culturele vaststelling ten behoeve van diagnostiek en behandeling: bv
bepaalde diagnostiek of behandeling niet uitvoeren ivm cultuur
Zijn er thema’s die volgens u verder besproken moeten worden om u goed te helpen?
Zijn er aspecten van achtergrond die u belangrijk vindt om terug te laten komen in behandeling?
Vuistregels
1. Geef de patient de gelegenheid om zijn verhaal te doen
2. Maak gebruik van een professionele tolk
3. Luister zonder oordelen
4. Realiseer je: context kleurt het verhaal van de patiënt (ook eigen context)
5. Toets of jouw beeld van de cultuur voor deze patiënt opgaat
6. Nodig uit toelichting en voorbeelden te geven
→ GEEF HELDERE INTRODUCTIE – het kunnen heftige vragen zijn
Onderzoek Marieke Hartman
Een algemeen programma kan goed werken in een multi-etnische context → niet voor elke cultuur
een aparte aanpak realiseren
,LEEFSTIJLGESPREK
4 barrières
• Persoonlijke barrières = te weinig training, niet leuk vinden
• Barrière in de werkomgeving = te weinig tijd, geen financiële vergoeding
• Barrière gerelateerd aan de behandelrelatie = angst negatieve reactie ouders/kind
• Barrières behorende bij de eigenschappen van kind/ouders = ouders met overgewicht,
familie met veel problemen
3 helpende factoren
• Persoonlijke factoren = kennis en vertrouwen in eigen kunnen
• Factoren gerelateerd aan interactie tussen dokter & ouders = gerelateerde klacht,
goede vertrouwensband, objectieve meetgegevens
• Factoren behorende bij eigenschappen ouders – ouders starten zelf het gesprek
Systeem 1 vs systeem 2 denken
Systeem 1 = onbewust obv intuïtie, snel/automatisch/moeiteloos, grote capaciteit (96%)
- Beïnvloed door ervaring, emoties & herrinering
Systeem 2: bewust obv onderzoek, langzaam/inspanning/controle, beperkte capaciteit (4%)
- Beïnvloed door feiten, logica & bewijs
→ uitdaging is niet om geen bias te hebben, maar om je bewust te worden van wanneer die ons
handelen stuurt
Hoe aan te kaarten
- Gebruik open vragen
- Kies het juist moment
- Aansluiten bij hulpvraag – moeilijk; vaak komen ze niet voor leefstijl op het spreekuur
- Aansluiten bij cultuur kind/gezin
- Kleine stapjes → alle stapjes helpen
- Wees bewust van je eigen onbewuste aannames/bagage
→ leefstijlroer: voeding, beweging, verbinding, ontspanning, middelen, slaap
Welke open vragen zou jij als jeugdarts stellen om de culturele opvattingen van moeder
over voeding, gezondheid en opvoeding beter te begrijpen?
- Wat vindt u belangrijk dat Sara meekrijgt van uw Syrische achtergrond?
- Wat betekent gezond zijn voor u bij een kind van Sara’s leeftijd?
- Wat leert u Sara over eten en bewegen?
Beschrijf 2 concrete manieren waarop jij in dit gesprek cultuursensitief zou handelen?
- Taal/communicatie: langzaam spreken, korte zinnen, actief checken of begrepen – indien
nodig: professionele tolk
- Niet stigmatiseren: niet spreken over te zwaar, maar over gezondheid en energie & niet
praten over een fout van de ouders, maar over gezamelijke zorg
Formuleer een eerste stap richting een leefstijladvies dat niet stigmatiserend, realistisch en
aansluitend op de culturele en sociale context van dit gezin is. Hoe zorg je dat dit advies
zowel haalbaar als gezamenlijk geformuleerd is?
- Samen thuis bewegen (dansen, spelletje)
- Water of thee zonder suiker als standaard drinken
→ gezamenlijk:
- Wat zou voor u het makkelijkst zijn om mee te beginnen?
- Klein/concreet houden
- Vervolgafspraak inplannen
, HC30 – voedingsproblemen bij kinderen
Ontwikkeling van voedingsproces
In het van Wiechenschema wordt de ontwikkeling van eten & drinken niet benoemd
Geboorte > ~18-24 maanden
• Passief (eten aangeboden) > Actief (zelf eten met bestek)
• Afhankelijk > Zelfstandig
• Reflexmatig > Bewust
• Vloeibaar > Vaste voeding
Drinken Eten
Geboorte: zuigen-slikken-ademen tegelijk tot 3 mnd 4-5 mnd: afhappen lepel
7 mnd: eigen fles pakken & leegdrinken 6-8 mnd: stengel/koekje eten
8 mnd: uit tuitbeker drinken 12 mnd: vaste voeding eten
12 mnd: uit beker drinken 18 mnd-24 mnd: lepel uit bakje eten
Kritische periode
Kritische periodes = stimulus moet worden aangeboden om reactie uit te lokken; als je dit niet
doet kunnen kinderen de reactie nooit ontwikkelen
- Tot 3 maanden: zuigen-slikken-ademen: alles tegelijk
- 8-10 maanden: kauwen-slikken
- Vanaf baarmoeder-borstvoeding-vaste voeding: smaakontwikkeling
o Moeder dus ook gevarieerd eten
o N. hypoglossus: smaak
o N. olfactorius: geur
o N. trigeminus: textuur
o Tong met 5 smaken: bitter, zuur, zoet, zout, umami
→ bij een bijtring weet je dat kind klaar is voor vaste voedsel
Smaakontwikkeling eerste 3 jaar
• Zuigelingen: voorkeur zoet/zout – afnemend met hogere leeftijd
• Window of opportunity: 6 maanden-2 jaar
• Borstvoeding minder kieskeurig dan flesvoeding
Effectief voedingsproces is afhankelijk van
• Fysiologie: respiratoir, cardiaal, GI, autonoom CZS
• Sensomotoriek: slikken, zuigen, kauwen, afhappen, transporteren
• Ouders: belastbaarheid, kennis van vaardigheden, relatie ouder-kind
• Kind: controle, gedrag, conditie
Problemen
Pediatric feeding disorder = stoornis in orale voedingsinname (niet age-appropriate) > 2 weken
geassocieerd met medische, nutritionele (ondervoeding), vaardigheid en/of psychosociale
problemen – niet door culturele normen of te weinig voedsel aanbieden
Kan niet eten Wil niet (alles) eten Krijgt geen eten
- Respiratoir - Neofobie - Armoede
- Cardiaal - Picky eating - Verwaarlozing
- Gastro-enterologisch - Pedagogisch - Pediatric condition
- Neurologisch - Chronische weigering falsification disorder
→ somatische ziekte - Somatisch: bv chemo (PCF)
- Eetstoornis: fobie & ARFID