Tijd voor reflectie blz. 7 – 26 (PDF) + Waardenkaart (PDF)
De student kan benoemen wat het onderwerp van de ethiek is
In de ethiek denkt men over het menselijke handelen vanuit het gezichtspunt van goed en kwaad, juist en onjuist,
etc. Een mens kan als mens goed genoemd worden wanneer hij/zij goed leeft en handelt. Een goed mens is een
mens die beantwoord aan zijn ethische opdracht en daarom als mens ‘geslaagd’ mag heten. Een criterium voor de
goedheid van een mens als mens is zijn gedrag ten aanzien van anderen.
Een slecht mens is een mens die juist onder de maat blijft/ tekortschiet. Het gaat niet om een deelaspect van de
mens maar betreft het mens-zijn, zijn waarden als mens, zijn humaniteit.
Ethiek is altijd aanwezig in het menselijke leven, maar is wel telkens aan verandering onderhevig: tijd- en
plaatsgebonden, bijv. waarde eer vroeger en nu
Er zijn geen eenduidige antwoorden en handelingsaanwijzingen die voor eens en altijd geldig zijn maar is
vooral reflectie op en overleg over wat goed of slecht is
Verschillende benaderingswijzen: beginsel ethiek, gevolgen ethiek, deugdethiek, zorgethiek, etc.
De student kan kenmerken van waarden aangeven
Waarden wijzen mensen in de richting van wat ‘goed’ is, maar zijn in veel situaties te abstract en te ruim om
concrete aanwijzingen voor het handelen te bieden. Ook drukken ze uit waar mensen belang aan hechten, wat ze
nastrevenswaardig vinden. In de zorg bv: respect, vertrouwen en zorgvuldigheid,
Waarden geven antwoord op de vraag wat is de moeite waard, wat is belangrijk?
Waarden hebben karakter van nastrevenswaardige idealen en zijn als zodanig nogal abstract, denk
bijvoorbeeld aan de waarde respect
Waarden hebben aantrekkingskracht (pull), ook als de idealen nooit ten volle haalbaar zijn. Ze blijven een
ideaal aan de horizon om naar te streven.
Waarden motiveren het handelen
Intersubjectief van aard, bestaan niet zoals de zwaartekracht, maar komen alleen tot uitdrukking in het
handelen (niet zuiver objectief of subjectief, kwestie van smaak)
Waarden zijn tijd en ruimte gebonden: niet voor eeuwig en altijd
Waarden kunnen inboeten aan overtuigingskracht
De student kan uitleggen wat normen zijn
Normen (geschreven en ongeschreven) gedragsregels die aangeven wat mensen wel en niet behoren te doen.
Normen zijn afgeleid van waarden: in een norm wordt een waarde concreet gemaakt.
Voorbeelden:
Waarde: veiligheid Waarde: eerlijkheid
Norm: stoppen bij rood stoplicht Norm: niet liegen
Norm: cliënt isoleren wanneer hij een gevaar vormt Norm: patiënt vertellen dat hij kanker heeft
De student kan het verschil tussen handelen en gedrag en relevantie ervan voor ethiek uitleggen
Handelen: je doet iets omdat je ervan overtuigd bent dat het zo moet, omdat je gewoon weet dat dit het beste is of
omdat iedereen het zo doet. Handelingen komen voort uit redenen.
Gedrag: al wat zichtbaar is. Je hoeft niet altijd gedreven of gemotiveerd te zijn door redenen; gedrag is vaak
impulsief en instinctief.
De student kan vier soorten belangen benoemen
Belangen spelen ook een rol bij morele afwegingen. Wie zijn betrokken en wiens belangen worden gediend dan wel
geschaad door de keuze voor een bepaalde handeling?
Soorten belangen
Eigen belang
o Korte termijn: persoon gaat in op een impuls
o Lange termijn welbegrepen eigen belang
Andermans belang: mogelijke belangenconflicten met anderen
Algemeen belang: belang van de samenleving