SAMENVATTING STOF VERDIEPEND MATERIEEL STRAFRECHT
Verdiepend Materieel Strafrecht – Oefenvragen
Doel: Inoefenen van de leerstof aan de hand van meerkeuzevragen in examenstijl.
Structuur:
Meerkeuzevragen (A–D)
Correct antwoord vetgedrukt
Korte maar inhoudelijk correcte rationale
1. Strafrechtelijke aansprakelijkheid
1. Welke combinatie van voorwaarden is vereist om iemand strafrechtelijk aansprakelijk te
stellen?
A. Misdrijf, wederrechtelijkheid, strafwaardigheid
B. Misdrijf, toerekeningsvatbaarheid, schuld
C. Misdrijf, verwijtbaarheid, toerekeningsvatbaarheid, strafwaardigheid
D. Misdrijf, opzet, schade, straf
Correct antwoord: C
Rationale: Strafrechtelijke aansprakelijkheid vereist cumulatief: een gepleegd misdrijf,
verwijtbaarheid (geen schuldontheffingsgrond), toerekeningsvatbaarheid en strafwaardigheid
(geen strafontheffende verschoningsgrond).
2. Constitutieve bestanddelen van een misdrijf
2. Wat wordt bedoeld met het materieel bestanddeel van een misdrijf?
A. De geestesgesteldheid van de dader
,ESTUDYR
B. De uitwendig waarneembare menselijke gedraging die beantwoordt aan een wettelijke
misdrijfomschrijving
C. De wederrechtelijkheid van het gedrag
D. De schade die werd veroorzaakt
Correct antwoord: B
Rationale: Het materieel bestanddeel vereist een uitwendig waarneembare menselijke gedraging
die onder een wettelijke strafbepaling valt. Louter gedachten zijn nooit strafbaar.
3. Handelingsmisdrijf vs. verzuimsmisdrijf
3. Welke situatie is een voorbeeld van een verzuimsmisdrijf?
A. Het plegen van een diefstal
B. Het toebrengen van slagen en verwondingen
C. Het opzettelijk niet verlenen van hulp aan een persoon in groot gevaar
D. Het vervalsen van een document
Correct antwoord: C
Rationale: Bij een verzuimsmisdrijf bestaat de strafbare gedraging uit het niet-handelen terwijl
de wet een handelen oplegt.
4. Moreel bestanddeel
4. Wat volstaat als moreel bestanddeel bij reglementaire misdrijven?
A. Bijzonder opzet
B. Ernstig gebrek aan voorzichtigheid
C. Bewust en uit vrije wil handelen
D. Het oogmerk om schade te veroorzaken
,ESTUDYR
Correct antwoord: C
Rationale: Bij reglementaire misdrijven volstaat het vermoeden dat men bewust en uit vrije wil
handelde; het Openbaar Ministerie moet geen opzet bewijzen.
5. Opzettelijke misdrijven
5. Wat wordt verstaan onder algemeen opzet (dolus generalis)?
A. Het willen bereiken van een specifiek resultaat
B. Het bewust en vrijwillig stellen van het strafbaar gedrag
C. Het handelen uit wraak
D. Het negeren van een wettelijk verbod zonder kennis ervan
Correct antwoord: B
Rationale: Algemeen opzet houdt in dat de dader met kennis van zaken en uit vrije wil het
strafbaar gedrag stelt, zonder dat een bijzonder oogmerk vereist is.
6. Onopzettelijke misdrijven
6. Wanneer is er sprake van een onopzettelijk misdrijf?
A. Wanneer de dader het gevolg wilde maar niet het middel
B. Wanneer de dader het gevolg niet heeft voorzien, maar een normaal voorzichtig persoon dit
wel zou hebben gedaan
C. Wanneer er sprake is van bijzondere opzet
D. Wanneer het misdrijf wordt gepleegd onder dwang
Correct antwoord: B
Rationale: Onopzettelijke misdrijven vereisen een ernstig gebrek aan voorzichtigheid of
voorzorg, beoordeeld volgens de maatstaf van de normaal voorzichtig en redelijk persoon.
, ESTUDYR
7. Wederrechtelijkheid
7. Wat is het gevolg van een rechtvaardigingsgrond?
A. Het heft de schuld van de dader op
B. Het heft de straf op maar niet het misdrijf
C. Het heft de wederrechtelijkheid op waardoor er geen misdrijf is
D. Het leidt tot strafvermindering
Correct antwoord: C
Rationale: Een rechtvaardigingsgrond neemt de wederrechtelijkheid weg. Daardoor is de
gedraging geen misdrijf en niet strafbaar.
8. Noodweer
8. Welke voorwaarde is NIET vereist voor wettige verdediging (noodweer)?
A. De aanval moet onrechtmatig zijn
B. De verdediging moet proportioneel zijn
C. De verdediging mag ook louter goederen beschermen
D. De verdediging moet onmiddellijk noodzakelijk zijn
Correct antwoord: C
Rationale: Noodweer is enkel toegestaan ter verdediging van personen, niet louter ter
bescherming van goederen.
9. Schuldontheffingsgronden
9. Wat is het essentiële kenmerk van onweerstaanbare dwang (overmacht)?
A. Interne druk bij de dader