100% satisfaction guarantee Immediately available after payment Both online and in PDF No strings attached 4.6 TrustPilot
logo-home
Summary

Rijke Taal, Portaal, Reader - samenvatting

Rating
-
Sold
-
Pages
32
Uploaded on
23-01-2026
Written in
2024/2025

Hier vind je van 3 dingen een samenvatting. Rijke taal: 1.2, 1.3, 2.1, 3.1, 3.2 Portaal: hoofdstuk 1, 2, 3 en 9 Reader: Basiskennis Taalonderwijs (Huizinga & Robbe, 2013): Hoofdstuk 1 en 2

Institution
Course











Whoops! We can’t load your doc right now. Try again or contact support.

Written for

Institution
Study
Course

Document information

Uploaded on
January 23, 2026
Number of pages
32
Written in
2024/2025
Type
Summary

Subjects

Content preview

Taaltoets samenvatting
Rijke taal: (1.2, 1.3, 2.1, 3.1, 3.2.)
Je leert taal door het tot stand brengen van rijke verbindingen in de hersenen die leiden tot duurzame
veranderingen in het langetermijngeheugen.
Leren verandert de manier waarop leerlingen kijken naar de samenleving.

Hoe meer ervaringen en daarmee verbonden kennis en taal in het brein zijn opgeslagen, hoe
gemakkelijker leerlingen nieuwe informatie zullen begrijpen. Hoe minder talig je thuisomgeving is
(gesprekken, voorlezen, aanwezigheid van kranten en boeken, bezoek aan musea en theater) hoe
beperkter je ervarings- en taalbasis en hoe minder je zult begrijpen.

Om duurzaam te kunnen leren, moet leren betekenisvol zijn voor de leerlingen.
Betekenisvol onderwijs wil zeggen dat leerstof over langere tijd zou moeten worden verspreid en dat
er sprake is van herhaling.

Om duurzame en betekenisvolle (taal)lessen voor te bereiden, kun je gebruiken maken van de
leercirkel:




Waarnemen -> alle leerlingen iets ervaren, bekijken of lezen.
Begrijpen -> we de leerlingen helpen om de leerstof te begrijpen.
Nadenken-verbinden -> we zorgen ervoor dat leerlingen actief nadenken over wat ze
hebben waargenomen.
(Inter)actie -> er is interactie over de stof en/of wordt er een interessante opdracht
mee verbonden.
Het hart vormt de basis van iedere les: is de leerstof voor leerlingen werkelijk van belang en kan de
leerling er werkelijk aandacht voor opbrengen?

Bij duurzaam leren zijn transfer en verbinding belangrijk. Dat wat wordt geleerd, is in het geheugen
altijd gekoppeld aan de plek of de situatie waar wordt geleerd.
Leren wordt duurzaam wanneer er sprake is van transfer tussen taaldomeinen.
Een belangrijk element van duurzaam leren en van transfer en verbinding is het zichtbaar maken
ervan. Leerprocessen en leerresultaten kunnen op talloze manieren zichtbaar worden gemaakt.

,Leerprocessen -> expliciete processen waarbij duidelijke instructie nodig is (bijv. via EDI / leren van
grammatica)
Ontwikkelingsprocessen -> impliciete processen. Daarbij staat frequent en gemotiveerd oefenen
met adequate ondersteuning en feedback centraal.

Leer- en ontwikkelingsprocessen in taal- en leesonderwijs op de basisschool:
 Leerprocessen
o Decoderen (de eerste fase van het aanvankelijk lezen)
o (werkwoord)spelling en grammatica
 Ontwikkelingsprocessen
o Vloeiend lezen
o Lees- en luisterbegrip
o Schrijven van teksten
o Woordenschat
o Spreken en gesprekken voeren

Goed taalonderwijs is onderwijs waarin sprake is van hoge verwachtingen. Niet de niveaus staan
centraal, maar de ondersteuning die leerlingen krijgen. Uitgedaagd worden en de juiste ondersteuning
krijgen, leidt tot leren. Blijven oefenen op je eigen lage niveau leidt tot kansenongelijkheid.




De Kerndoelen zijn opgedeeld in kleinere doelen voor alle domeinen: Tussendoelen beginnen
geletterdheid, Tussendoelen gevorderde geletterdheid en Tussendoelen mondelinge communicatie of
Russendoelen en leerlijnen.

Taal- en leesmethodes worden vaak ontwikkeld op basis van leerlijnen.
Laagfrequente woorden -> woorden die in het Nederlands niet veel voorkomen.

Het is belangrijk dat je je als leraar afvraagt of je voor ieder taaldomein een methode nodig hebt en dat
je kritisch bent als je er één aanschaft.

Om duurzaam taal te kunnen leren, moet sprake zijn van betekenisvol en sociaal leren.

Nederlands als tweede taal:
Menselijke hersenen zijn uitermate geschikt om taal te leren, zonder dat daar directe instructie aan te
pas komt, mits het leren van een taal plaatsvindt in een omgeving waar die taal wordt gesproken.

Een positief verschil tussen eerste- en tweedetaalleerders is dat tweedetaalleerders ‘extra bagage’
hebben: ze spreken een andere taal, waarin al taal- en begripsontwikkeling heeft plaatsgevonden.

Sociaal-emotioneel is het van grote waarde wanneer ouders met hun kind hun moedertaal kunnen
spreken. Het is dan ook onjuist om anderstalige ouders te vragen met hun kinderen in het Nederlands
te communiceren in de hoop dat kinderen dan beter en sneller Nederlands zullen leren.

Om een tweede taal aan te leren moet er sprake zijn van hoge verwachtingen en veel ondersteuning.

Leerlingen leren dagelijkse taal vaak gemakkelijk in hun contact met leeftijdsgenoten.
De taal die zij nodig hebben in het onderwijs verwerven zij – net als hun eerste taal – door veel
interactie en door veel te lezen en te luisteren naar rijke teksten.

,Dyslexie:
Dyslexie is een specifieke leerstoornis die zich kenmerkt door een hardnekkig probleem in het
aanleren van accuraat en vlot lezen en/of spellen op woordniveau, dat niet het gevolg is van
omgevingsfactoren en/of een lichamelijke, neurologische of algemene verstandelijke beperking.

Kernaspecten zijn dat de verbindingen tussen letters en klanken zwak zijn en de opgeslagen
klankstructuren (woorden of delen van woorden) onvolledig of fout.

Er is bij dyslexie geregeld sprake van een erfelijkheidscomponent, maar deze erfelijkheidscomponent
is niet bepalend voor de ernst van de dyslexie.

Dyslexie is een handicap die – als het in een ernstige vorm voorkomt en als er onvoldoende hulp
wordt geboden – de kansen in een geletterde samenleving sterk kan verkleinen.

TOS: verstoorde taalontwikkeling die al vroeg opvalt (soms al vanaf baby), bredere problemen (in het
spreken, woordenschat, taal niet functioneel kunnen inzetten, beperkte vertelvaardigheid, leerlingen
trekken zich vaak terug of hebben juist gedragsproblemen). TOS gaat ook vaak samen met lees- en
schrijfproblemen.
Bij dyslexie gaat het om hardnekkige problemen m.b.t. lezen en/of spellen.

Taalontwikkelingsstoornis (TOS):
TOS is een probleem met het aangeboren vermogen om taal te leren waarbij de taalontwikkeling
afwijkend verloopt ondanks een goed taalaanbod in de omgeving.

TOS kan voorkomen in zowel het taalbegrip als de taalproductie en betrekking hebben op de
fonologie (herkennen en produceren van klanken), semantiek (betekenis), morfologie (vervoegen
en verbuigen van woorden), syntaxis (opbouw van zinnen) en pragmatiek (het gebruik van taal in
sociale situaties).

Leraren die zelf plezier hebben in taal en veel aandacht besteden aan taalnuances (gevoelens,
grapjes, betekenisverschillen) vormen ook een steun voor leerlingen met TOS.

Begaafde leerlingen:
Sommige kinderen beginnen vroeg met praten, spreken snel in volzinnen en begrijpen voorgelezen
boeken met complexere taal en inhoud beter dan leeftijdsgenoten.

Begaafde leerlingen kunnen – net als andere leerlingen overigens – gedemotiveerd raken door
oninteressante oefeningen of oninteressante leerstof.

Vroeg (in de kleutergroepen) leren lezen is in de meeste gevallen geen teken van hoogbegaafdheid,
maar van erfelijke aanleg gecombineerd met een omgeving die de leesprestaties van een leerling
bekrachtigt en bevordert.

Executieve functies en self-efficacy:
Een groot aantal leerlingen heeft aandachtsproblemen en problemen met het vertrouwen in eigen
kunnen.

Onder ‘executieve functies’ verstaan we het kunnen sturen van aandacht. Deelaspecten van
executieve functies zijn inhibitie (het vermogen om afleiding te kunnen onderdrukken),
werkgeheugen (het vermogen om informatie vast te kunnen houden in het kortetermijngeheugen) en
cognitieve flexibiliteit (het vermogen om je te kunnen richten op een taak).

Onder ‘self-efficacy’ verstaan we het vertrouwen om taken goed te kunnen volbrengen, het geloof in
eigen kunnen. Het opdoen van succeservaringen is daarvoor belangrijk.

, Wanneer je opgroeit in een talige gezinssituatie waarin veel wordt voorgelezen en gelezen, waar
gesprekken worden gevoerd en musea worden bezocht, zal dat leiden tot een rijkere taalontwikkeling
dan wanneer je opgroeit in een gezin dat minder talig is.

Een belangrijk doel van taal- en leesonderwijs is dat het de ervarings- en taalbasis van alle leerlingen
vergroot.

Het ontwikkelen van taal is een onbewust proces dat wordt gefaciliteerd door een rijke taalomgeving
(culturele socialisatie). -> taal leer je niet bewust, maar dit verwerf je onbewust.

Fases taalontwikkeling:
 Pre linguale fase
o Geboorte tot eerste verjaardag
o Nog niet echt sprake van spreken, eerder brabbelen (vanaf de +- de 6 e maand)
 Eenwoordfase
o Eindigt gemiddeld rond de tweede verjaardag
o Rond de eerste verjaardag spreken kinderen hun eerste woordjes, verstaanbaar voor
mensen in de omgeving
o Je gebruikt vaak 1 woord die meerdere dingen kan betekenen -> bijv. die of uit
 Differentiatiefase
o Kinderen gaan woorden samenvoegen tot zinnetjes, eerst in telegramstijl (bijv. bal
halen -> ik ga de bal halen)
o Rond de derde verjaardag gaan leerlingen zinnen van meer woorden gebruiken
o Taalvaardigheid ontwikkelt zich breed en kinderen gaan ook praten over dingen die
buiten het hier en nu liggen
o Woordenschat breidt zich explosief uit, kinderen worden zich bewust van sociale
conventies, passen grammaticaregels toe en krijgen zicht op woordverbuigingen en
-vervoegingen

Verschijnselen in de voorschoolse taalontwikkeling:
- Overextensie (overbereik)
o Als een dreumes alle oudere dames met grijs haar vriendelijk begroet met: dag oma.
- Onderextensie (onderbereik)
o Als een kind een overkoepelend begrip als ‘toetje’ alleen van toepassing laat zijn op
het hem bekende schaaltje yoghurt, dus niet op vanille vla.

Leerlingen moeten op vierjarige leeftijd minimaal eenvoudige, enkelvoudige zinnen gebruiken. Er
mogen nog fouten gemaakt worden bij de meervoudsvormen en de vervoegingen hoeven ook niet
altijd correct gebruikt te worden.

Op vijfjarige leeftijd zijn de zinnen goed gevormd en gebruiken kinderen ook samengestelde zinnen.
Vanaf dat moment ontwikkelen ze zich verder in zowel fonologische, semantische, morfologische,
syntactische als pragmatische vaardigheden (voltooiingsfase).

Op school zijn we ertoe geneigd veel aandacht te besteden aan metacognitieve bewuste
leerprocessen. Metacognitie betreft het nadenken over meer abstracte zaken als structuur, bedoeling,
essentie en wijze van aanpak. (op school vaak begrijpend lezen of spelling).
Voor leerlingen met een rijke taalbasis kan aandacht voor metacognitieve vaardigheden een verrijking
vormen voor begrip.
Voor leerlingen met een armere taalbasis is een focus op metacognitieve vaardigheden eerder een
belemmering.

In het volgende figuur wordt duidelijk dat aandacht voor metacognitie pas zinvol is als leerlingen een
goed ontwikkelde ervarings- en taalbasis hebben en gestimuleerd worden om na te denken over
betekenisvolle contexten:
$8.68
Get access to the full document:

100% satisfaction guarantee
Immediately available after payment
Both online and in PDF
No strings attached

Get to know the seller
Seller avatar
lisavanbracht

Also available in package deal

Get to know the seller

Seller avatar
lisavanbracht Hogeschool Arnhem en Nijmegen
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
1
Member since
4 days
Number of followers
0
Documents
6
Last sold
1 day ago

0.0

0 reviews

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Recently viewed by you

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Frequently asked questions