Lichamelijke opvoeding
Inleiding
Bewegen is belangrijk: aanbevelingen
De bewegingsdriehoek:
• Lang stilzitten is ongezond en krijgt een oranje plaats
in de bewegingsdriehoek.
• Je kan liever niet te veel stilzitten aan 1 stuk.
• De bewegingsdriehoek raadt aan elk halfuur
even recht te staan, kort te bewegen of een
bewegingstussendoortje te doen.
• Je beweegt best licht, matig en hoog intensief.
• De voedings- en bewegingsdriehoek wil tonen wat je best eet,
hoeveel je best beweegt en hoe je dat precies doet.
WHO zegt: 2 uren/dag bewegen
Op school: 2u per week LO, bewegingstussendoortjes, sportdagen
Vlaamse gezondheidsaanbevelingen (2021) voor kinderen:
Bewegen:
• Grootste deel van de dag
• 1u/dag tot
• 3 dagen/week: (specifieke activiteiten om grote spieren en botten te versterken)
• Variatie: verschillende bewegingsvaardigheden in verschillende omgevingen
Stilzitten:
• Langdurige periodes van stilzitten beperken en regelmatig onderbreken
(bv. zitten in kinderstoel).
• Schermtijd beperken tot maximaal 1 uur per dag.
• In geval van sedentaire activiteiten worden activiteiten zonder elektronische media
aangemoedigd
Slapen:
• 10-13 uren
1
,De 4 ontwikkelingsgebieden
Motorische ontwikkeling = bewegingsvaardigheden, de wijze waarop een kind beweegt
Bv. springen, klimmen, touwspringen, koprol, oog-handoördinatie, balgevoel, evenwicht
balanceren, motorische vaardigheden
Dynamisch-affectieve ontwikkeling (individueel en sociaal) = positief zelfbeeld, leerling in
zijn relatie met de omgeving.
Bv. zelfvertrouwen, sportieve mindset (fairplay), samenspelen, durf, luisteren naar instructies
Fysieke ontwikkeling (conditie) = KLUS: Kracht, Lenigheid, Uithouding, Kracht, Snelheid ->
conditionele vaardigheden om motorische vaardigheden te leren.
Cognitieve ontwikkeling (kennis) = inhoud van een begrip kennen, inzicht en kennis
over bewegingen. Bv. kennismaken met verschillende sporten, nadenken over de beweging
De hoofddoelstellingen
Minimumdoelen Ontwikkelingsgebied
Motorische competenties en Motorische ontwikkeling
fysieke competenties Fysieke ontwikkeling
Zelfconcept en interactie in groep Individueel en sociaal dynamische affectieve
ontwikkeling
/ Cognitieve ontwikkeling
Attitude: gezonde levensstijl
SOIBR-pijl
SOIBR:
• Selectie activiteiten
• Organisatie
• Instructie
• Begeleiding
• Reflectie
2
,1. Selectie activiteiten
Mentor moet weten:
• wat het lesonderwerp is
• welke werkvorm je toepast
• wat de beginsituatie is van de lln
• welke doelen je moet nastreven
Vervolgens ga je geschikte bronnen raadplegen (cursus, handboek, bib, inernet, …)
- belangrijke bronnen (activiteiten in kern) → multimove en sportnack
- verplichte bron → uitbouwfactoren van het ZILL
1. Aansluiten bij lesonderwerp:
• gekozen activiteiten moeten overeenkomen met gekozen lesonderwerp
• meestal een fundamentele motorische vaardigheid
(tenzij lkr een ander ontwikkelingsgebied kiest)
Bv. fysieke, dynamisch-affectieve of cognitieve ontwikkeling
2. Aansluiten bij de doelen:
• elke activiteit moet aansluiten bij de doelstellingen van de les
3. Aansluiten bij de lesfases
• 3 lesfases: opwarming, kern & slot (10 min 1 rustgevende activiteit)
• Mogelijkheid: les starten met korte inleiding, sfeerschepping voor de opwarming (max 3min)
Opwarming
• 10 min
• 2 activiteiten
- 1 activerende oefening (bv. lopen, springen, huppelen, hinken, …)
- 1 oefening met fysieke ontwikkeling (uithoudingsoefening, snelheidsoefening, ...)
4 doelen:
- energie kunnen ontladen (spontane bewegingsdrang)
- lln moeten in een korte periode in de sfeer van de les komen (10’)
- hart, bloedsomloop & ademhaling worden gestimuleerd
- blessurepreventie
• plezierige bewegingsvormen die weinig tijd vragen voor uitleg, organisatie, lln kunnen
tegelijkertijd deelnemen
• totaalbeweging → hele lichaam actief
• spelen beperken in opwarming → lln moeten snel kunnen starten met bewegen
3
, Kern
• 30 min
• 3 activiteiten
- bij iedere activiteit 1 variant
• een eindspel
• na opstelling kern moet je controleren of de lln veelzijdig bewegen
bv. op de terugweg een andere vaardigheid dan het onderwerp
1. Omloop:
werk je maar 1 activiteit in de kern uit met veel verschillende varianten en een spel.
2. Golven:
gaan we ervan uit dat je voldoende tijd hebt om 3 activiteiten met telkens een variant uit de te
voeren in de kern. Bij een klassikale les kan het zijn dat door tijdsgebrek (bv. wandeling naar de
turnzaal, veel tijd verliezen met omkleden,…) niet alle onderdelen van de kern van de les
uitgevoerd kunnen worden. Je kan er dan voor opteren om een variant te laten vallen
3. Bij een nieuwe vaardigheid
- kern uit 2 delen
- kern wordt gestart met ene instruerend deel
- lkr moet lln efficiënt begeleiden
- daarna nadruk op inoefenen en herhalen van nieuwe vaardigheid
Slot
• 10 min
• lichaam tot rust
Oefenvormen voor het slot:
- Leergesprek (bespreking van spel/de oefening/controleren of de doelen bereikt werden)
- Lichaamsoefeningen rond spanning en ontspanning
- Ademhalingsoefeningen
- Lenigheidsoefeningen
- Andere activiteiten bv. zintuigspel, massage, …
4. Actief
De oefeningen moeten actief zijn en lln de kans geven om veel te bewegen in 1 les
5. Werkvorm
Jezelf de vraag stellen of de activiteit toepasbaar is binnen de werkvorm.
4
Inleiding
Bewegen is belangrijk: aanbevelingen
De bewegingsdriehoek:
• Lang stilzitten is ongezond en krijgt een oranje plaats
in de bewegingsdriehoek.
• Je kan liever niet te veel stilzitten aan 1 stuk.
• De bewegingsdriehoek raadt aan elk halfuur
even recht te staan, kort te bewegen of een
bewegingstussendoortje te doen.
• Je beweegt best licht, matig en hoog intensief.
• De voedings- en bewegingsdriehoek wil tonen wat je best eet,
hoeveel je best beweegt en hoe je dat precies doet.
WHO zegt: 2 uren/dag bewegen
Op school: 2u per week LO, bewegingstussendoortjes, sportdagen
Vlaamse gezondheidsaanbevelingen (2021) voor kinderen:
Bewegen:
• Grootste deel van de dag
• 1u/dag tot
• 3 dagen/week: (specifieke activiteiten om grote spieren en botten te versterken)
• Variatie: verschillende bewegingsvaardigheden in verschillende omgevingen
Stilzitten:
• Langdurige periodes van stilzitten beperken en regelmatig onderbreken
(bv. zitten in kinderstoel).
• Schermtijd beperken tot maximaal 1 uur per dag.
• In geval van sedentaire activiteiten worden activiteiten zonder elektronische media
aangemoedigd
Slapen:
• 10-13 uren
1
,De 4 ontwikkelingsgebieden
Motorische ontwikkeling = bewegingsvaardigheden, de wijze waarop een kind beweegt
Bv. springen, klimmen, touwspringen, koprol, oog-handoördinatie, balgevoel, evenwicht
balanceren, motorische vaardigheden
Dynamisch-affectieve ontwikkeling (individueel en sociaal) = positief zelfbeeld, leerling in
zijn relatie met de omgeving.
Bv. zelfvertrouwen, sportieve mindset (fairplay), samenspelen, durf, luisteren naar instructies
Fysieke ontwikkeling (conditie) = KLUS: Kracht, Lenigheid, Uithouding, Kracht, Snelheid ->
conditionele vaardigheden om motorische vaardigheden te leren.
Cognitieve ontwikkeling (kennis) = inhoud van een begrip kennen, inzicht en kennis
over bewegingen. Bv. kennismaken met verschillende sporten, nadenken over de beweging
De hoofddoelstellingen
Minimumdoelen Ontwikkelingsgebied
Motorische competenties en Motorische ontwikkeling
fysieke competenties Fysieke ontwikkeling
Zelfconcept en interactie in groep Individueel en sociaal dynamische affectieve
ontwikkeling
/ Cognitieve ontwikkeling
Attitude: gezonde levensstijl
SOIBR-pijl
SOIBR:
• Selectie activiteiten
• Organisatie
• Instructie
• Begeleiding
• Reflectie
2
,1. Selectie activiteiten
Mentor moet weten:
• wat het lesonderwerp is
• welke werkvorm je toepast
• wat de beginsituatie is van de lln
• welke doelen je moet nastreven
Vervolgens ga je geschikte bronnen raadplegen (cursus, handboek, bib, inernet, …)
- belangrijke bronnen (activiteiten in kern) → multimove en sportnack
- verplichte bron → uitbouwfactoren van het ZILL
1. Aansluiten bij lesonderwerp:
• gekozen activiteiten moeten overeenkomen met gekozen lesonderwerp
• meestal een fundamentele motorische vaardigheid
(tenzij lkr een ander ontwikkelingsgebied kiest)
Bv. fysieke, dynamisch-affectieve of cognitieve ontwikkeling
2. Aansluiten bij de doelen:
• elke activiteit moet aansluiten bij de doelstellingen van de les
3. Aansluiten bij de lesfases
• 3 lesfases: opwarming, kern & slot (10 min 1 rustgevende activiteit)
• Mogelijkheid: les starten met korte inleiding, sfeerschepping voor de opwarming (max 3min)
Opwarming
• 10 min
• 2 activiteiten
- 1 activerende oefening (bv. lopen, springen, huppelen, hinken, …)
- 1 oefening met fysieke ontwikkeling (uithoudingsoefening, snelheidsoefening, ...)
4 doelen:
- energie kunnen ontladen (spontane bewegingsdrang)
- lln moeten in een korte periode in de sfeer van de les komen (10’)
- hart, bloedsomloop & ademhaling worden gestimuleerd
- blessurepreventie
• plezierige bewegingsvormen die weinig tijd vragen voor uitleg, organisatie, lln kunnen
tegelijkertijd deelnemen
• totaalbeweging → hele lichaam actief
• spelen beperken in opwarming → lln moeten snel kunnen starten met bewegen
3
, Kern
• 30 min
• 3 activiteiten
- bij iedere activiteit 1 variant
• een eindspel
• na opstelling kern moet je controleren of de lln veelzijdig bewegen
bv. op de terugweg een andere vaardigheid dan het onderwerp
1. Omloop:
werk je maar 1 activiteit in de kern uit met veel verschillende varianten en een spel.
2. Golven:
gaan we ervan uit dat je voldoende tijd hebt om 3 activiteiten met telkens een variant uit de te
voeren in de kern. Bij een klassikale les kan het zijn dat door tijdsgebrek (bv. wandeling naar de
turnzaal, veel tijd verliezen met omkleden,…) niet alle onderdelen van de kern van de les
uitgevoerd kunnen worden. Je kan er dan voor opteren om een variant te laten vallen
3. Bij een nieuwe vaardigheid
- kern uit 2 delen
- kern wordt gestart met ene instruerend deel
- lkr moet lln efficiënt begeleiden
- daarna nadruk op inoefenen en herhalen van nieuwe vaardigheid
Slot
• 10 min
• lichaam tot rust
Oefenvormen voor het slot:
- Leergesprek (bespreking van spel/de oefening/controleren of de doelen bereikt werden)
- Lichaamsoefeningen rond spanning en ontspanning
- Ademhalingsoefeningen
- Lenigheidsoefeningen
- Andere activiteiten bv. zintuigspel, massage, …
4. Actief
De oefeningen moeten actief zijn en lln de kans geven om veel te bewegen in 1 les
5. Werkvorm
Jezelf de vraag stellen of de activiteit toepasbaar is binnen de werkvorm.
4