Onderzoekspracticum 2: video’s
[1] Independent samples t-toets
1A: Designs
1: Experimenteel design: 3 gouden regels
1. Je manipuleert tenminste één variabele. Dat is de variabele waarvan je wil weten of het
een effect heeft of niet.
2. Zorg voor vergelijkbare groepen. De groep die de manipulatie ontvangt en de groep die de
manipulatie niet ontvangt moeten vergelijkbaar zijn.
3. Houd alle andere variabelen strikt gelijk.
2: Experimenteel onderzoek
Er wordt een random assignment toegewezen. De ene persoon ontvangt conditie 1 en de andere
persoon ontvangt conditie 2. Beide ontvangen zij daarna een meting.
3: Maar …
In de praktijk ligt het bovenstaande model complexer. Er zijn bepaalde eigenschappen die niet te
manipuleren zijn. Dit zijn eigenschappen die bij een participant horen en deze worden subject
variabelen genoemd. Een voorbeeld hiervan is oogkleur. Dit hoort bij de participant en kan dus
niet gemanipuleerd worden. Op deze manier ontstaan er problemen in de uitvoer van het ideale
experimentele design.
Een andere overweging zit in de vooraf bestaande verschillen. Mensen verschillen op bepaalde
aspecten van elkaar. Voor leesvaardigheid geldt dat er kinderen kunnen zijn die van nature al hoger
scoren op leesvaardigheid dan andere kinderen. Uit onderzoek is gebleken dat meisjes meer lezen
dan jongens en sommige kinderen meer motivatie hebben om te lezen, zij scoren daarom hoger
dan andere kinderen. Het is niet eerlijk om kinderen die al hoog scoren in te delen in een groep die
een interventie ontvangt om de leesvaardigheid te verbeteren en kinderen die laag scoren in te
delen in een groep die geen interventie ontvangt.
4: Matched-subjects designs
Een mogelijke oplossing is een matched-subject design. Bij dit ontwerp worden proefpersonen
verdeeld in groepjes op basis van belangrijke subject variabelen. Bijvoorbeeld bij een onderzoek
naar leesvaardigheid eerst in kaart brengen hoe het gesteld is met de leesvaardigheid van de
participanten. Je maakt daarna bijvoorbeeld een groep met mensen die hoog scoren en een groep
met mensen die laag scoren. Daarna maak je paren met mensen die ongeveer even hoog scoren.
Hierna worden de paren verdeeld in een behandelgroep en controlegroep. Dit wordt alleen gedaan
bij variabelen die van belang zijn voor het beantwoorden van de onderzoeksvraag!
1
,5: Oneway within subjects design
Een andere optie is om niet twee groepen met elkaar te vergelijken. Je kunt er ook voor kiezen om
participanten alle condities te laten doorlopen. Een participant wordt zijn eigen vergelijk. Dit wordt
een oneway within subject design genoemd. Denk hierbij aan bijvoorbeeld een voor- en nameting
bij de participanten. Alle participanten ontvangen dan een bepaalde behandeling. Hierna wordt
een meting gedaan en de persoon wordt met zichzelf vergeleken.
6: Voorbeeld within subject design
Een juf heeft gelezen dat er twee manieren zijn waarop kinderen op jonge leeftijd beter
ontwikkelen op het geheugen. De juf wil graag weten hoe dat zit in haar klas. Enerzijds kan ze rustig
een boekje lezen, zodat de kinderen zich daarna rustig kunnen concentreren op een
geheugentaak. Anderzijds kunnen de kinderen rennen en zich daarna rustig concentreren op een
geheugentaak. De juf besluit om beide methoden uit te testen. In de ochtend laat ze de kinderen
rennen en daarna laat ze de kinderen een geheugentaak doen. In de middag leest zij een boekje
voor en laat zij daarna de kinderen een geheugentaak doen.
7: Repeated measures design
Herhaalde metingen.
Voordelen:
• Meer power door gelijke groepen. De groepen zijn vergelijkbaar.
• Minder deelnemers nodig. Je hebt één groep die beide behandelingen (lezen+rennen)
uitvoeren. Je hebt dus maar de helft aan kinderen nodig.
Nadelen:
• Volgorde (order effects). Als de kinderen in de middag weer een geheugentaak doen, zit er
oefening (practice) in. In de middag zijn de kinderen wellicht moe (fatigue) en de kinderen
kunnen wellicht een idee krijgen wat je wil meten (sensitation).
Oplossing: Counterbalacing. Er wordt gehusseld in de volgorde van de taak. De ene helft van de
klas gaat bijvoorbeeld ’s ochtends rennen en ’s middags lezen en vise versa.
2
,1B: Independent samples t-test
1: Independent samples t-test
De indepentent samples t-test is een analysetechniek die gebruikt wordt bij het vergelijken van
twee groepsgemiddelden. Er zijn twee steekproeven van twee onafhankelijke groepen en daarvan
willen we weten of ze wel of niet vanuit dezelfde populatie komen. Het kan zijn of je wil
onderzoeken of er verschil is in het gemiddelde van een controlegroep en een manipulatiegroep.
Er zijn verschillende benamingen voor de independent samples t-test:
• T-toets voor onafhankelijke groepen: de participanten zitten in groep A óf in groep B en
kunnen niet in twee groepen tegelijk zitten.
• Independent t-test.
• Between-subjects t-test.
• Two-sample t-test: je werkt met twee steekproeven.
• MMC: two sample t significance test.
2: De independent samples t-test
Voorwaarden:
1. Eén afhankelijke variabele: continu (interval of ratio).
2. Eén onafhankelijke variabele: categorisch met twee categorieën (condities/levels). Het is
de variabele die de groepen maakt. Bijvoorbeeld man/vrouw, ouders/kind, wel/niet
interventiegroep.
3: Begrijpend lezen
Groep 4A (25 kinderen) werkt met de lesmethode Leeslink. Groep 4B (23 kinderen) gaan aan de
slag met de methode Karakter. Aan het einde van het onderzoek maken alle kinderen dezelfde
leestoets. Is er verschil in gemiddelde leesvaardigheidsscore tussen de groepen?
4: Toetsingsschema
1. Onderzoeksvraag.
2. Hypothesen (één- of tweezijdig).
3. Toetskeuze (assumpties?) + significantieniveau α.
4. Berekening toetsstatistiek + DF.
5. Aflezen p-waarde (tabel D).
6. Beslissing (vergelijk p met α).
7. Inhoudelijke conclusie.
3
, 5: Uitwerking toetsingsschema
1. Onderzoeksvraag Is er een verschil in de gemiddelde leesvaardigheidsscore van kinderen
uit groep 4 die gebruik maken van de leesmethode LeesLink en de
leesmethode Karakter?
Belangrijk is dat je onderzoeksvraag bestaat uit de volgende termen:
gemiddelde score en verschil.
Situatieschets:
Blauw: Groep 4A.
Rood: Groep 4B.
Komen de groepen uit dezelfde populatie of komt het verschil door
toeval?
2. Hypothesen H0: De gemiddelde leesvaardigheidsscore van kinderen uit groep 4 die
de lesmethode LeesLink gebruiken is gelijk aan de gemiddelde
leesvaardigheidsscore van kinderen uit groep 4 die de lesmethode
Karakter gebruiken.
• μ1 = μ2
Ha: De gemiddelde leesvaardigheidsscore van kinderen uit groep 4 die
de lesmethode LeesLink gebruiken is niet gelijk aan de gemiddelde
leesvaardigheidsscore van kinderen uit groep 4 die de lesmethode
Karakter gebruiken.
• μ1 ≠ μ2
3. Toetskeuze Eerst de toetsvoorwaarden controleren. Er is één onafhankelijke
variabele die categorisch is: de kinderen gebruiken óf de methode
LeesLink óf de methode Karakter. De afhankelijke variabele is de
leesvaardigheidsscore.
De Alpha α wordt 0.05.
4
[1] Independent samples t-toets
1A: Designs
1: Experimenteel design: 3 gouden regels
1. Je manipuleert tenminste één variabele. Dat is de variabele waarvan je wil weten of het
een effect heeft of niet.
2. Zorg voor vergelijkbare groepen. De groep die de manipulatie ontvangt en de groep die de
manipulatie niet ontvangt moeten vergelijkbaar zijn.
3. Houd alle andere variabelen strikt gelijk.
2: Experimenteel onderzoek
Er wordt een random assignment toegewezen. De ene persoon ontvangt conditie 1 en de andere
persoon ontvangt conditie 2. Beide ontvangen zij daarna een meting.
3: Maar …
In de praktijk ligt het bovenstaande model complexer. Er zijn bepaalde eigenschappen die niet te
manipuleren zijn. Dit zijn eigenschappen die bij een participant horen en deze worden subject
variabelen genoemd. Een voorbeeld hiervan is oogkleur. Dit hoort bij de participant en kan dus
niet gemanipuleerd worden. Op deze manier ontstaan er problemen in de uitvoer van het ideale
experimentele design.
Een andere overweging zit in de vooraf bestaande verschillen. Mensen verschillen op bepaalde
aspecten van elkaar. Voor leesvaardigheid geldt dat er kinderen kunnen zijn die van nature al hoger
scoren op leesvaardigheid dan andere kinderen. Uit onderzoek is gebleken dat meisjes meer lezen
dan jongens en sommige kinderen meer motivatie hebben om te lezen, zij scoren daarom hoger
dan andere kinderen. Het is niet eerlijk om kinderen die al hoog scoren in te delen in een groep die
een interventie ontvangt om de leesvaardigheid te verbeteren en kinderen die laag scoren in te
delen in een groep die geen interventie ontvangt.
4: Matched-subjects designs
Een mogelijke oplossing is een matched-subject design. Bij dit ontwerp worden proefpersonen
verdeeld in groepjes op basis van belangrijke subject variabelen. Bijvoorbeeld bij een onderzoek
naar leesvaardigheid eerst in kaart brengen hoe het gesteld is met de leesvaardigheid van de
participanten. Je maakt daarna bijvoorbeeld een groep met mensen die hoog scoren en een groep
met mensen die laag scoren. Daarna maak je paren met mensen die ongeveer even hoog scoren.
Hierna worden de paren verdeeld in een behandelgroep en controlegroep. Dit wordt alleen gedaan
bij variabelen die van belang zijn voor het beantwoorden van de onderzoeksvraag!
1
,5: Oneway within subjects design
Een andere optie is om niet twee groepen met elkaar te vergelijken. Je kunt er ook voor kiezen om
participanten alle condities te laten doorlopen. Een participant wordt zijn eigen vergelijk. Dit wordt
een oneway within subject design genoemd. Denk hierbij aan bijvoorbeeld een voor- en nameting
bij de participanten. Alle participanten ontvangen dan een bepaalde behandeling. Hierna wordt
een meting gedaan en de persoon wordt met zichzelf vergeleken.
6: Voorbeeld within subject design
Een juf heeft gelezen dat er twee manieren zijn waarop kinderen op jonge leeftijd beter
ontwikkelen op het geheugen. De juf wil graag weten hoe dat zit in haar klas. Enerzijds kan ze rustig
een boekje lezen, zodat de kinderen zich daarna rustig kunnen concentreren op een
geheugentaak. Anderzijds kunnen de kinderen rennen en zich daarna rustig concentreren op een
geheugentaak. De juf besluit om beide methoden uit te testen. In de ochtend laat ze de kinderen
rennen en daarna laat ze de kinderen een geheugentaak doen. In de middag leest zij een boekje
voor en laat zij daarna de kinderen een geheugentaak doen.
7: Repeated measures design
Herhaalde metingen.
Voordelen:
• Meer power door gelijke groepen. De groepen zijn vergelijkbaar.
• Minder deelnemers nodig. Je hebt één groep die beide behandelingen (lezen+rennen)
uitvoeren. Je hebt dus maar de helft aan kinderen nodig.
Nadelen:
• Volgorde (order effects). Als de kinderen in de middag weer een geheugentaak doen, zit er
oefening (practice) in. In de middag zijn de kinderen wellicht moe (fatigue) en de kinderen
kunnen wellicht een idee krijgen wat je wil meten (sensitation).
Oplossing: Counterbalacing. Er wordt gehusseld in de volgorde van de taak. De ene helft van de
klas gaat bijvoorbeeld ’s ochtends rennen en ’s middags lezen en vise versa.
2
,1B: Independent samples t-test
1: Independent samples t-test
De indepentent samples t-test is een analysetechniek die gebruikt wordt bij het vergelijken van
twee groepsgemiddelden. Er zijn twee steekproeven van twee onafhankelijke groepen en daarvan
willen we weten of ze wel of niet vanuit dezelfde populatie komen. Het kan zijn of je wil
onderzoeken of er verschil is in het gemiddelde van een controlegroep en een manipulatiegroep.
Er zijn verschillende benamingen voor de independent samples t-test:
• T-toets voor onafhankelijke groepen: de participanten zitten in groep A óf in groep B en
kunnen niet in twee groepen tegelijk zitten.
• Independent t-test.
• Between-subjects t-test.
• Two-sample t-test: je werkt met twee steekproeven.
• MMC: two sample t significance test.
2: De independent samples t-test
Voorwaarden:
1. Eén afhankelijke variabele: continu (interval of ratio).
2. Eén onafhankelijke variabele: categorisch met twee categorieën (condities/levels). Het is
de variabele die de groepen maakt. Bijvoorbeeld man/vrouw, ouders/kind, wel/niet
interventiegroep.
3: Begrijpend lezen
Groep 4A (25 kinderen) werkt met de lesmethode Leeslink. Groep 4B (23 kinderen) gaan aan de
slag met de methode Karakter. Aan het einde van het onderzoek maken alle kinderen dezelfde
leestoets. Is er verschil in gemiddelde leesvaardigheidsscore tussen de groepen?
4: Toetsingsschema
1. Onderzoeksvraag.
2. Hypothesen (één- of tweezijdig).
3. Toetskeuze (assumpties?) + significantieniveau α.
4. Berekening toetsstatistiek + DF.
5. Aflezen p-waarde (tabel D).
6. Beslissing (vergelijk p met α).
7. Inhoudelijke conclusie.
3
, 5: Uitwerking toetsingsschema
1. Onderzoeksvraag Is er een verschil in de gemiddelde leesvaardigheidsscore van kinderen
uit groep 4 die gebruik maken van de leesmethode LeesLink en de
leesmethode Karakter?
Belangrijk is dat je onderzoeksvraag bestaat uit de volgende termen:
gemiddelde score en verschil.
Situatieschets:
Blauw: Groep 4A.
Rood: Groep 4B.
Komen de groepen uit dezelfde populatie of komt het verschil door
toeval?
2. Hypothesen H0: De gemiddelde leesvaardigheidsscore van kinderen uit groep 4 die
de lesmethode LeesLink gebruiken is gelijk aan de gemiddelde
leesvaardigheidsscore van kinderen uit groep 4 die de lesmethode
Karakter gebruiken.
• μ1 = μ2
Ha: De gemiddelde leesvaardigheidsscore van kinderen uit groep 4 die
de lesmethode LeesLink gebruiken is niet gelijk aan de gemiddelde
leesvaardigheidsscore van kinderen uit groep 4 die de lesmethode
Karakter gebruiken.
• μ1 ≠ μ2
3. Toetskeuze Eerst de toetsvoorwaarden controleren. Er is één onafhankelijke
variabele die categorisch is: de kinderen gebruiken óf de methode
LeesLink óf de methode Karakter. De afhankelijke variabele is de
leesvaardigheidsscore.
De Alpha α wordt 0.05.
4