H1: inleiding
Stakeholders:
Interne belanghebbenden:
Eigen werknemers
o Inkomen
o Carrièremogelijkheden
o Extralegale voordelen (bv maaltijdcheques, bedrijfswagen, …)
o Prestige en werksfeer
o Locatie en werkzekerheid
Ze willen stabiliteit en goede arbeidsomstandigheden
Eigen management
o Macht en beslissingsbevoegdheid
o Uitbouw van een professioneel netwerk
o Goede bedrijfsresultaten, vaak met focus op kortetermijnwinst
Succes van het bedrijf versterkt hun positie
Aandeelhouders
o Dividend (winstuitkering)
o Lange termijn groei van de onderneming
o Stijgende aandelenkoers
Ze willen rendement op hun investeringen
Raad van bestuur
o Controle op het management
o Strategische beslissingen
1
, o Bescherming van de belangen van aandeelhouders en het bedrijf
Externe belanghebbenden:
Klanten
o Goede kwaliteit
o Snelle levering
o Eerlijke prijs
Ontevreden klanten leiden tot omzetverlies
Leveranciers
o Tijdige betaling
o Langdurige samenwerking
o Stabiele afname
Vermogensverschaffers: investeerders, banken, …
o Vaak stabiliteit
o Zekerheid dat leningen worden terugbetaald
o Beperkt risico
Overheid
o Naleving van wetten en regels
o Belastingen innen
o Werkgelegenheid en economische groei
Concurrenten
o Eerlijke concurrentie
o Duidelijke marktregels
Belangenorganisaties en -groeperingen:
o Vakbonden: verdedigen werknemersrechten
o Consumentenorganisaties: beschermen consument
o Brancheorganisaties: vertegenwoordigen bedrijven binnen een sector
Belanghebbenden:
2
,H2: strategie
Strategie beschrijft de langetermijndoelen van een organisatie en de inzet van middelen en
activiteiten om die doelen te realiseren.
Kerncompetenties (Hamel en Prahalad):
1. Moeilijk te imiteren
2. Breed toepasbaar
3. Voordeel voor klant
1. Strategische types
1.1 Porter (1980):
Porter legt de nadruk op de
concurrentiepositie van een
onderneming en het belang om
zich duidelijk te onderscheiden
in de ogen van de klant.
Volgens Porter moet een
onderneming bewust kiezen hoe ze wil concurreren, anders raakt ze “stuck in the middle”.
Belangrijk idee:
Concurrentievoordeel ontstaat door lage kosten of differentiatie.
1.2. Lambrecht en Broekaert (2008):
Zij onderscheiden verschillende
strategische types, gebaseerd op hoe
ondernemingen waarde creëren voor
klanten:
Prijsleider
o Streeft naar laagste prijs
o Efficiënte productie en
kostenbeheersing zijn
cruciaal
Voorbeeld: discountwinkels
Merkenbouwer
o Wil een merk zo bekend en sterk mogelijk maken
o Investeert veel in marketing en imago
Voorbeeld: grote A-merken
Vakman
o Focus op kwaliteit en vakmanschap
o Vaak hogere prijs, maar betere afwerking
Voorbeeld: ambachtelijke producenten
3
, Partner
o Levert maatwerk en werkt nauw samen met klanten
o Klanten zijn bereid meer te betalen
Voorbeeld: consultancybedrijven
Vernieuwer
o Willen de eerste met nieuwe producten op de markt zijn
o Niet altijd goede kwaliteit omdat het de eerste op de markt is.
o Innovatie staat centraal
Voorbeeld: startups met nieuwe technologie
Zakenman
o Richt zich op relaties en netwerken
o Probeert kansen snel te benutten en als eerste aanwezig te zijn
Deze types tonen dat er verschillende manieren van differentiatie bestaan
1.3. Klantwaardestrategieën van Treacy en Wiersema
-> Klantwaarde is het geheel van de product- en
servicevoordelen zoals de klant deze ervaart en waarvoor hij
bereid is te betalen.
Bedrijven moeten uitblinken in één van de volgende
strategieën:
Operational excellence (beste
prijs/kwaliteitverhouding)
Product leadership (beste en meest
innovatieve producten)
Customer intimacy (beste klantenrelatie en maatwerk)
=> in de andere twee moeten ze minstens voldoende goed zijn
1.4. Strategie volgens Mintzberg
5P’s
1. Plan
Vooraf opgesteld actieplan
Geeft richting aan en benoemt acties ⭢ beoogde
strategie.
2. Patroon
Kijkt terug, beschrijft uitgevoerde acties ⭢ gerealiseerde
strategie.
3. Positie
Plaats van de onderneming in haar omgeving
T.o.v. klanten, concurrenten en markt
4. Perspectief
4