PRIVAATRECHT
DEEL I – PERSONEN- EN FAMILIERECHT
HOOFDSTUK 1 – DE MENS
Afdeling 1 – Bestaan van de fysieke persoon
1. Begrip rechtspersoonlijkheid
Rechtspersoonlijkheid is het vermogen om drager te zijn van rechten
en plichten. Enkel wie rechtspersoonlijkheid bezit, kan:
rechten verwerven (bv. eigendom, erfenis),
verplichtingen aangaan,
optreden in het rechtsverkeer.
De fysieke persoon (mens) is het oorspronkelijke rechtssubject in het
privaatrecht.
2. Begin van de rechtspersoonlijkheid: de geboorte
2.1 Principe
De rechtspersoonlijkheid:
begint bij de geboorte,
eindigt bij de dood.
Niet elke geboorte volstaat: het kind moet:
1. levend geboren zijn
2. levensvatbaar zijn
Pas dan ontstaat rechtspersoonlijkheid.
2.2 Het ongeboren kind (nasciturusregel)
Hoewel het ongeboren kind geen rechtspersoonlijkheid heeft, kent het
recht onder bepaalde voorwaarden toch rechten toe.
Voorbeelden:
erven,
, schenkingen ontvangen,
erkenning.
Voorwaarden:
het kind moet reeds verwekt zijn op het moment dat de rechten
openvallen,
het moet levend en levensvatbaar geboren worden.
Dit is een juridische fictie ter bescherming van belangen, geen
erkenning van rechtspersoonlijkheid vóór de geboorte.
3. Embryobescherming
De vooruitgang van de medische wetenschap maakte een specifiek
wettelijk kader noodzakelijk.
De embryobescherming regelt onder meer:
onderzoek op embryo’s,
medisch begeleide voortplanting,
het gebruik van gameten en embryo’s.
Kernbeginselen:
Onderzoek op embryo’s is onder voorwaarden toegestaan.
Reproductief klonen is verboden.
Eugenetische toepassingen zijn verboden.
Embryo’s mogen niet commercieel worden gebruikt.
Het embryo heeft geen rechtspersoonlijkheid, maar geniet wettelijke
bescherming.
4. Abortus
4.1 Historische evolutie
Oorspronkelijk was elke opzettelijke zwangerschapsonderbreking strafbaar.
Sinds de hervormingen is abortus onder voorwaarden niet strafbaar.
4.2 Huidig juridisch kader
,Vrijwillige zwangerschapsafbreking is niet strafbaar indien cumulatief
voldaan is aan wettelijke voorwaarden, waaronder:
verzoek en toestemming van de zwangere vrouw,
uitvoering door een arts,
medische omkadering,
naleving van de wettelijke termijn,
noodsituatie van de vrouw.
Abortus wordt juridisch benaderd als uitsluiting van
strafbaarheid, niet als een subjectief recht.
Zorgverleners kunnen niet verplicht worden mee te werken.
5. Einde van de rechtspersoonlijkheid: de dood
De dood:
beëindigt de fysieke persoon,
beëindigt de rechtspersoonlijkheid.
Dit roept meerdere juridische vraagstukken op.
5.1 Vaststelling van het overlijden
Door medische vooruitgang is overlijden geen ogenblikkelijk feit meer,
maar een proces.
Principe:
een persoon is overleden bij volledige en onomkeerbare
afwezigheid van hersenactiviteit.
Bij orgaantransplantatie:
vaststelling moet gebeuren door meerdere onafhankelijke
artsen.
5.2 Recht om rustig te sterven
Het recht erkent:
de onaantastbaarheid van het sterfbed,
het verbod op therapeutische hardnekkigheid.
, Medische handelingen die het stervensproces kunstmatig verlengen
zonder nut, mogen worden stopgezet.
5.3 Euthanasie
Euthanasie = het opzettelijk levensbeëindigend handelen door een
andere dan de betrokkene, op diens verzoek.
Principe:
euthanasie is strafbaar (doding).
Uitzondering:
euthanasie is niet strafbaar indien strikt voldaan is aan de
wettelijke voorwaarden, o.m.:
o vrijwillig, overwogen en herhaald verzoek,
o medische uitzichtloze toestand,
o ondraaglijk en aanhoudend lijden,
o naleving van procedurele waarborgen.
Belangrijke nuances:
euthanasie is geen mensenrecht,
geen enkele arts is verplicht mee te werken,
correcte euthanasie wordt juridisch beschouwd als een natuurlijke
dood.
6. Medische handelingen zonder oogmerk te doden
Niet elke medische handeling die het overlijden bespoedigt, is euthanasie.
Voorbeelden:
pijnbestrijding met levensverkortend neveneffect,
stopzetting van zinloze behandelingen,
weigering van medische behandeling door een wilsbekwame patiënt.
Bij minderjarigen kan de rechter tussenkomen bij weigering door ouders.
7. Rechtstatuut van het lijk
DEEL I – PERSONEN- EN FAMILIERECHT
HOOFDSTUK 1 – DE MENS
Afdeling 1 – Bestaan van de fysieke persoon
1. Begrip rechtspersoonlijkheid
Rechtspersoonlijkheid is het vermogen om drager te zijn van rechten
en plichten. Enkel wie rechtspersoonlijkheid bezit, kan:
rechten verwerven (bv. eigendom, erfenis),
verplichtingen aangaan,
optreden in het rechtsverkeer.
De fysieke persoon (mens) is het oorspronkelijke rechtssubject in het
privaatrecht.
2. Begin van de rechtspersoonlijkheid: de geboorte
2.1 Principe
De rechtspersoonlijkheid:
begint bij de geboorte,
eindigt bij de dood.
Niet elke geboorte volstaat: het kind moet:
1. levend geboren zijn
2. levensvatbaar zijn
Pas dan ontstaat rechtspersoonlijkheid.
2.2 Het ongeboren kind (nasciturusregel)
Hoewel het ongeboren kind geen rechtspersoonlijkheid heeft, kent het
recht onder bepaalde voorwaarden toch rechten toe.
Voorbeelden:
erven,
, schenkingen ontvangen,
erkenning.
Voorwaarden:
het kind moet reeds verwekt zijn op het moment dat de rechten
openvallen,
het moet levend en levensvatbaar geboren worden.
Dit is een juridische fictie ter bescherming van belangen, geen
erkenning van rechtspersoonlijkheid vóór de geboorte.
3. Embryobescherming
De vooruitgang van de medische wetenschap maakte een specifiek
wettelijk kader noodzakelijk.
De embryobescherming regelt onder meer:
onderzoek op embryo’s,
medisch begeleide voortplanting,
het gebruik van gameten en embryo’s.
Kernbeginselen:
Onderzoek op embryo’s is onder voorwaarden toegestaan.
Reproductief klonen is verboden.
Eugenetische toepassingen zijn verboden.
Embryo’s mogen niet commercieel worden gebruikt.
Het embryo heeft geen rechtspersoonlijkheid, maar geniet wettelijke
bescherming.
4. Abortus
4.1 Historische evolutie
Oorspronkelijk was elke opzettelijke zwangerschapsonderbreking strafbaar.
Sinds de hervormingen is abortus onder voorwaarden niet strafbaar.
4.2 Huidig juridisch kader
,Vrijwillige zwangerschapsafbreking is niet strafbaar indien cumulatief
voldaan is aan wettelijke voorwaarden, waaronder:
verzoek en toestemming van de zwangere vrouw,
uitvoering door een arts,
medische omkadering,
naleving van de wettelijke termijn,
noodsituatie van de vrouw.
Abortus wordt juridisch benaderd als uitsluiting van
strafbaarheid, niet als een subjectief recht.
Zorgverleners kunnen niet verplicht worden mee te werken.
5. Einde van de rechtspersoonlijkheid: de dood
De dood:
beëindigt de fysieke persoon,
beëindigt de rechtspersoonlijkheid.
Dit roept meerdere juridische vraagstukken op.
5.1 Vaststelling van het overlijden
Door medische vooruitgang is overlijden geen ogenblikkelijk feit meer,
maar een proces.
Principe:
een persoon is overleden bij volledige en onomkeerbare
afwezigheid van hersenactiviteit.
Bij orgaantransplantatie:
vaststelling moet gebeuren door meerdere onafhankelijke
artsen.
5.2 Recht om rustig te sterven
Het recht erkent:
de onaantastbaarheid van het sterfbed,
het verbod op therapeutische hardnekkigheid.
, Medische handelingen die het stervensproces kunstmatig verlengen
zonder nut, mogen worden stopgezet.
5.3 Euthanasie
Euthanasie = het opzettelijk levensbeëindigend handelen door een
andere dan de betrokkene, op diens verzoek.
Principe:
euthanasie is strafbaar (doding).
Uitzondering:
euthanasie is niet strafbaar indien strikt voldaan is aan de
wettelijke voorwaarden, o.m.:
o vrijwillig, overwogen en herhaald verzoek,
o medische uitzichtloze toestand,
o ondraaglijk en aanhoudend lijden,
o naleving van procedurele waarborgen.
Belangrijke nuances:
euthanasie is geen mensenrecht,
geen enkele arts is verplicht mee te werken,
correcte euthanasie wordt juridisch beschouwd als een natuurlijke
dood.
6. Medische handelingen zonder oogmerk te doden
Niet elke medische handeling die het overlijden bespoedigt, is euthanasie.
Voorbeelden:
pijnbestrijding met levensverkortend neveneffect,
stopzetting van zinloze behandelingen,
weigering van medische behandeling door een wilsbekwame patiënt.
Bij minderjarigen kan de rechter tussenkomen bij weigering door ouders.
7. Rechtstatuut van het lijk