OEFENTOETS 1 –
Vraag 1
Leg in je eigen woorden het toerekeningsbeginsel uit en geef een
praktisch voorbeeld.
Vraag 2
Waarom is het voorzichtigheidsbeginsel belangrijk voor de
betrouwbaarheid van de jaarcijfers?
Vraag 3
Leg het verschil uit tussen het realisatieprincipe en
het matchingsprincipe. Gebruik een verkoopsituatie als voorbeeld.
Vraag 4
Een onderneming ontvangt in december € 6.000 huur vooruit voor januari
t/m maart.
a. Is dit een ontvangst of een opbrengst in december?
b. Hoe wordt dit verwerkt volgens het toerekeningsbeginsel?
Vraag 5
Noem twee situaties waarin een onderneming winst maakt maar tóch
liquiditeitsproblemen kan krijgen.
ANTWOORDEN OEFENTOETS 1 (beknopt)
1. Kosten en opbrengsten horen bij de periode waarop ze betrekking
hebben, niet bij betaling.
2. Verliezen worden niet uitgesteld; cijfers zijn realistischer.
3. Realisatie = pas boeken bij levering, matching = kosten bij
opbrengsten.
4. Ontvangst in december, opbrengsten verdeeld over jan–mrt.
5. Verkoop op rekening, hoge investeringen.
, OEFENTOETS 2 – Kosten, Uitgaven, Opbrengsten, Ontvangsten
Vraag 1
Geef per situatie aan of sprake is van kosten, uitgaven, opbrengsten
en/of ontvangsten:
a. Betaling van een machine van € 12.000
b. Jaarlijkse afschrijving van € 2.000
c. Verkoop op rekening van € 5.000
d. Ontvangst betaling debiteur
e. Betaling BTW aan de Belastingdienst
Vraag 2
Leg uit waarom afschrijvingen wel kosten zijn maar geen uitgaven.
Vraag 3
Waarom staat BTW niet in de exploitatiebegroting, maar wel in de
liquiditeitsbegroting?
Vraag 4
Wat is het verschil tussen kasstelsel en factuurstelsel, en welk stelsel
wordt gebruikt in Finance 2?
ANTWOORDEN OEFENTOETS 2 (beknopt)
a. Uitgave
b. Kosten
c. Opbrengst
d. Ontvangst
e. Uitgave
BTW beïnvloedt geldstromen, niet het resultaat.
OEFENTOETS 3 – Boekhouden & Boekhoudregels
Vraag 1
Leg uit waarom elke journaalpost altijd in evenwicht moet zijn.
Vraag 1
Leg in je eigen woorden het toerekeningsbeginsel uit en geef een
praktisch voorbeeld.
Vraag 2
Waarom is het voorzichtigheidsbeginsel belangrijk voor de
betrouwbaarheid van de jaarcijfers?
Vraag 3
Leg het verschil uit tussen het realisatieprincipe en
het matchingsprincipe. Gebruik een verkoopsituatie als voorbeeld.
Vraag 4
Een onderneming ontvangt in december € 6.000 huur vooruit voor januari
t/m maart.
a. Is dit een ontvangst of een opbrengst in december?
b. Hoe wordt dit verwerkt volgens het toerekeningsbeginsel?
Vraag 5
Noem twee situaties waarin een onderneming winst maakt maar tóch
liquiditeitsproblemen kan krijgen.
ANTWOORDEN OEFENTOETS 1 (beknopt)
1. Kosten en opbrengsten horen bij de periode waarop ze betrekking
hebben, niet bij betaling.
2. Verliezen worden niet uitgesteld; cijfers zijn realistischer.
3. Realisatie = pas boeken bij levering, matching = kosten bij
opbrengsten.
4. Ontvangst in december, opbrengsten verdeeld over jan–mrt.
5. Verkoop op rekening, hoge investeringen.
, OEFENTOETS 2 – Kosten, Uitgaven, Opbrengsten, Ontvangsten
Vraag 1
Geef per situatie aan of sprake is van kosten, uitgaven, opbrengsten
en/of ontvangsten:
a. Betaling van een machine van € 12.000
b. Jaarlijkse afschrijving van € 2.000
c. Verkoop op rekening van € 5.000
d. Ontvangst betaling debiteur
e. Betaling BTW aan de Belastingdienst
Vraag 2
Leg uit waarom afschrijvingen wel kosten zijn maar geen uitgaven.
Vraag 3
Waarom staat BTW niet in de exploitatiebegroting, maar wel in de
liquiditeitsbegroting?
Vraag 4
Wat is het verschil tussen kasstelsel en factuurstelsel, en welk stelsel
wordt gebruikt in Finance 2?
ANTWOORDEN OEFENTOETS 2 (beknopt)
a. Uitgave
b. Kosten
c. Opbrengst
d. Ontvangst
e. Uitgave
BTW beïnvloedt geldstromen, niet het resultaat.
OEFENTOETS 3 – Boekhouden & Boekhoudregels
Vraag 1
Leg uit waarom elke journaalpost altijd in evenwicht moet zijn.