Hier is de genummerde lijst van alle vragen en termen die je hebt gegeven:
1. Correspondence bias = fundamentele attributiefout
2. onderschatting van de rol van de situatie
3. diffusion of responsibility
4. het verschijnsel waarbij het verantwoordelijkheidsgevoel van elke omstander afneemt
naarmate het aantal getuigen toeneemt
5. pluralistic ignorance
6. het fenomeen waarbij mensen in een groep de overtuigingen van anderen verkeerd
interpreteren omdat iedereen zich anders gedraagt dan hij of zij zich voelt
7. hindsight bias
8. wijsheid achteraf
9. self-fulfilling prophecy
10. Je verwacht dat jij of een ander persoon zich op een bepaalde manier zou gedragen dus
daarom gedraag jij je op zo'n manier om jouw verwachting te laten uitkomen
11. confound
12. Onderliggende factor die (beide) variabelen beïnvloed
13. demand characteristics
14. hints (bewust of onbewust) die ervoor zorgen dat de proefpersoon kan bepalen wat de
hypothese is van het onderzoek
15. etnografie
16. methode waarbij een onderzoeker probeert een groep of cultuur te begrijpen door die
van binnenuit te observeren, zonder de groep zijn eigen normen en waarden op te leggen
17. Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid
18. de mate van overeenkomst tussen de resultaten van twee of meer mensen die
onafhankelijk van elkaar een dataset observeren en coderen
19. sociale cognitie
20. het denken over onszelf en anderen
21. basisprocessen van sociale cognitie
22. 1. Aandacht (informatie selecteren)
, 23. 2. Interpretatie (informatie betekenis geven)
24. 3. Oordeel (informatie integreren/gebruiken)
25. 4. Geheugen (informatie opslaan voor toekomstig gebruik)
26. doelen van sociale cognitie
27. 1. Zuinigheid/efficiëntie
28. 2. Zelfbeeld beschermen
29. 3. Accuraat zijn
30. Simplificatie strategieën
31. 1. Schema's
32. 2. Dispositionele gevolgtrekking
33. 3. Heuristieken
34. schema
35. mentale structuur waarmee we onze kennis over de sociale wereld organiseren
36. script
37. een schema over een specifieke gebeurtenis
38. stereotype
39. een schema over een groep mensen
40. zelf schema
41. de ideale zelf (wil ik) vs. de zou-moeten zelf (verwachting van anderen)
42. Dispositionele inferenties
43. de neiging van mensen om gedrag toe te schrijven aan de persoon en niet aan de situatie
44. heuristieken
45. Mentale snelkoppelingen die mensen gebruiken om snel en efficiënt te oordelen
46. representativiteitsheuristiek
47. hoeveel lijkt het op wat je kent?
48. Beschikbaarheids- (availability) heuristiek
49. hoe beschikbaar heb je het in je geheugen?
50. Verankering en aanpassingsheuristiek
1. Correspondence bias = fundamentele attributiefout
2. onderschatting van de rol van de situatie
3. diffusion of responsibility
4. het verschijnsel waarbij het verantwoordelijkheidsgevoel van elke omstander afneemt
naarmate het aantal getuigen toeneemt
5. pluralistic ignorance
6. het fenomeen waarbij mensen in een groep de overtuigingen van anderen verkeerd
interpreteren omdat iedereen zich anders gedraagt dan hij of zij zich voelt
7. hindsight bias
8. wijsheid achteraf
9. self-fulfilling prophecy
10. Je verwacht dat jij of een ander persoon zich op een bepaalde manier zou gedragen dus
daarom gedraag jij je op zo'n manier om jouw verwachting te laten uitkomen
11. confound
12. Onderliggende factor die (beide) variabelen beïnvloed
13. demand characteristics
14. hints (bewust of onbewust) die ervoor zorgen dat de proefpersoon kan bepalen wat de
hypothese is van het onderzoek
15. etnografie
16. methode waarbij een onderzoeker probeert een groep of cultuur te begrijpen door die
van binnenuit te observeren, zonder de groep zijn eigen normen en waarden op te leggen
17. Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid
18. de mate van overeenkomst tussen de resultaten van twee of meer mensen die
onafhankelijk van elkaar een dataset observeren en coderen
19. sociale cognitie
20. het denken over onszelf en anderen
21. basisprocessen van sociale cognitie
22. 1. Aandacht (informatie selecteren)
, 23. 2. Interpretatie (informatie betekenis geven)
24. 3. Oordeel (informatie integreren/gebruiken)
25. 4. Geheugen (informatie opslaan voor toekomstig gebruik)
26. doelen van sociale cognitie
27. 1. Zuinigheid/efficiëntie
28. 2. Zelfbeeld beschermen
29. 3. Accuraat zijn
30. Simplificatie strategieën
31. 1. Schema's
32. 2. Dispositionele gevolgtrekking
33. 3. Heuristieken
34. schema
35. mentale structuur waarmee we onze kennis over de sociale wereld organiseren
36. script
37. een schema over een specifieke gebeurtenis
38. stereotype
39. een schema over een groep mensen
40. zelf schema
41. de ideale zelf (wil ik) vs. de zou-moeten zelf (verwachting van anderen)
42. Dispositionele inferenties
43. de neiging van mensen om gedrag toe te schrijven aan de persoon en niet aan de situatie
44. heuristieken
45. Mentale snelkoppelingen die mensen gebruiken om snel en efficiënt te oordelen
46. representativiteitsheuristiek
47. hoeveel lijkt het op wat je kent?
48. Beschikbaarheids- (availability) heuristiek
49. hoe beschikbaar heb je het in je geheugen?
50. Verankering en aanpassingsheuristiek