100% satisfaction guarantee Immediately available after payment Both online and in PDF No strings attached 4.6 TrustPilot
logo-home
Summary

Samenvatting - Functieleer

Rating
-
Sold
-
Pages
72
Uploaded on
18-01-2026
Written in
2025/2026

een volledige samenvatting van het vak functieleer deel 1 in het eerste jaar psychologie gegeven door professor Wagemans, het document is volledig met alle begrippen in het blauw en vet aangeduid en alle experimenten van de prof zelf worden extra in het rood aangeduid. de titels volgen bij de curus waardoor je makkelijk in het boek kunt volgen bij extra vragen.

Show more Read less
Institution
Course











Whoops! We can’t load your doc right now. Try again or contact support.

Written for

Institution
Study
Course

Document information

Uploaded on
January 18, 2026
Number of pages
72
Written in
2025/2026
Type
Summary

Subjects

Content preview

Functieleer deel 1
Hoofdstuk 1 – Situering van psychologie als
wetenschap en functieleer als basisdomein
Wat is psychologie?
 Verschillende betekenissen:
o Alledaagse psychologie. (het gedrag van anderen verklaren)
o Toegepaste psychologie.
o Psychologie als wetenschap.

Begripsomschrijving
 Grieks: psyche (ziel/geest) + logos (woord/leer) → “zielkunde”. = wetenschap van de geest.
 Belangrijk onderscheid: geest – lichaam (mind-body problem).
 Plato: andere wetten voor de geest; rol van vrije wil.

René Descartes (1596–1650)
 Dualisme: geest en lichaam gescheiden. Het zijn verschillende dingen.
o res cogitans (denkend ding) vs. res extensa (uitgebreide substantie).
o Interactie via pijnappelklier (epifyse).
 Centraal gelegen
 Niet gelateraliseerd
 Niet correct  melatonine-productie

Pupilgrootte
 Fysisch aspect: reflexmatige lichtregeling.
 Mentaal aspect: beïnvloed door interesse of emotie.
 Voorbeeld: pupil groter bij boeiende beelden of personen.

Monisme
 Geest en lichaam zijn één entiteit, twee aspecten ervan.
 Twee vormen:
o Materialisme:
 Volgens de zijnsleer of ontologie enkel het fysische bestaat (materialisme).
 Volgens de kennisleer of epistemologie  alleen het fysische kunnen we wetenschappelijk
bestuderen (reductionisme)
o Idealisme: werkelijkheid enkel gekend via waarneming/denken.
 Epistemologie: we kennen de werkelijkheid enkel via onze zintuigen en ons eigen denken
(idealisme  solipsisme) (iedereen heeft een andere visie en maakt alles anders mee)
 Ontologisch: alles in de natuur heeft een ziel (panpsychisme)

Gustav Theodor Fechner (1801–1887)
 Grondlegger van de psychofysica.
 Monist; verwerpt Cartesiaans dualisme.
 Aanhanger van het panpsychisme
 Probeert functionele relatie tussen fysisch en psychisch te beschrijven.
o De psychofysica = het vastleggen van de relatie tussen het psychische
en het fysische
o Verdedigt een monistische visie op de relatie tussen het fysische en het psychische als twee facetten
van hetzelfde.
 Elemente der Psychophysik (1860): begin van de experimentele psychologie.

,Hedendaagse opvatting
 Mentale processen zijn fysisch gebonden, maar niet volledig reduceerbaar.

Psychologie is de wetenschap van het gedrag en de factoren die dat beïnvloeden.

 Psychologie = wetenschap van gedrag en determinanten ervan:
o Fysisch en mentaal.
o Zichtbaar en verborgen. (“black box)
o Meerdere factoren, complexe interacties.

1.2 Hedendaagse definitie vanuit een visie op complexiteit van de psychologie
 Mentale processen zijn verbonden aan fysische systemen, maar niet reduceerbaar daartoe.
 Psychologie = wetenschap van gedrag en beïnvloedende factoren (gedragsdeterminanten):
o Fysisch en mentaal
o Zichtbaar en verborgen (“black box”)
o Meerdere factoren en complexe interacties

Drie voorbeelden:

1. Rorschachtest
2. Hawthorne-onderzoek
3. Betula-studie

Rorschach-inktvlekkentest (Hermann Rorschach 1884 – 1922)

 Persoon projecteert eigen persoonlijkheid in interpretatie van ambigu beeld.
o Elke betekenis in een betekenisloze prikkel moet komen van de persoon zelf.
 Belangrijke perceptuele factoren: vorm, symmetrie (vernietigt de indruk van toeval), beweging, kleur, figuur-
achtergrond.
o Puur perceptueel
o Geheugen
o Emotionele reacties
o Interpretaties in functie van persoonlijkheid
 Pareidolia: herkennen van gezichten/dieren in willekeurige patronen. Ons brein is voortdurend op zoek naar
gekende patronen in toevallige structuren met alge informatie-inhoud.
 Doel: inzicht in individuele verschillen: specifieke factoren (idiografisch) vs. algemene principes/voor
iedereen dezelfde (nomothetisch).

Hawthorne-onderzoek
 Uitgevoerd in de jaren 1920 in de General Electric-fabriek te Hawthorne (VS).
 Hypothese: nagaan of betere werkomstandigheden leiden tot hogere productiviteit via hogere
arbeidstevredenheid.

Werkomstandigheden (stijgt)  arbeidstevredenheid (stijgt)  productiviteit (stijgt)

Resultaten:

Werkomstandigheden  waardering/erkenning  productiviteit

 Productiviteit steeg zowel bij verbeterde als bij verslechterde werkomstandigheden.
 Verklaring: waardering en erkenning door deelname aan onderzoek  verhoogde motivatie.

Conclusies:

 Plausibele verklaringen kunnen fout zijn. De eerste verklaring lijkt juist, maar controle (condities) kunnen
anders bewijzen.
 Nood aan controle en falsificatie (Popper).
 Meerdere verklaringen mogelijk; verborgen factoren spelen mee.

,  Duidelijke operationalisaties vereist. De vertaalslag van het basisconcept, wat je moet vertalen naar dingen
die we observeerbaar zijn

Betula-studie
 Zweedse longitudinale studie over succesvol ouder worden (start 1988).
 Doel: factoren identificeren die succesvol ouder worden voorspellen en vroegtijdige dementie opsporen.
 Design:
o Groot populatieonderzoek.
o Longitudinaal + cross-sectioneel.
o Vijf testmomenten (T1–T5), met meerdere steekproeven (S1–S6) en hoge retentiegraad (±80%).
 Variabelen:
o Cognitief: episodisch geheugen, semantisch geheugen, werkgeheugen, executieve functies, KTG, LGT,
probleemoplossing, enz.
o Tussenin: MRI.
o Niet-cognitief: gezondheid, stress, hormonen, persoonlijkheid, sociale netwerken, genen,
leefomstandigheden.

Belangrijke bevindingen (en trends):

 Top 25% ouderen: hoger opleidingsniveau, meer vrouwen, beter gebit, groter sociaal netwerk, gezonder.
 Complexe relaties tussen onafhankelijke en afhankelijke variabelen. Verloopt soms via variabelen die niet
betrokken zijn in de studie.
 Correlatie ≠ causaliteit. Het één is geen directe oorzaak van het anderen, er kan ook een andere
onderliggende factor zijn.
 Zoeken naar psychologische én niet-psychologische factoren.
 Occam’s razor: eenvoudigste verklaring met zo weinig mogelijk factoren heeft de voorkeur. Goede
verklaringen hebben zo weinig mogelijk factoren.

Wilhelm Dilthey (1833–1911)
 Duits filosoof/psycholoog.
 Onderscheid tussen natuurwetenschappen (verklaren) en geesteswetenschappen (begrijpen).

Natuurwetenschappen:

 Verklaren door wetmatigheden in de natuur en herhaalbare experimenten.

Menswetenschappen:

 Begrijpen door inleving (Einfühlung) en analyse van levende systemen (cultuur, geschiedenis, menselijk
gedrag). Het begrijpen van de mens en zijn doen.

Implicatie voor psychologie

 De natuurwetenschappelijke benadering is volgend Dilthey ongeschikt voor het bestuderen van de
menselijke werkelijkeheid.
 De psychologie mag niet gereduceerd worden tot ervaringen die door een beperkt aantal factoren
veroorzaakt in het labo.
 Psychologie moet zowel verklaren als begrijpen.
 Bestudeert totale ervaring, niet enkel gereduceerde laboratoriumverschijnselen.
 Psychologie = natuur- én geesteswetenschap. Dit maakt de psychologie een unieke discipline.

1.3 De positie van de psychologie naast andere wetenschappen
 Te bekijken via:
o Verwantschap.
o Citatienetwerken. Er wordt in een wetenschappelijke paper verwezen naar andere vakgebieden.
o “Zuiverheid”/abstractie. Menselijke systemen op groepsniveau (socioloog) het is een soort
toegepaste psychologie, toegepast op een groep.

, o Historisch perspectief.

1.4 Basisdomeinen van de psychologie
(Duijker, 1959 – “Nomenclatuur en systematiek in de psychologie”)

1. Methodenleer – fundamenteel: hoe psychologische fenomenen wetenschappelijk onderzocht worden.
2. Functieleer – algemene functies (waarneming, denken, leren, emotie, taal).
3. Persoonlijkheidsleer – wat het individu uniek maakt (ook psychopathologie een afwijkende persoonlijkheid).
4. Ontwikkelingsleer – ontwikkeling doorheen het leven.
5. Gedragsleer – mens in wisselwerking met omgeving (fysisch en sociaal).

Subdomeinen:

 Methodenleer: normatief/descriptief, testpsychologie.
 Persoonlijkheid: typologieën, vaardigheden, abnormaliteit.
 Ontwikkeling: levensfasen van kind tot ouderdom.
 Gedrag: persoon in situatie, relatie tot anderen en communicatie.

1.5 Geschiedenis van de psychologie
 “Lang verleden, korte geschiedenis.” Je kan ver teruggaan (filosofen die ook al dachten) maar de psychologie
als apart vak bestaat nog niet zo lang.
 Filosofie en fysiologie als voorlopers  voorafgaande ontwikkeling
 Start van de psychologie als wetenschap: 1879 (Wundt, Leipzig).
o Psychologie = kind met als moeder de filosofie en als vader de fysiologie

Filosofische voorgeschiedenis

 Rationalisme (Kant): kennis komt uit denken.
 Empirisme: kennis komt uit zintuiglijke ervaring.

Belangrijke denkers:

 John Locke (1632–1704):ervaring als enige bron van kennis. Mens als tabula rasa; kennis uit ervaring (nihil
est in intellectu quod non fuit prius in sensu). Niets is in het verstand dat niet eerder in de zintuigen was.
o Door associaties ga je complexere ideeën verwerven
 George Berkeley (1685–1753): esse est percipi  alles komt voor uit de geest. Idealisme, immaterialisme.
o De externe wereld bestaat enkel uit ideeën
o “Molyneux problem”
 David Hume (1711–1776):basis van psychologie al wetenschap. Impressies en ideeën; belang van associaties;
scepticisme t.a.v. realiteit.
o Solipsisme: we kunnen de realiteit buiten ons niet met zekerheid kennen, ook aan het zelf moeten
we twijfelen.

Fysiologische ontdekkingen

 Charles Bell (1774–1842): onderscheid tussen sensorische (afferente) en motorische (efferente) zenuwen.
 Sntiago Ramón y Cajal: zenuwceltheorie, geheel van zenuwcellen en synapsen = zenuwbaan. Belangrijk voor
atomisme, associationosme
 Studie van reflexen
 Johannes Müller (1801–1858): specifieke zenuwkwaliteiten, leer van specifieke zenuwkwaltiteiten of
zenuwenergie voor verschillende sensoriële kwaliteiten.
 Von Helmholtz (1821–1894): snelheid zenuwtransmissie, theorie van kleurperceptie (3 receptoren),
unbewusster Schluss/ inconscious inference
 Donders (1818–1889): subtractiemethode  mentale chronometrie, het meten van de duur van mentale
processen. (voorloper fMRI door “block design”).

Andere voorlopers
$9.17
Get access to the full document:

100% satisfaction guarantee
Immediately available after payment
Both online and in PDF
No strings attached

Get to know the seller
Seller avatar
sofialancel

Get to know the seller

Seller avatar
sofialancel
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
New on Stuvia
Member since
20 hours
Number of followers
0
Documents
2
Last sold
-

0.0

0 reviews

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Recently viewed by you

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Frequently asked questions