1
NETWERKEN
Kwantitatieve integratie = gemeenschappelijke evidentie voor dezelfde info.
Vb. fotoreceptor bij schemering
Kwalitatieve integratie = verschillende soorten info bundelen. Vb. fotoreceport
en oogbeweging om een object te localiseren
Convergentie = veel informatie bundelen om het te combineren
Temporele summatie = de som van alle evidentie die B krijgt uit A moet hoog
genoeg zijn om B te doen vuren.
Evenwichtszin = beweging van je lichaam ten opzichte van zwaartekracht
Chemoceptie = aanvoelen van chemische stoffen in ons lichaam
Magnetoceptie = aanvoelen van het magnetisch veld van de aarde
Sensatie (objectief proces) = fysieke omgevingsstimuli worden gedetecteerd
door sensorische receptoren en omgezet in neurale activiteit
Perceptie (subjectieve constructie) = interpretatie, ervaring, reactie op deze
sensaties door cellen in het centraal zenuwstelsel
Transductie = omzetting van fysieke stimuli in verandering van
membraanpotentiaal (rechtstreeks beïnvloed door omgeving, niet door andere
cel) in de sensorische receptor cel
Zintuigen = die psychische functies die ons al dan niet bewust informatie
verschaffen over gebeurtenissen in de materiële wereld.
Gespecialiseerde cellen of receptorcellen = elk zintuig heeft cellen die enkel
op dat zintuig afgestemd zijn. Ze zijn heel gespecialiseerd om informatie te
verwerken. Deze cellen detecteren specifieke fysische fenomenen.
Codering = vertaling van actiepotentialen
Receptief veld = heel deel van de ruimte dat de neuronen kunnen waarnemen.
Het receptief veld is de locatie waar de stimulus zich moet bevinden om de
receptorcel te kunnen beïnvloeden. Het receptief veld wordt groter naarmate er
meer informatie geïntegreerd wordt (zoals in een diepere laag van verwerking)
Adaptatie = perceptuele systemen zijn vooral gevoelig voor
verandering/verschillen/contrasten ten opzichte van vorige situatie en geen
absolute, getrouwe representatie van de werkelijkheid.
Relatieve gevoeligheid = proces van adaptatie, mechanisme dat gevoelig is
voor verandering
https://www.stuvia.com/user/lenametdekrullen
, 2
ZICHT
Fotonen reizen ontzettend snel en ver, en hebben zelf geen kleur of vorm.
Objecten laten de fotonen niet, gedeeltelijk of volledig door. Ze absorberen en
weerkaatsen ook bepaalde golflengtes van licht waardoor wij een kleur te zien
krijgen.
Kleur is hoe fel en in welke mate die golven geabsorbeerd en gereflecteerd
worden. De tint wordt bepaald door de golflengte. De intensiteit (helderheid)
wordt bepaald door de amplitude (= hoogste en laagste punt van de golf). De
verzadiging wordt bepaald door de zuiverheid van de golf.
Golflengte bepaald de tint van een object. Langere golflengtes hebben een
rodere tint, kortere golflengtes een blauwere.
Amplitude wordt bepaald door het hoogste en laagste punt van de golf. Een
lagere amplitude betekend een lagere golf. Dit bepaald hoe fel een kleur of licht
ervaren wordt
Zuiverheid van de golflengtes bepaald hoe verzadigd het licht of een kleur
ervaren wordt.
Fixatie = het licht vanuit een bepaald punt valt recht op de fovea
Vergentie = beide ogen bewegen tegelijkertijd in tegenoverstelde beweging.
Het beeld blijft op dezelfde plek van de retina. Wanneer iets dichterbij komt
‘scheler’ kijken.
Volgbewegingen = terwijl een object beweegt door de ruimte gaan je ogen het
object volgen. Patroon kan worden vast gelegd door middel van een eye tracker
Saccades = kleine ‘sprongetjes’ die de ogen maken. Bijvoorbeeld bij lezen, voor
een maximale snelheid en automatisatie
Microsaccades = ogen ‘trillen’ de hele tijd zodat de actieve cellen geinhibeert
blijven bij een gelijk (niet veranderend) beeld. De sensoren blijven reageren op
input waardoor er geen adaptatie plaatsvindt.
Scotopisch zicht = nachtzicht op basis van de staafjes, er wordt geen kleur
waargenomen
Mesopisch zicht = kleur kan gezien worden
Fotopisch zicht = saturatie van de staafjes, er is een duidelijke kleur zichtbaar
en de beste scherpte
Transiënte respons = respons op aanhoudende stimulus waardoor er minder
reactie is op een aanhoudende lichtbron. = relatieve gevoeligheid
Optisch chiasma = optische kruising. Neurale banen van de nasale hemiretina
die info sturen richting thalamus kruisen de banen van de temporale hemiretina.
Retinotopsiche of visuotopsiche organisatie: bij elkaar liggende info
projecteert naar bij elkaar gelegen neuronen
https://www.stuvia.com/user/lenametdekrullen
NETWERKEN
Kwantitatieve integratie = gemeenschappelijke evidentie voor dezelfde info.
Vb. fotoreceptor bij schemering
Kwalitatieve integratie = verschillende soorten info bundelen. Vb. fotoreceport
en oogbeweging om een object te localiseren
Convergentie = veel informatie bundelen om het te combineren
Temporele summatie = de som van alle evidentie die B krijgt uit A moet hoog
genoeg zijn om B te doen vuren.
Evenwichtszin = beweging van je lichaam ten opzichte van zwaartekracht
Chemoceptie = aanvoelen van chemische stoffen in ons lichaam
Magnetoceptie = aanvoelen van het magnetisch veld van de aarde
Sensatie (objectief proces) = fysieke omgevingsstimuli worden gedetecteerd
door sensorische receptoren en omgezet in neurale activiteit
Perceptie (subjectieve constructie) = interpretatie, ervaring, reactie op deze
sensaties door cellen in het centraal zenuwstelsel
Transductie = omzetting van fysieke stimuli in verandering van
membraanpotentiaal (rechtstreeks beïnvloed door omgeving, niet door andere
cel) in de sensorische receptor cel
Zintuigen = die psychische functies die ons al dan niet bewust informatie
verschaffen over gebeurtenissen in de materiële wereld.
Gespecialiseerde cellen of receptorcellen = elk zintuig heeft cellen die enkel
op dat zintuig afgestemd zijn. Ze zijn heel gespecialiseerd om informatie te
verwerken. Deze cellen detecteren specifieke fysische fenomenen.
Codering = vertaling van actiepotentialen
Receptief veld = heel deel van de ruimte dat de neuronen kunnen waarnemen.
Het receptief veld is de locatie waar de stimulus zich moet bevinden om de
receptorcel te kunnen beïnvloeden. Het receptief veld wordt groter naarmate er
meer informatie geïntegreerd wordt (zoals in een diepere laag van verwerking)
Adaptatie = perceptuele systemen zijn vooral gevoelig voor
verandering/verschillen/contrasten ten opzichte van vorige situatie en geen
absolute, getrouwe representatie van de werkelijkheid.
Relatieve gevoeligheid = proces van adaptatie, mechanisme dat gevoelig is
voor verandering
https://www.stuvia.com/user/lenametdekrullen
, 2
ZICHT
Fotonen reizen ontzettend snel en ver, en hebben zelf geen kleur of vorm.
Objecten laten de fotonen niet, gedeeltelijk of volledig door. Ze absorberen en
weerkaatsen ook bepaalde golflengtes van licht waardoor wij een kleur te zien
krijgen.
Kleur is hoe fel en in welke mate die golven geabsorbeerd en gereflecteerd
worden. De tint wordt bepaald door de golflengte. De intensiteit (helderheid)
wordt bepaald door de amplitude (= hoogste en laagste punt van de golf). De
verzadiging wordt bepaald door de zuiverheid van de golf.
Golflengte bepaald de tint van een object. Langere golflengtes hebben een
rodere tint, kortere golflengtes een blauwere.
Amplitude wordt bepaald door het hoogste en laagste punt van de golf. Een
lagere amplitude betekend een lagere golf. Dit bepaald hoe fel een kleur of licht
ervaren wordt
Zuiverheid van de golflengtes bepaald hoe verzadigd het licht of een kleur
ervaren wordt.
Fixatie = het licht vanuit een bepaald punt valt recht op de fovea
Vergentie = beide ogen bewegen tegelijkertijd in tegenoverstelde beweging.
Het beeld blijft op dezelfde plek van de retina. Wanneer iets dichterbij komt
‘scheler’ kijken.
Volgbewegingen = terwijl een object beweegt door de ruimte gaan je ogen het
object volgen. Patroon kan worden vast gelegd door middel van een eye tracker
Saccades = kleine ‘sprongetjes’ die de ogen maken. Bijvoorbeeld bij lezen, voor
een maximale snelheid en automatisatie
Microsaccades = ogen ‘trillen’ de hele tijd zodat de actieve cellen geinhibeert
blijven bij een gelijk (niet veranderend) beeld. De sensoren blijven reageren op
input waardoor er geen adaptatie plaatsvindt.
Scotopisch zicht = nachtzicht op basis van de staafjes, er wordt geen kleur
waargenomen
Mesopisch zicht = kleur kan gezien worden
Fotopisch zicht = saturatie van de staafjes, er is een duidelijke kleur zichtbaar
en de beste scherpte
Transiënte respons = respons op aanhoudende stimulus waardoor er minder
reactie is op een aanhoudende lichtbron. = relatieve gevoeligheid
Optisch chiasma = optische kruising. Neurale banen van de nasale hemiretina
die info sturen richting thalamus kruisen de banen van de temporale hemiretina.
Retinotopsiche of visuotopsiche organisatie: bij elkaar liggende info
projecteert naar bij elkaar gelegen neuronen
https://www.stuvia.com/user/lenametdekrullen