Samenvatting Cognitie en Gedrag Deeltentamen 1
Geheugen
Lange termijn geheugen LTM
= verantwoordelijk voor opslag van informatie voor langere periode
- Grote capaciteit
- Grote tijdspannen: informatie langer dan 30 seconden geleden
- Gescheiden van STM
Patient HM: epilepsie hippocampus bilateraal verwijderd
o Geen geheugen recente informatie – wel geheugen informatie voor operatie
-> probleem met opslaan informatie
o Kon niks meer opslaan in lange termijn geheugen, STM was wel intact DUS twee
afhankelijke systemen
MAAR niet zeker of anatomisch/fysiologisch gescheiden
Coding = de vorm waarin stimuli gerepresenteerd woorden
Mentale benadering van codering:
- Visuele codering
o STM: wat je ziet
o LTM:
- Auditieve codering
o STM: wat je hoort of in jezelf herhaalt
o LTM: geluiden, muziek, stemmen
- Semantische codering
o STM: komt nauwelijks voor -> LTM: belangrijk, de betekenis van informatie
Serial position curve = rijtje van woorden onthouden ->
Primacy effect: prestatie woorden begin beter onthouden
- Oorzaak: woorden aan begin van lijst vaker herhalen
o Wordt in STM gehouden -> betere opslag LTM
Recency effect: prestatie woorden einde beter onthouden
- Oorzaak: woorden einde lijst zitten langer ongestoord in STM (geen retroactive interference)
o Effect verdwijnt met terugtellen (eind komen geen nieuwe woorden bij, recente
informatie)
,Expliciete informatie – nadenken
= bewust
- Episodisch geheugen = voor persoonlijke (ervaren) gebeurtenissen -> interne tijdmachine
(mentale tijdreizen) tijd terug naar verleden wanneer hebt meegemaakt, opnieuw ervaren
- Semantisch geheugen = feitenlijkheden, niet verbonden aan persoonlijke ervaringen
- Interactie -> autobiografisch geheugen = feiten onthouden door ervaringen
o Semantische componenten -> persoonlijke semantische herinneringen = feiten
geassocieerd met persoonlijke informatie
o Visuele ervaringen spelen cruciale rol
Onthoud/herken procedure = hoe goed mensen iets onthouden of herkennen
- Als iets bekend (familiar) is -> weet niet details van ervaring maar iets is bekend (semantisch
geheugen, gaat niet om ervaringen)
- Bij herinnering (recollection) herinner je specifieke ervaring (episodisch geheugen)
Schematisering van verre herinnering = effect herinneringen in loop van de tijd episodische details
verliezen
Impliciete informatie – acties en handelingen
= onbewust
- Procedureel geheugen = handelingen, uitvoeren geleerde vaardigheden
- Subliminal priming = zonder dat iemand het door heeft informatie in geheugen terecht komt
o Propaganda effect = iets voor waar aannemen omdat je het vaak eerder hebt
gehoord (reclames)
o Repetition priming = wanneer de testprikkel gelijk of lijkt op de primingprikkel
- Conditionering/leren: je gedraagt je op bepaalde manier in bepaalde situatie – automatisch
gedrag aanpassen aan situatie
,Encoderen: proces informatie opslaan in LTM, terecht komen
Retrieval: proces informatie ophalen uit LTM, eruit komen
-> effectiviteit retrieval afhankelijk van kwaliteit encoding
- Free recall = stimulus uit geheugen op roepen
- Cued recall = ophalen ondersteund door presentatie van aanwijzingen (retrieval cues)
Optimaal encoderen
- Rijke representatie creëren van wat je wil onthouden – extra informatie
o Oefen uitgebreid
Maintenance rehearsal = 3 keer lezen en onthouden ->
je wil: elaborative rehearsal = niet alleen feitjes maar verhaal/herinnering erbij
onthouden
o Voeg betekenis toe
Opslaan wat betekend -> beter onthouden
Levels of processing:
Shallow processing = alleen even nalezen vs deep processing = nadenken en
betekenis/context toevoegen
o Vorm beelden
Beter onthouden wanneer ze beelden erbij moeten bedenken – visualiseren
- Actief bezig zijn met wat je wil onthouden
o Genereer informatie
Zelf actief informatie moet genereren, onthoudt je het beter
o Oefen met retrieval
Testing effect: oefentoets maken werkt beter dan nog een keer leren
Optimaal retrieval
- Retrieval cue – aanwijzing
o Bepaalde informatie/aanwijzing, maakt herinneringen actief
- Match de omgeving (encoding specificity)
o Omstandigheden ophalen gelijkstellen aan omstandigheden tijdens opslaan ->
overeenkomt = prestatie beter
- Match de taak (transfer-appropriate processing)
o Encoder taak overeenkomen met retrieval taak, taak gebruikt iets te onthouden ook
gebruiken bij ophalen
- Match de stemming (state-depending learning)
, o Wanneer interne staat persoon tijdens ophalen hetzelfde is al bij opslaan
Uitgebreide repetitie = het onthouden door na te denken over de betekenis of maken van
verbindingen met andere informatie
Onderhoudsrepetitie = geen verbanden leggen tussen informatie -> slechter geheugen
Niveaus van verwerking theorie – Craik & Lockhart
= kwaliteit herinnering hangt af van diepte van verwerking
- Ondiepe verwerking – gepaard met weinig aandacht voor betekenis
- Diepe verwerking – gepaard met veel aandacht en focus op betekenis en het in verband
brengen met iets anders (beter geheugen)
Picture-superiority effect = foto’s beter onthouden dan woorden: mensen kunnen foto’s in hoofd
verbeelden in zowel visuele als verbale kenmerken
Zelfreferentie effect = beter gecodeerd (onthouden) wanneer woord aan jezelf relateert
Generatie-effect = genereren van materiaal ipv ontvangen bevordert leren
Toetsingseffect = presentaties worden verbeterd door oefenen met ophalen
Enactment effect = wanneer iets met object doet, kan groter object onthouden
Muller en Pilzecker: vlak na aanbieding is geheugen fragiel, aanbieden andere informatie zal
geheugen verslechteren
Consolidatie = omzetten van fragiel (kunnen verstoord worden) naar stabiel (resistent tegen
verstoring) geheugen, geheugen met rust laten na leren
Net geencodeerde gebeurtenissen zijn fragiel –> consolidatie zorgt voor transitie naar stabiel
geheugen
Synaptische consolidatie = structurele (biologische) verandering in hersenen, bij verandering fragiel
naar stabiel geheugen: herhaalde activiteit op synaps -> nieuwe eiwitten die structurele
veranderingen veroorzaken -> versterking op lange termijn (LTP): afvuren van neuronen versterkt na
herhaalde stimulatie
Systeem consolidatie = reorganisatie van neurale circuits in brein
- Standaard consolidatiemodel: hippocampus bindt verschillende onderdelen uit verschillende
corticale gebieden van herinnering aan elkaar (= cross-corticale consolidatie) -> verloop van
tijd onderdelen van herinnering aan elkaar verbonden, hippocampus uiteindelijk niet meer
betrokken - cortex verantwoordelijk voor ophalen
Vinden samen plaats – maar verschillende snelheden en in verschillende niveaus van zenuwstelsel
Anterograde amnesie = probleem met opslaan nieuwe informatie, verstoord geheugen na een
bepaalde gebeurtenissen, geheugenverlies voor gebeurtenissen die na een ongeluk plaatsvinden =
encodering problem
Retrograde amnesie = probleem ophalen oude informatie, verstoord geheugen voor bepaalde
gebeurtenis, verlies geheugen van gebeurtenissen voor een ongeluk plaatsvonden = retrieval
problem
- Graded amnesia = kenmerk: meest ernstig voor gebeurtenissen vlak voor het ongeluk en
minder erg voor eerdere gebeurtenissen
Standaardmodel = hippocampus alleen van begin consolidatie belangrijk is en daarna cortex
belangrijker wordt
ECHTER multiple trace model = hippocampus betrokken zowel consolidatie als ophalen episodisch
geheugen
Geheugen
Lange termijn geheugen LTM
= verantwoordelijk voor opslag van informatie voor langere periode
- Grote capaciteit
- Grote tijdspannen: informatie langer dan 30 seconden geleden
- Gescheiden van STM
Patient HM: epilepsie hippocampus bilateraal verwijderd
o Geen geheugen recente informatie – wel geheugen informatie voor operatie
-> probleem met opslaan informatie
o Kon niks meer opslaan in lange termijn geheugen, STM was wel intact DUS twee
afhankelijke systemen
MAAR niet zeker of anatomisch/fysiologisch gescheiden
Coding = de vorm waarin stimuli gerepresenteerd woorden
Mentale benadering van codering:
- Visuele codering
o STM: wat je ziet
o LTM:
- Auditieve codering
o STM: wat je hoort of in jezelf herhaalt
o LTM: geluiden, muziek, stemmen
- Semantische codering
o STM: komt nauwelijks voor -> LTM: belangrijk, de betekenis van informatie
Serial position curve = rijtje van woorden onthouden ->
Primacy effect: prestatie woorden begin beter onthouden
- Oorzaak: woorden aan begin van lijst vaker herhalen
o Wordt in STM gehouden -> betere opslag LTM
Recency effect: prestatie woorden einde beter onthouden
- Oorzaak: woorden einde lijst zitten langer ongestoord in STM (geen retroactive interference)
o Effect verdwijnt met terugtellen (eind komen geen nieuwe woorden bij, recente
informatie)
,Expliciete informatie – nadenken
= bewust
- Episodisch geheugen = voor persoonlijke (ervaren) gebeurtenissen -> interne tijdmachine
(mentale tijdreizen) tijd terug naar verleden wanneer hebt meegemaakt, opnieuw ervaren
- Semantisch geheugen = feitenlijkheden, niet verbonden aan persoonlijke ervaringen
- Interactie -> autobiografisch geheugen = feiten onthouden door ervaringen
o Semantische componenten -> persoonlijke semantische herinneringen = feiten
geassocieerd met persoonlijke informatie
o Visuele ervaringen spelen cruciale rol
Onthoud/herken procedure = hoe goed mensen iets onthouden of herkennen
- Als iets bekend (familiar) is -> weet niet details van ervaring maar iets is bekend (semantisch
geheugen, gaat niet om ervaringen)
- Bij herinnering (recollection) herinner je specifieke ervaring (episodisch geheugen)
Schematisering van verre herinnering = effect herinneringen in loop van de tijd episodische details
verliezen
Impliciete informatie – acties en handelingen
= onbewust
- Procedureel geheugen = handelingen, uitvoeren geleerde vaardigheden
- Subliminal priming = zonder dat iemand het door heeft informatie in geheugen terecht komt
o Propaganda effect = iets voor waar aannemen omdat je het vaak eerder hebt
gehoord (reclames)
o Repetition priming = wanneer de testprikkel gelijk of lijkt op de primingprikkel
- Conditionering/leren: je gedraagt je op bepaalde manier in bepaalde situatie – automatisch
gedrag aanpassen aan situatie
,Encoderen: proces informatie opslaan in LTM, terecht komen
Retrieval: proces informatie ophalen uit LTM, eruit komen
-> effectiviteit retrieval afhankelijk van kwaliteit encoding
- Free recall = stimulus uit geheugen op roepen
- Cued recall = ophalen ondersteund door presentatie van aanwijzingen (retrieval cues)
Optimaal encoderen
- Rijke representatie creëren van wat je wil onthouden – extra informatie
o Oefen uitgebreid
Maintenance rehearsal = 3 keer lezen en onthouden ->
je wil: elaborative rehearsal = niet alleen feitjes maar verhaal/herinnering erbij
onthouden
o Voeg betekenis toe
Opslaan wat betekend -> beter onthouden
Levels of processing:
Shallow processing = alleen even nalezen vs deep processing = nadenken en
betekenis/context toevoegen
o Vorm beelden
Beter onthouden wanneer ze beelden erbij moeten bedenken – visualiseren
- Actief bezig zijn met wat je wil onthouden
o Genereer informatie
Zelf actief informatie moet genereren, onthoudt je het beter
o Oefen met retrieval
Testing effect: oefentoets maken werkt beter dan nog een keer leren
Optimaal retrieval
- Retrieval cue – aanwijzing
o Bepaalde informatie/aanwijzing, maakt herinneringen actief
- Match de omgeving (encoding specificity)
o Omstandigheden ophalen gelijkstellen aan omstandigheden tijdens opslaan ->
overeenkomt = prestatie beter
- Match de taak (transfer-appropriate processing)
o Encoder taak overeenkomen met retrieval taak, taak gebruikt iets te onthouden ook
gebruiken bij ophalen
- Match de stemming (state-depending learning)
, o Wanneer interne staat persoon tijdens ophalen hetzelfde is al bij opslaan
Uitgebreide repetitie = het onthouden door na te denken over de betekenis of maken van
verbindingen met andere informatie
Onderhoudsrepetitie = geen verbanden leggen tussen informatie -> slechter geheugen
Niveaus van verwerking theorie – Craik & Lockhart
= kwaliteit herinnering hangt af van diepte van verwerking
- Ondiepe verwerking – gepaard met weinig aandacht voor betekenis
- Diepe verwerking – gepaard met veel aandacht en focus op betekenis en het in verband
brengen met iets anders (beter geheugen)
Picture-superiority effect = foto’s beter onthouden dan woorden: mensen kunnen foto’s in hoofd
verbeelden in zowel visuele als verbale kenmerken
Zelfreferentie effect = beter gecodeerd (onthouden) wanneer woord aan jezelf relateert
Generatie-effect = genereren van materiaal ipv ontvangen bevordert leren
Toetsingseffect = presentaties worden verbeterd door oefenen met ophalen
Enactment effect = wanneer iets met object doet, kan groter object onthouden
Muller en Pilzecker: vlak na aanbieding is geheugen fragiel, aanbieden andere informatie zal
geheugen verslechteren
Consolidatie = omzetten van fragiel (kunnen verstoord worden) naar stabiel (resistent tegen
verstoring) geheugen, geheugen met rust laten na leren
Net geencodeerde gebeurtenissen zijn fragiel –> consolidatie zorgt voor transitie naar stabiel
geheugen
Synaptische consolidatie = structurele (biologische) verandering in hersenen, bij verandering fragiel
naar stabiel geheugen: herhaalde activiteit op synaps -> nieuwe eiwitten die structurele
veranderingen veroorzaken -> versterking op lange termijn (LTP): afvuren van neuronen versterkt na
herhaalde stimulatie
Systeem consolidatie = reorganisatie van neurale circuits in brein
- Standaard consolidatiemodel: hippocampus bindt verschillende onderdelen uit verschillende
corticale gebieden van herinnering aan elkaar (= cross-corticale consolidatie) -> verloop van
tijd onderdelen van herinnering aan elkaar verbonden, hippocampus uiteindelijk niet meer
betrokken - cortex verantwoordelijk voor ophalen
Vinden samen plaats – maar verschillende snelheden en in verschillende niveaus van zenuwstelsel
Anterograde amnesie = probleem met opslaan nieuwe informatie, verstoord geheugen na een
bepaalde gebeurtenissen, geheugenverlies voor gebeurtenissen die na een ongeluk plaatsvinden =
encodering problem
Retrograde amnesie = probleem ophalen oude informatie, verstoord geheugen voor bepaalde
gebeurtenis, verlies geheugen van gebeurtenissen voor een ongeluk plaatsvonden = retrieval
problem
- Graded amnesia = kenmerk: meest ernstig voor gebeurtenissen vlak voor het ongeluk en
minder erg voor eerdere gebeurtenissen
Standaardmodel = hippocampus alleen van begin consolidatie belangrijk is en daarna cortex
belangrijker wordt
ECHTER multiple trace model = hippocampus betrokken zowel consolidatie als ophalen episodisch
geheugen