Minor sportvoeding
Week 1. Introductie les
Belangrijke factoren die van invloed zijn op of je goed bent in een
bepaalde sport:
1. Genen (72%)
2. Training
3. Basic voeding en slaap en rust
4. Supplementen
Eiwitten, belangen van belangrijk naar onbelangrijk:
1. Kwantiteit (je moet er voldoende van eten)
2. Kwaliteit (van goede kwaliteit)
3. Distributie en timing (dit wordt steeds minder belangrijk)
Myologie = de wetenschap die zich bezighoud met hoe de spieren
bewegen
Van macro anatomisch naar micro anatomisch
Macro
1. Spier
2. Spierbundels (fasciculus)
Micro
3. Spierbundels bestaan uit spiervezels (=enkele spiercel)
4. Spiervezels bestaan uit myofibrillen
5. Myofibrillen bestaan uit sarcomeren (de kleinste contractie eenheid,
bestaat uit 2 Z-lijnen)
6. In de sarcomeer zitten 2 myofilamenten actine en myosine
1
, Myosine = dikke filament (heeft een
myosineknop)
Actine = dunne filament (tropormine +
tropomyosine)
Myosine en actine schuiven in elkaar, dit
is de basis van spiercontractie (spier
wordt verkort)
‘’Een spier kan nooit duwen alleen
trekken’’
Epimysium = de beschermlaag om de
gehele spier
Perimysium = de beschermlaag om de
bundel van spiervezels (fasciculus)
Endomysium = de beschermlaag om een
enkele spiervezel/spiercel
Zie aantekeningen leerjaar 1 Sportkunde voor bouw van een spier, uitleg
over het actiepotentiaal, neuron en spiercontractie!
Hoe werkt een spiercontractie?
1. Spier actiepotentiaal activeert (het signaal dat je spier moet
samentrekken)
2. Dit actiepotentiaal laat calcium vrij in de spier
3. De calcium bindt zich aan troponine. Wanneer dit gebeurt kan er
myosine aan actine binden
4. Als myosine kan binden aan actine kan er een power stroke
plaatsvinden. Power stroke is de basis van de spiercontractie
Myosine bindt aan actine > power stroke (omslaan van mysoine knop) >
myosine laat weer los van de actine. Nieuwe ATP is nodig om de
myosineknop te laten omslaan.
2
Week 1. Introductie les
Belangrijke factoren die van invloed zijn op of je goed bent in een
bepaalde sport:
1. Genen (72%)
2. Training
3. Basic voeding en slaap en rust
4. Supplementen
Eiwitten, belangen van belangrijk naar onbelangrijk:
1. Kwantiteit (je moet er voldoende van eten)
2. Kwaliteit (van goede kwaliteit)
3. Distributie en timing (dit wordt steeds minder belangrijk)
Myologie = de wetenschap die zich bezighoud met hoe de spieren
bewegen
Van macro anatomisch naar micro anatomisch
Macro
1. Spier
2. Spierbundels (fasciculus)
Micro
3. Spierbundels bestaan uit spiervezels (=enkele spiercel)
4. Spiervezels bestaan uit myofibrillen
5. Myofibrillen bestaan uit sarcomeren (de kleinste contractie eenheid,
bestaat uit 2 Z-lijnen)
6. In de sarcomeer zitten 2 myofilamenten actine en myosine
1
, Myosine = dikke filament (heeft een
myosineknop)
Actine = dunne filament (tropormine +
tropomyosine)
Myosine en actine schuiven in elkaar, dit
is de basis van spiercontractie (spier
wordt verkort)
‘’Een spier kan nooit duwen alleen
trekken’’
Epimysium = de beschermlaag om de
gehele spier
Perimysium = de beschermlaag om de
bundel van spiervezels (fasciculus)
Endomysium = de beschermlaag om een
enkele spiervezel/spiercel
Zie aantekeningen leerjaar 1 Sportkunde voor bouw van een spier, uitleg
over het actiepotentiaal, neuron en spiercontractie!
Hoe werkt een spiercontractie?
1. Spier actiepotentiaal activeert (het signaal dat je spier moet
samentrekken)
2. Dit actiepotentiaal laat calcium vrij in de spier
3. De calcium bindt zich aan troponine. Wanneer dit gebeurt kan er
myosine aan actine binden
4. Als myosine kan binden aan actine kan er een power stroke
plaatsvinden. Power stroke is de basis van de spiercontractie
Myosine bindt aan actine > power stroke (omslaan van mysoine knop) >
myosine laat weer los van de actine. Nieuwe ATP is nodig om de
myosineknop te laten omslaan.
2