Ser, estar, hay
Hay= er is/ er zijn
Hay gebruik je als er letterlijk ER IS of ER ZIJN staat
- Hay + onbepaald lidwoord: un, una, unos, unas -> hay un tomate
- Hay + zelfstandig naamwoord (ook in mv) -> hay chicos
- Hay + getallen -> hay dos libros
- Hay + onbepaalde hoeveelheid -> hay algunos alumnos
SER zijn ESTAR zijn
yo soy estoy
tú eres estás
él/ella/usted es está
nosotros/-as somos estamos
vosotros/-as sois estáis
ellos/ellas/ustedes son están
Ser gebruik je bij:
- Eigenschappen/kenmerken onveranderlijk -> es inteligente
- Beroep -> eres profesor de inglés
- Plaatsbepaling gebeurtenis (niet tastbaar) -> la fiesta es en la playa
- Iets of iemand beschrijven -> Carmen es guapa. Mi habitaction es un lugar muy
acogedor
- Nationaliteit/afkomst -> Maria es de España
- Kloktijden -> ¿Qué hora es? Son las tres y media
Estar gebruik je bij:
- Bepaald lidwoord: el, la, los, las -> en la calle Mayor está el hotel los Delfines
- Eigenschappen/ kenmerken veranderlijk -> hoy Carmen está guapa. Estamos
contentos/-as
- Zich bevinden-> el libro está en la mesa
- Plaatsbepaling ding of mens (tastbaar) ->Los estudiantes están en la biblioteca. El
vaso está en la cocina
- Als iemand dood is -> Mi abuelo está muerto
Stappenplan hay, ser en estar:
1. Staat er letterlijk er is of er zijn? Zo ja, hay. Zo nee, dan...
, 2. Gaat het om een veranderlijke eigenschap/kenmerk -> estar
Gaat het om een gevoel -> estar
Gaat het om een plaatsbepaling van iets fysieks -> estar
3. Als regel 1 en 2 niet opgaan, gebruik je ser
------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Pronombres relativos -> betrekkelijk voornaamwoord
Betrekkelijke voornaamwoorden zijn woorden die verwijzen naar een eerder genoemd (e)
woord, zin of zinsdeel
- Ejemlo: la chica que toca el piano es mi hermana, het meisje dat piano speelt is mijn
zus
Pronombres relativos:
• Que= die/dat
• Donde= waar
Je gebruikt que voor personen en dingen, donde voor plaatsen
JE GEBRUIKT GEEN ACCENTEN!
- Leestekens en streepjes en shit
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------
Por/ para
Para betekend voor/om te
- Met een bepaald doel/bepaalde bestemming voor iets/iemand
Ejemplos:
- Aprendo español para hacer mis prácticas en Bolivia. Ik leer Spaans om stage te
lopen in Bolivia (doel)
- Estas flores son para ti. Deze bloemen zijn voor jou (bestemming)
- Trabajo para un supermercado. Ik werk voor een supermarkt (voor iets)
Dirección= naar (richting en bestemming)
- Ernesto va para berlin. Ernesto gaat naar berlijn (richting)
Por betekend door (om bepaalde reden of oorzaak)/ vanwege
Ejemplos:
- Llega tarde a casa por los atascos. Hij komt laat thuis vanwege de files
- Gracias por las flores. Bedankt voor (vanwege) de bloemen
Hay= er is/ er zijn
Hay gebruik je als er letterlijk ER IS of ER ZIJN staat
- Hay + onbepaald lidwoord: un, una, unos, unas -> hay un tomate
- Hay + zelfstandig naamwoord (ook in mv) -> hay chicos
- Hay + getallen -> hay dos libros
- Hay + onbepaalde hoeveelheid -> hay algunos alumnos
SER zijn ESTAR zijn
yo soy estoy
tú eres estás
él/ella/usted es está
nosotros/-as somos estamos
vosotros/-as sois estáis
ellos/ellas/ustedes son están
Ser gebruik je bij:
- Eigenschappen/kenmerken onveranderlijk -> es inteligente
- Beroep -> eres profesor de inglés
- Plaatsbepaling gebeurtenis (niet tastbaar) -> la fiesta es en la playa
- Iets of iemand beschrijven -> Carmen es guapa. Mi habitaction es un lugar muy
acogedor
- Nationaliteit/afkomst -> Maria es de España
- Kloktijden -> ¿Qué hora es? Son las tres y media
Estar gebruik je bij:
- Bepaald lidwoord: el, la, los, las -> en la calle Mayor está el hotel los Delfines
- Eigenschappen/ kenmerken veranderlijk -> hoy Carmen está guapa. Estamos
contentos/-as
- Zich bevinden-> el libro está en la mesa
- Plaatsbepaling ding of mens (tastbaar) ->Los estudiantes están en la biblioteca. El
vaso está en la cocina
- Als iemand dood is -> Mi abuelo está muerto
Stappenplan hay, ser en estar:
1. Staat er letterlijk er is of er zijn? Zo ja, hay. Zo nee, dan...
, 2. Gaat het om een veranderlijke eigenschap/kenmerk -> estar
Gaat het om een gevoel -> estar
Gaat het om een plaatsbepaling van iets fysieks -> estar
3. Als regel 1 en 2 niet opgaan, gebruik je ser
------------------------------------------------------------------------------------------------------------
Pronombres relativos -> betrekkelijk voornaamwoord
Betrekkelijke voornaamwoorden zijn woorden die verwijzen naar een eerder genoemd (e)
woord, zin of zinsdeel
- Ejemlo: la chica que toca el piano es mi hermana, het meisje dat piano speelt is mijn
zus
Pronombres relativos:
• Que= die/dat
• Donde= waar
Je gebruikt que voor personen en dingen, donde voor plaatsen
JE GEBRUIKT GEEN ACCENTEN!
- Leestekens en streepjes en shit
-----------------------------------------------------------------------------------------------------------
Por/ para
Para betekend voor/om te
- Met een bepaald doel/bepaalde bestemming voor iets/iemand
Ejemplos:
- Aprendo español para hacer mis prácticas en Bolivia. Ik leer Spaans om stage te
lopen in Bolivia (doel)
- Estas flores son para ti. Deze bloemen zijn voor jou (bestemming)
- Trabajo para un supermercado. Ik werk voor een supermarkt (voor iets)
Dirección= naar (richting en bestemming)
- Ernesto va para berlin. Ernesto gaat naar berlijn (richting)
Por betekend door (om bepaalde reden of oorzaak)/ vanwege
Ejemplos:
- Llega tarde a casa por los atascos. Hij komt laat thuis vanwege de files
- Gracias por las flores. Bedankt voor (vanwege) de bloemen