STATISTIEK
Beschrijvende statistiek: eigenschappen of kenmerken van de steekproef samenvatten
in tabellen, getallen en grafieken.
o Numeriek:
Continu (=met eenheden)
Discreet (=zonder eenheden)
o Categorisch
Nominaal (=ordenen niet mogelijk)
Ordinaal (=ordenen mogelijk)
Verklarende statistiek: besluiten formuleren en voorspellingen maken.
Populatie: de hele groep waar het over gaat.
Steekproef: een deel van de te onderzoeken groep.
o Moet voldoende groot zijn.
o Moet een getrouwe weergave zijn van de populatie.
Omvang: het aantal elementen, mensen,… van de steekproef.
Stengelbladdiagram: splits de getallen in de tientallen (stengel) en de eenheden (blad).
____________________________________________________________________________________________________
_________
Waarnemingsgetallen: de verschillende gegevens die opgemeten zijn.
n: het aantal waarnemingsgetallen.
Absolute frequentie (af): het aantal keer dat een waarnemingsgetal voorkomt.
Relatieve frequentie (rf): het aantal keer dat een waarnemingsgetal voorkomt in procent
weergegeven.
Cumulatieve absolute frequentie (caf): het getal dat aangeeft hoeveel data niet groter
zijn dan het waarnemingsgetal.
Cumulatieve absolute frequentie (crf): het percentage dat aangeeft hoeveel data niet
groter zijn dan dat waarnemingsgetal.
Frequentietabel: een tabel met absolute en relatieve frequenties.
∑ : het sommatie teken.
Ogief: een lijndiagram van een tabel met caf’s.
____________________________________________________________________________________________________
_________
Mediaan:
o Getallenreeks rangschikken van klein naar groot.
o Het middelste gegeven of het gemiddelde van de twee middelste gegevens nemen.
Modus:
o Het waarnemingsgetal (af) met de hoogste absolute frequentie.
o Soms geen, 1 of 2 modus(sen) -> bimodaal.
Gemiddelde:
o De som van alle data gedeeld door het aantal data.
____________________________________________________________________________________________________
_________
Methode:
o Stap 1: ga naar: “schermindelingen” en kies voor: “rekenblad”, voer alle data in.
o Stap 2: selecteer alle getallen, maar zorg dat GeoGebra het niet verkeerd kan
interpreteren.
o Stap 3: klik op: “onderzoek één variabele” (de knop rechts van de muis link
bovenaan).
o Stap 4: klik op de drie bolletjes bovenaan, en dan: ” ∑x”.
o Stap 5: lees de gegevens af.
____________________________________________________________________________________________________
_________
Xmin: het kleinste waarnemingsgetal.
Xmax: het grootste waarnemingsgetal.
Spreidings- of variatiebreedte: Xmax – Xmin.
Beschrijvende statistiek: eigenschappen of kenmerken van de steekproef samenvatten
in tabellen, getallen en grafieken.
o Numeriek:
Continu (=met eenheden)
Discreet (=zonder eenheden)
o Categorisch
Nominaal (=ordenen niet mogelijk)
Ordinaal (=ordenen mogelijk)
Verklarende statistiek: besluiten formuleren en voorspellingen maken.
Populatie: de hele groep waar het over gaat.
Steekproef: een deel van de te onderzoeken groep.
o Moet voldoende groot zijn.
o Moet een getrouwe weergave zijn van de populatie.
Omvang: het aantal elementen, mensen,… van de steekproef.
Stengelbladdiagram: splits de getallen in de tientallen (stengel) en de eenheden (blad).
____________________________________________________________________________________________________
_________
Waarnemingsgetallen: de verschillende gegevens die opgemeten zijn.
n: het aantal waarnemingsgetallen.
Absolute frequentie (af): het aantal keer dat een waarnemingsgetal voorkomt.
Relatieve frequentie (rf): het aantal keer dat een waarnemingsgetal voorkomt in procent
weergegeven.
Cumulatieve absolute frequentie (caf): het getal dat aangeeft hoeveel data niet groter
zijn dan het waarnemingsgetal.
Cumulatieve absolute frequentie (crf): het percentage dat aangeeft hoeveel data niet
groter zijn dan dat waarnemingsgetal.
Frequentietabel: een tabel met absolute en relatieve frequenties.
∑ : het sommatie teken.
Ogief: een lijndiagram van een tabel met caf’s.
____________________________________________________________________________________________________
_________
Mediaan:
o Getallenreeks rangschikken van klein naar groot.
o Het middelste gegeven of het gemiddelde van de twee middelste gegevens nemen.
Modus:
o Het waarnemingsgetal (af) met de hoogste absolute frequentie.
o Soms geen, 1 of 2 modus(sen) -> bimodaal.
Gemiddelde:
o De som van alle data gedeeld door het aantal data.
____________________________________________________________________________________________________
_________
Methode:
o Stap 1: ga naar: “schermindelingen” en kies voor: “rekenblad”, voer alle data in.
o Stap 2: selecteer alle getallen, maar zorg dat GeoGebra het niet verkeerd kan
interpreteren.
o Stap 3: klik op: “onderzoek één variabele” (de knop rechts van de muis link
bovenaan).
o Stap 4: klik op de drie bolletjes bovenaan, en dan: ” ∑x”.
o Stap 5: lees de gegevens af.
____________________________________________________________________________________________________
_________
Xmin: het kleinste waarnemingsgetal.
Xmax: het grootste waarnemingsgetal.
Spreidings- of variatiebreedte: Xmax – Xmin.