2. Het historisch referentiekader
2.1 Situeren in tijd
Geschiedenis ingedeeld in tijdvakken, gescheiden door
scharniermomenten
Periodisering is achteraf bepaald door historici en verschilt per regio
en cultuur
o Mensen in het verleden kenden die periodisering niet
Regel: jaartal delen door 100 en +1 (behalve bij jaartallen die
eindigen op 00, die horen nog bij de vorige eeuw).
Scharniermomenten zijn plaatsgebonden: ze kunnen lokaal,
regionaal of mondiaal zijn.
2.3 Situeren in het maatschappelijk domein
Vier domeinen:
o Politiek (geel): macht en bestuur
o Economie (blauw): productie en handel
o Sociaal (oranje): verhoudingen tussen mensen
o Cultuur (rood): religie, wetenschap, kunst, etc.
Deze domeinen zijn met elkaar verweven; beslissingen in één
domein hebben vaak invloed op de andere.
2.4 Kenmerken van de vroegmoderne samenlevingen
De vroegmoderne tijd (vanaf ca. 1450) vertoont specifieke kenmerken die
deels gebaseerd zijn op het Ancien Régime, met nadruk op westerse
(eurocentrische) inzichten:
Politiek:
o Vorstelijk absolutisme
o Willekeur in bestuur
o Staatsgodsdienst
Sociaal:
o Gelaagde samenleving (standensysteem: clerus, adel, derde
stand)
o Mannenmaatschappij
Economie:
o Landbouwsamenleving
o Status via grondbezit
o Protectionisme (overheidsinmenging)
o Economische verdeeldheid (lokale munten en maten)
Cultuur:
o Religieus wereldbeeld
o Intolerantie t.o.v. andere geloven
o Dogma’s als bindende religieuze uitspraken
, 4. Is er op het einde van de middeleeuwen sprake van
continuïteit of verandering in de Europese samenleving?
Het einde van de middeleeuwen (ca. 1450) toont zowel continuïteit als
verandering op elk maatschappelijk domein.
Economisch domein
Continuïteit: De economie blijft in grote mate landbouwgericht.
Verandering:
o Klimaatverbetering en bevolkingsgroei vanaf de 11e eeuw →
hogere landbouwproductie.
o Groei van steden en handel, vooral in Noordwest-Europa en
Noord-Italië.
o Oosterse producten (specerijen, zijde) worden via de Arabische
wereld geïmporteerd.
o Crisis in 14e eeuw door pest, hongersnoden en oorlog →
verstoring van handelsroutes.
Sociaal domein
Continuïteit: Gelaagde samenleving blijft dominant; sociale positie
wordt door geboorte bepaald.
Verandering:
o Horigheid verdwijnt geleidelijk.
o Groei van steden → ontstaan van een burgerij (rijke kooplui en
ondernemers).
o Nieuwe sociale groepen zoals ambachtslui, dagloners en
stedelijke armen ontstaan.
Politiek domein
Continuïteit: Feodaal systeem blijft centraal; adel en hoge clerus
blijven machtig.
Verandering:
o Franse koningen starten vanaf 12e eeuw met centralisatie van
macht, gesteund door steden en Kerk.
o Deze centralisatie leidt later tot het absolutisme (hoogtepunt
bij Lodewijk XIV in de 17e eeuw).
Cultureel domein
Continuïteit: Dominantie van de christelijke Kerk in kennis en
denken blijft sterk.
Verandering:
o Toenemende kritiek op Kerk in de late middeleeuwen vanwege
corruptie (verkoop ambten, celibaatsschending).
o Kritiek komt zowel van binnenuit (reformgezinden) als van
buitenaf (vorsten en burgers).
2.1 Situeren in tijd
Geschiedenis ingedeeld in tijdvakken, gescheiden door
scharniermomenten
Periodisering is achteraf bepaald door historici en verschilt per regio
en cultuur
o Mensen in het verleden kenden die periodisering niet
Regel: jaartal delen door 100 en +1 (behalve bij jaartallen die
eindigen op 00, die horen nog bij de vorige eeuw).
Scharniermomenten zijn plaatsgebonden: ze kunnen lokaal,
regionaal of mondiaal zijn.
2.3 Situeren in het maatschappelijk domein
Vier domeinen:
o Politiek (geel): macht en bestuur
o Economie (blauw): productie en handel
o Sociaal (oranje): verhoudingen tussen mensen
o Cultuur (rood): religie, wetenschap, kunst, etc.
Deze domeinen zijn met elkaar verweven; beslissingen in één
domein hebben vaak invloed op de andere.
2.4 Kenmerken van de vroegmoderne samenlevingen
De vroegmoderne tijd (vanaf ca. 1450) vertoont specifieke kenmerken die
deels gebaseerd zijn op het Ancien Régime, met nadruk op westerse
(eurocentrische) inzichten:
Politiek:
o Vorstelijk absolutisme
o Willekeur in bestuur
o Staatsgodsdienst
Sociaal:
o Gelaagde samenleving (standensysteem: clerus, adel, derde
stand)
o Mannenmaatschappij
Economie:
o Landbouwsamenleving
o Status via grondbezit
o Protectionisme (overheidsinmenging)
o Economische verdeeldheid (lokale munten en maten)
Cultuur:
o Religieus wereldbeeld
o Intolerantie t.o.v. andere geloven
o Dogma’s als bindende religieuze uitspraken
, 4. Is er op het einde van de middeleeuwen sprake van
continuïteit of verandering in de Europese samenleving?
Het einde van de middeleeuwen (ca. 1450) toont zowel continuïteit als
verandering op elk maatschappelijk domein.
Economisch domein
Continuïteit: De economie blijft in grote mate landbouwgericht.
Verandering:
o Klimaatverbetering en bevolkingsgroei vanaf de 11e eeuw →
hogere landbouwproductie.
o Groei van steden en handel, vooral in Noordwest-Europa en
Noord-Italië.
o Oosterse producten (specerijen, zijde) worden via de Arabische
wereld geïmporteerd.
o Crisis in 14e eeuw door pest, hongersnoden en oorlog →
verstoring van handelsroutes.
Sociaal domein
Continuïteit: Gelaagde samenleving blijft dominant; sociale positie
wordt door geboorte bepaald.
Verandering:
o Horigheid verdwijnt geleidelijk.
o Groei van steden → ontstaan van een burgerij (rijke kooplui en
ondernemers).
o Nieuwe sociale groepen zoals ambachtslui, dagloners en
stedelijke armen ontstaan.
Politiek domein
Continuïteit: Feodaal systeem blijft centraal; adel en hoge clerus
blijven machtig.
Verandering:
o Franse koningen starten vanaf 12e eeuw met centralisatie van
macht, gesteund door steden en Kerk.
o Deze centralisatie leidt later tot het absolutisme (hoogtepunt
bij Lodewijk XIV in de 17e eeuw).
Cultureel domein
Continuïteit: Dominantie van de christelijke Kerk in kennis en
denken blijft sterk.
Verandering:
o Toenemende kritiek op Kerk in de late middeleeuwen vanwege
corruptie (verkoop ambten, celibaatsschending).
o Kritiek komt zowel van binnenuit (reformgezinden) als van
buitenaf (vorsten en burgers).