© Kato Van de Velde
Economie:
H7: geld, monetair beleid & inflatie:
7.1 het geld:
7.1.1 functies van het geld:
algemeen aanvaard ruilmiddel
waardemeter
beleggingsmiddel
kredietmiddel (= financieringsfunctie)
7.1.2 betalingsverkeer vandaag:
chartaal geld = pasmunten & conventioneel papiergeld
monetaire overheden
kenmerken munten: - nominale waarde overtreft metaalwaarde
- men mag ze niet vrij aanmunten
- hebben beperkte betaalkracht
giraal geld = onmiddellijk opvraagbaar tegoed bij banken
bv. kredietkaarten, debetkaarten, elektronische portemonnee, QR – codes, …
commerciële banken
ontstaat door deposito van bankbiljetten bij kredietinstelling
quasigeld = niet onmiddellijk beschikbaar
korte termijn & spaardeposito’s bij kredietinstellingen
monetaire grootheden:
M₁ = chartaal geld & giraal geld
M₂ = M₁ + deposito’s met vaste looptijd t.e.m. 2 jaar & deposito’s met opzegtermijn
t.e.m. 3 maanden
M₃ = M₂ vermeerderd met repo’s & schuldbewijzen met looptijd t.e.m. 2 jaar
7.1.3 geldsubstitutie – geldschepping:
1
, © Kato Van de Velde
geldsubstitutie = chartaal geld omzetten in giraal geld (of omgekeerd) zonder dat
maatschappelijke geldhoeveelheid wijzigt
geldschepping = elke handeling waardoor de maatschappelijke geldhoeveelheid in een land
toeneemt
emissie van bankbiljetten door ECB
uitgifte van munten via nationale centrale banken van eurozone
giraal geld door financiële instellingen
kasreservecoëfficiënt = basis voor berekening van geld multiplicator
verhouding tussen deposito’s die banken aanhouden & maximale hoeveelheid die ze
kunnen uitlenen
1
formule:
r
geldscheppingsmultiplicator = coëfficiënt waarmee men oorspronkelijke deposito in chartaal
geld bij bank moet vermenigvuldigen om totale
maatschappelijke geldhoeveelheid te bepalen na girale
geldcreatie door kredietinstellingen
7.1.4 vraag naar & aanbod van geld:
vraag:
gezinnen vragen geld voor consumptieve uitgaven, investeringen & om te beleggen
bedrijven vragen geld voor financiering van netto – investeringen
overheid vraagt geld wanneer uitgaven ontvangsten overtreffen
kapitaaluitvoer: eigen ingezetenen kopen obligaties uitgegeven door buitenland
aanbod:
afkomstig van besparingen van gezinnen, bedrijven, overheid & buitenland
geldcreatie van giraal geld
vermogensmarkt = waar vraag & aanbod samenkomen
rente = prijs voorgebruik van geld dat door anderen ter beschikking word gesteld
reële rentevoet = rentepercentage gecorrigeerd met inflatiepercentage
geldmarkt = markt waar professionelen uit financiële sector tijdelijk & ter vergoeding
liquiditeiten beleggen bij andere professionelen die kortlopende middelen nodig
hebben
kapitaalmarkt = vermogenstitels verhandeld met looptijd bij uitgifte op meer dan 1 jaar
2 voornaamste deelmarkten: aandelenmarkt & obligatiemarkt
primaire markt = nieuwe emissies
secundaire markt = verhandeling van bestaande effecten
7.1.5 het monetaire evenwicht:
2
Economie:
H7: geld, monetair beleid & inflatie:
7.1 het geld:
7.1.1 functies van het geld:
algemeen aanvaard ruilmiddel
waardemeter
beleggingsmiddel
kredietmiddel (= financieringsfunctie)
7.1.2 betalingsverkeer vandaag:
chartaal geld = pasmunten & conventioneel papiergeld
monetaire overheden
kenmerken munten: - nominale waarde overtreft metaalwaarde
- men mag ze niet vrij aanmunten
- hebben beperkte betaalkracht
giraal geld = onmiddellijk opvraagbaar tegoed bij banken
bv. kredietkaarten, debetkaarten, elektronische portemonnee, QR – codes, …
commerciële banken
ontstaat door deposito van bankbiljetten bij kredietinstelling
quasigeld = niet onmiddellijk beschikbaar
korte termijn & spaardeposito’s bij kredietinstellingen
monetaire grootheden:
M₁ = chartaal geld & giraal geld
M₂ = M₁ + deposito’s met vaste looptijd t.e.m. 2 jaar & deposito’s met opzegtermijn
t.e.m. 3 maanden
M₃ = M₂ vermeerderd met repo’s & schuldbewijzen met looptijd t.e.m. 2 jaar
7.1.3 geldsubstitutie – geldschepping:
1
, © Kato Van de Velde
geldsubstitutie = chartaal geld omzetten in giraal geld (of omgekeerd) zonder dat
maatschappelijke geldhoeveelheid wijzigt
geldschepping = elke handeling waardoor de maatschappelijke geldhoeveelheid in een land
toeneemt
emissie van bankbiljetten door ECB
uitgifte van munten via nationale centrale banken van eurozone
giraal geld door financiële instellingen
kasreservecoëfficiënt = basis voor berekening van geld multiplicator
verhouding tussen deposito’s die banken aanhouden & maximale hoeveelheid die ze
kunnen uitlenen
1
formule:
r
geldscheppingsmultiplicator = coëfficiënt waarmee men oorspronkelijke deposito in chartaal
geld bij bank moet vermenigvuldigen om totale
maatschappelijke geldhoeveelheid te bepalen na girale
geldcreatie door kredietinstellingen
7.1.4 vraag naar & aanbod van geld:
vraag:
gezinnen vragen geld voor consumptieve uitgaven, investeringen & om te beleggen
bedrijven vragen geld voor financiering van netto – investeringen
overheid vraagt geld wanneer uitgaven ontvangsten overtreffen
kapitaaluitvoer: eigen ingezetenen kopen obligaties uitgegeven door buitenland
aanbod:
afkomstig van besparingen van gezinnen, bedrijven, overheid & buitenland
geldcreatie van giraal geld
vermogensmarkt = waar vraag & aanbod samenkomen
rente = prijs voorgebruik van geld dat door anderen ter beschikking word gesteld
reële rentevoet = rentepercentage gecorrigeerd met inflatiepercentage
geldmarkt = markt waar professionelen uit financiële sector tijdelijk & ter vergoeding
liquiditeiten beleggen bij andere professionelen die kortlopende middelen nodig
hebben
kapitaalmarkt = vermogenstitels verhandeld met looptijd bij uitgifte op meer dan 1 jaar
2 voornaamste deelmarkten: aandelenmarkt & obligatiemarkt
primaire markt = nieuwe emissies
secundaire markt = verhandeling van bestaande effecten
7.1.5 het monetaire evenwicht:
2