Video week 1
Conceptueel model = model dat een simpele weergave geeft van een probleem
of fenomeen in de realiteit. Inputs > Processen > Outcomes.
Inputs = onafhankelijke variabelen.
Outcomes = afhankelijke variabelen.
1) Moderatiemodel = relatie tussen een onafhankelijke en afhankelijke
variabele wordt beïnvloed door een andere variabele. Wanneer?
Vb. psychologische veiligheid <leidt tot> uitspreken (op bijv. je werk). De
moderator is de zelf waargenomen status. Psychologische veiligheid is positief
gerelateerd aan uitspreken, maar alleen wanneer zelfwaargenomen status laag
is. Dan is psychologische veiligheid belangrijker; voel je je wel of niet veilig, wordt
je gerespecteerd etc. Bij hoge zelfwaargenomen status minder belangrijk.
2) Mediatiemodel = relatie tussen een onafhankelijke en afhankelijke
variabele wordt verklaard door een andere variabele. Waarom?
Vb. zelf waargenomen status is positief gerelateerd aan uitspreken, omdat deze
status samenhangt met verhoogd gevoel van psychologische veiligheid. En
degenen die zich psychologisch veilig voelen, spreken meer.
Onderzoeksmethoden:
, - Case study = diepgaande analyse van 1 of enkele entiteiten; je kan allerlei
onderzoeken samen vatten en je haalt alle cijfers eruit, wanneer en hoe er
is gemeten etc.
- Vragenlijst = gebruik van gestandaardiseerde schriftelijke vragen
- Experiment = manipuleren/variëren we op systematische wijze een
onafhankelijke variabele en kijken naar het effect ervan op een
afhankelijke variabele
- Meta-analyse = kwantitatief overzicht van eerder onderzoek. Hoe
consistent zijn de resultaten?
Hoorcollege week 1
Anchoring bias = een neiging om je te fixeren op initïele informatie, waarna je
besluitvorming onvoldoende aanpast voor latere informatie.
Zelfs wanneer de eerste informatie duidelijk onjuist is.
Vb: salaris hoog inzetten om daarna eventueel te verlagen, waardoor een hoog
bedrag ineens ‘goedkoop’ lijkt
Cognitieve dissonantie = wat je denkt en wat je doet zijn met elkaar in conflict.
Ervaar je wanneer er inconsistentie is tussen 2 of meer attitudes of gedrag.
Conformiteit = groepsdenken, groepen etc. Je durft als enige in de groep niks
anders meer te zeggen.
Organizational behavior = bestudeert de invloed die individuen, groepen en
structuur hebben op menselijk gedrag in organisaties.
Het belangrijkste doel is om die kennis toe te passen om de effectiviteit van
organisaties te verbeteren & maatschappelijke verantwoordelijkheid van
organisaties te vergroten.