Aardrijkskunde Vakdidactiek Thema 9
Hoofdstuk 1
Alledaagse aardrijkskunde (everyday geography) gaat ervan uit dat alle leerlingen
geografen zijn, omdat ze allemaal in de wereld leven. Ze bevinden zich dagelijks in
een verscheidenheid aan landschappen. Ze hebben kennis opgebouwd over de
wereld dichtbij en veraf, via een reeks directe en indirecte ervaringen. Wat ze
misschien niet herkennen, is dat deze kennis nuttige geografische kennis is en een
punt van waaruit diepere conceptuele kennis ontwikkeld kan worden.
3 componenten die samen geografisch besef worden genoemd:
1. Het verwerven van een geografisch wereldbeeld – gericht op de
aardrijkskundige kennis.
2. Het verwerven van kennis en inzicht in ruimtelijke vraagstukken – gericht op
de aardrijkskundige kennis.
3. Het leren hanteren van de geografische benadering.
Geografisch wereldbeeld: leerlingen beschikken over dit beeld als zij de hoofdlijnen
van de spreiding van mens en natuur in de wereld kennen
Geografische benadering: duidt op de aardrijkskundige manier van denken en houdt
in dat leerlingen geografische vragen kunnen stellen, de geografische werkwijze
kunnen hanteren en met geografische informatie kunnen omgaan
Lokaal schaalniveau: dorp of gemeente.
Ruimtelijke verandering: je verhuist naar een andere stad
Leerlingen in de middenbouw (7-9 jaar) worden zich steeds meer bewuster van hun
omgeving – ze willen weten wat echt is
Krachtige kennis (powerful knowledge): kennis die leerlingen buiten school niet
makkelijk verwerven.
Misconcepten: fouten in de redeneringen van leerlingen
Kennis is krachtig wanneer ze zaken kan verklaren, inzicht geeft in ontwikkelingen en
het mogelijk maakt om alternatieven te verbeelden.
Gezondverstandkennis: alledaagse kennis die je opdoet door je eigen ervaringen.
De wereld dichtbij en veraf: wereldbeeld.
Processen en afspraken in bepaalde gebieden de achtergronden daarvan (ruimtelijke
vraagstukken).
De koppeling van de inhoudelijke kennis met de didactische kennis wordt ook wel
Pedagogical Content Knowledge (PCK) genoemd hoe, wat, waarom – kennis die
je nodig hebt om een vak goed te onderwijzen
Hoofdstuk 2
Schoolse kennis: wat de leerlingen de voorgaande jaren geleerd hebben
, Alledaagse kennis: eigen ervaringen
Powerful knowledge: kennis die leerlingen buiten school niet makkelijk verwerven
Bij aardrijskunde formuleer je doelen die beschrijvend zijn (gekoppeld aan ligging) en
een verklarend doel
Bouwstenen voor een goede ak les:
- Start: heeft de les een motiverende start (eigen of alledaagse ervaring)?
(Didactisch aandachtspunt)
- Waar is dat: alles is gelokaliseerd (geografisch aandachtspunt)
- Waarom is dat daar: geen twee plaatsen zijn hetzelfde (‘’)
- Wat zie je als je in-en uitzoomt: op een andere schaal zie je andere dingen (‘’)
- Hoe verandert dat: geen plaats blijft hetzelfde (‘’)
- Wat zijn de voor- en nadelen of de gevolgen daarvan: kijkend vanuit een
ander perspectief kun je andere dingen zien (‘’)
- Afsluiting: heeft de les een afsluiting waarin de leerkracht met de leerlingen
praat over het belang van de verworven kennis en het bijzondere en
algemene (Didactisch aandachtspunt)
Hoofdstuk 3
Kaarten zijn een noodzakelijk hulpmiddel voor geografisch besef. Een belangrijk
onderdeel van het geografisch besef is beschikken over een volledig en
genuanceerd wereldbeeld. Iemands wereldbeeld bestaat uit mental images: beelden
van een gebied.
Mental map: het kaartbeeld van een gebied in je hoofd. Ook dit is onderdeel van het
wereldbeeld (waar ligt … en kun je een schets van de kaart van het land maken?).
Onderbouw: wordt gewerkt aan ruimtelijke oriëntatie en voorbereidende
kaartvaardigheden
Ruimtelijke oriëntatie is het vermogen om je een voorstelling te maken van de ‘plaats’
van gebeurtenissen en verschijnselen om een mentaal kaartbeeld te kunnen
ontwikkelen (dichtbij, veraf, links, recht, erop, eronder).
De eerste plattegronden worden geïntroduceerd in de middenbouw bij aanvankelijk
kaartlezen en vanaf groep 6 wordt de atlas vaker gebruikt voor de voortgezette
kaartvaardigheden.
Topografie biedt als het ware een kapstok (mentaal kaartbeeld) waaraan leerlingen
de overige informatie en kennis kunnen relateren. Dit helpt de geografische
informatie te ordenen.
Ruimtelijke elementen: ze zijn zich bewust van hun eigen lichaam en hun omgeving
en ze leren over eigenschappen zoals positie, afstand, richting
Hoofdstuk 1
Alledaagse aardrijkskunde (everyday geography) gaat ervan uit dat alle leerlingen
geografen zijn, omdat ze allemaal in de wereld leven. Ze bevinden zich dagelijks in
een verscheidenheid aan landschappen. Ze hebben kennis opgebouwd over de
wereld dichtbij en veraf, via een reeks directe en indirecte ervaringen. Wat ze
misschien niet herkennen, is dat deze kennis nuttige geografische kennis is en een
punt van waaruit diepere conceptuele kennis ontwikkeld kan worden.
3 componenten die samen geografisch besef worden genoemd:
1. Het verwerven van een geografisch wereldbeeld – gericht op de
aardrijkskundige kennis.
2. Het verwerven van kennis en inzicht in ruimtelijke vraagstukken – gericht op
de aardrijkskundige kennis.
3. Het leren hanteren van de geografische benadering.
Geografisch wereldbeeld: leerlingen beschikken over dit beeld als zij de hoofdlijnen
van de spreiding van mens en natuur in de wereld kennen
Geografische benadering: duidt op de aardrijkskundige manier van denken en houdt
in dat leerlingen geografische vragen kunnen stellen, de geografische werkwijze
kunnen hanteren en met geografische informatie kunnen omgaan
Lokaal schaalniveau: dorp of gemeente.
Ruimtelijke verandering: je verhuist naar een andere stad
Leerlingen in de middenbouw (7-9 jaar) worden zich steeds meer bewuster van hun
omgeving – ze willen weten wat echt is
Krachtige kennis (powerful knowledge): kennis die leerlingen buiten school niet
makkelijk verwerven.
Misconcepten: fouten in de redeneringen van leerlingen
Kennis is krachtig wanneer ze zaken kan verklaren, inzicht geeft in ontwikkelingen en
het mogelijk maakt om alternatieven te verbeelden.
Gezondverstandkennis: alledaagse kennis die je opdoet door je eigen ervaringen.
De wereld dichtbij en veraf: wereldbeeld.
Processen en afspraken in bepaalde gebieden de achtergronden daarvan (ruimtelijke
vraagstukken).
De koppeling van de inhoudelijke kennis met de didactische kennis wordt ook wel
Pedagogical Content Knowledge (PCK) genoemd hoe, wat, waarom – kennis die
je nodig hebt om een vak goed te onderwijzen
Hoofdstuk 2
Schoolse kennis: wat de leerlingen de voorgaande jaren geleerd hebben
, Alledaagse kennis: eigen ervaringen
Powerful knowledge: kennis die leerlingen buiten school niet makkelijk verwerven
Bij aardrijskunde formuleer je doelen die beschrijvend zijn (gekoppeld aan ligging) en
een verklarend doel
Bouwstenen voor een goede ak les:
- Start: heeft de les een motiverende start (eigen of alledaagse ervaring)?
(Didactisch aandachtspunt)
- Waar is dat: alles is gelokaliseerd (geografisch aandachtspunt)
- Waarom is dat daar: geen twee plaatsen zijn hetzelfde (‘’)
- Wat zie je als je in-en uitzoomt: op een andere schaal zie je andere dingen (‘’)
- Hoe verandert dat: geen plaats blijft hetzelfde (‘’)
- Wat zijn de voor- en nadelen of de gevolgen daarvan: kijkend vanuit een
ander perspectief kun je andere dingen zien (‘’)
- Afsluiting: heeft de les een afsluiting waarin de leerkracht met de leerlingen
praat over het belang van de verworven kennis en het bijzondere en
algemene (Didactisch aandachtspunt)
Hoofdstuk 3
Kaarten zijn een noodzakelijk hulpmiddel voor geografisch besef. Een belangrijk
onderdeel van het geografisch besef is beschikken over een volledig en
genuanceerd wereldbeeld. Iemands wereldbeeld bestaat uit mental images: beelden
van een gebied.
Mental map: het kaartbeeld van een gebied in je hoofd. Ook dit is onderdeel van het
wereldbeeld (waar ligt … en kun je een schets van de kaart van het land maken?).
Onderbouw: wordt gewerkt aan ruimtelijke oriëntatie en voorbereidende
kaartvaardigheden
Ruimtelijke oriëntatie is het vermogen om je een voorstelling te maken van de ‘plaats’
van gebeurtenissen en verschijnselen om een mentaal kaartbeeld te kunnen
ontwikkelen (dichtbij, veraf, links, recht, erop, eronder).
De eerste plattegronden worden geïntroduceerd in de middenbouw bij aanvankelijk
kaartlezen en vanaf groep 6 wordt de atlas vaker gebruikt voor de voortgezette
kaartvaardigheden.
Topografie biedt als het ware een kapstok (mentaal kaartbeeld) waaraan leerlingen
de overige informatie en kennis kunnen relateren. Dit helpt de geografische
informatie te ordenen.
Ruimtelijke elementen: ze zijn zich bewust van hun eigen lichaam en hun omgeving
en ze leren over eigenschappen zoals positie, afstand, richting