Hoofdstuk 7, Toetsing en evaluatie
7.1 Kwaliteiteisen voor spellingtoetsen
Een dictee benadert het meest de natuurlijke schrijfsituatie van het omzetten van
gesproken taal in geschreven taal
Goede toets moet aan drie eisen voldoen:
1. Validiteit:
Een dictee is een valide toets voor het meten van de
spellingvaardigheid -> je toetst alleen de spellingvaardigheden en
geen andere vaardigheden
Andere vormen dan een dictee zijn niet valide
2. Objectiviteit:
Spellingvaardigheid kan objectief worden beoordeeld ->
interpretatie van een dictee is namelijk of een woord goed/fout is
geschreven
Signaaldictee/instapdictee: gebruik je om vast te stellen welke
categorie een kind beheerst. Bij zo’n dictee moet je alle woorden
meerekenen in de beoordeling en elk woord wordt maar één keer als
fout beoordeeld
Controledictee: gaat na welke specifieke categorie een leerling
beheerst
3. Betrouwbaarheid
Landelijke toetsen zijn betrouwbaar als ze op een vast moment
worden afgenomen
7.2 Spellingtoetsen
PI-dictee:
- Ontwikkeld door het pedologisch Instituut Amsterdam
- 2 parallelversies van 135 woorden die verdeeld zijn over 9 blokken
- Woorden komen uit verschillende categorieën
- Blokken zijn genummerd naar het leerjaar waarin een categorie in de regel
behandeld wordt (Blok 40 bevat dus woorden die een kind na 40 maanden
onderwijs moet beheersen)
- Blok is verdeeld in verschillende categorieën
- Hoger cijfer geeft aan dat een bepaalde categorie wat moeilijker is en in
het algemeen later in een leerjaar wordt aangeboden
- Eerst een kwantitatieve analyse (hoeveel woorden zijn goed/fout?) ->
wordt gekoppeld aan een percentielscore (score die aangeeft hoeveel %
van de leerlingen in de normgroep een lagere score heeft gehaald dan
deze leerling)
- Daarna een kwalitatieve analyse: kijken naar de beheersing van de
categorie. Ook kijken hoe de leerling te werk gaat. Tijdens het afnemen
van het dictee kun je letten op de volgende punten: hoe snel schrijft de
leerling, worden woorden verbeterd, wordt het woord door de leerling
uitgesproken, vraagt de leerling regelmatig het woord te herhalen
- Eerst de zin oplezen, woord apart benoemen, woord schrijven
, - Als een leerling meer dan 8 fouten maakt in een blok stoppen, anders
verder gaan
Cito spelling toetsen
- Elke toets bestaat uit 2 taken van 25 opgaven
- Zinsdictee: score van dit dictee omzetten in een vaardigheidsscore -> 2
indelingen A t/m E en I t/m V
7.3 Analyseren van spelfouten
Taakanalyse (kwantitatieve analyse): tellen hoeveel woorden een leerling goed
geschreven heeft
Instructieanalyse (kwalitatieve analyse): kijken hoe de instructie aan de
leerlingen gegeven is
Procesanalyse (kwalitatieve analyse): op welke manier gaat de leerling aan het
werk
Als een leerling 80% goed heeft geschreven beheerst hij de spellingtaak
Foutenanalyse naar beheersing van spelling categorieën:
- Fouten worden ingedeeld in categorieën (categoriefouten en andere
fouten)
- Categoriefout: LL maakt een fout tegen de spellingcategorie die door een
bepaald woord vertegenwoordigd wordt
Foutenanalyse naar vermoedelijke oorzaak:
- 5 hoofdcategorieën:
1. Oriëntatie fouten: fouten die voortkomen uit een onvoldoende visuele
en/of auditieve oriëntatie op de structuur van letters, woorden of
zinnen. Binnen de fouten kunnen we onderscheid maken in:
Visuele fouten op letterniveau: b/d
Auditieve fouten op letterniveau: aa voor a
Visuele en auditieve fouten: n voor m
Fouten op woordniveau: pots voor post
Klankuitspraakfouten: sch voor schr
2. Regelfouten: fouten die ontstaan door het niet of onjuist toepassen van
spellingsregels. Het gaat hierbij o.a. om de verleningsregel, de
verenkelingsregel, en de verdubbelingsregel
3. Fonetische fouten: gaat om identieke klanken die verschillen
geschreven worden
4. Niet nader te analyseren fouten
Foutenanalyse naar strategiegebruik:
- Relatie leggen met de manier waarop kinderen de spelling geleerd hebben
- Observeren hoe een leerling te werk gaat
- Formulier gebruiken
, - Voordeel is dat een hele duidelijke koppeling wordt gelegd met de
didactiek en dat je duidelijk kunt zien welke spellingstrategie een leerling
nog niet beheerst
7.4 Problemen bij het interpreteren van spelfouten
Problemen bij het interpreteren van spelfouten:
- Lastig om vast te stellen of een woord fout gespeld is. We kunnen bij
fouten in de schriftelijke weergave van een woord een onderscheid maken
tussen een schrijffout een slordigheidsfout en een spelfout
- Foutenanalyses zijn zelden objectief. Het is niet altijd duidelijk in welke
categorie je een fout moet plaatsen
- Foutenanalyse is niet helemaal valide. Een fout wordt vaak gezien als een
symptoom voor het niet beheersen van een spellingcategorie (leerling
moeite met ooi, verwachten dat LL alles fout doet en dit is niet zo)
- De gebruikte toetsvorm
Aansluiten bij spellingmethode dat is het beste
Schrijffout: komt voort uit een onregelmatig of slecht leesbaar handschrift
Slordigheidsfout: fout is het gevolg van te slordig of gehaast werken
Spelfout: als een kind ook na controle een fout niet opmerkt, dan is er sprake van
een spelfout. Alleen bij dit soort fouten is het zinvol om een foutenanalyse toe te
passen
7.5 Corrigeren van spelfouten
Juiste schrijfwijze neerzetten bij het nakijken als het fout is
LK kan ook aantal fouten benoemen zonder woorden aan te strepen, en leerling
gaat zelf de fouten zoeken + verbeteren
Hoofdstuk 8, Omgaan met verschillen
8.1 Verschillende vormen van hulp
3 vormen van hulp:
- Preventieve hulp (vooraf): spellingproblemen voorkomen.
Halverwege groep 3 een beeld hebben van de beheersing van de
spellingvoorwaarden
Begin groep 4 na gaan of een leerling de elementaire spellinghandeling
voldoende beheerst
Elementaire spellinghandeling is de basis
Verschillende risicogroepen:
Dyslexie in de familie
Vertraagde spraak-/taalontwikkeling
Thuis wordt niet veel (voor-)gelezen
Onvoldoende beheersing van het Nederlands als gevolg van
meertaligheid
Hoorproblemen
Logopedie in verband met spraak-/taalproblemen
Problemen met het leren en snel benoemen van kleuren