Uitwerking onderzoekspracticum
Hoofdstuk 1
Nature of research
Onderzoek doen is een systematische manier van informatie verzamelen,
analyseren en interpreteren om een vraag te beantwoorden.
Er is eerst altijd een probleem of vraag. Hierna wordt er data verzamelt en
geanalyseerd waarna een conclusie wordt getrokken om de vraag te
beantwoorden.
Onderzoek is geordend, kritisch, objectief en repliceerbaar.
Waarom onderzoek onderzoeken?
Waarom zou je het doen van onderzoek leren? Het is belangrijk dat
mensen onderzoek begrijpen. Hierdoor kunnen ze betere beslissingen
nemen en beter beoordelen. Ook kunnen ze zelf kleine onderzoeken
uitvoeren. Door te onderzoeken en dit te begrijpen, blijf je kritisch naar de
informatie die je krijgt.
Bronnen van kennis
Er zijn 4 bronnen waarvan we kennis krijgen:
1. Autoriteit je neemt iets aan omdat iemand met autoriteit en
status het je verteld. Denk aan je docent die je iets nieuws leert, je
gaat er van uit dat dit klopt en neemt het aan als kennis.
2. Eigen ervaringen omdat iets bij jou op een bepaalde manier is
gegaan of gaat, is dat waar voor jou en voor jou dus kennis. Maar dit
is niet representatief voor anderen want zij hebben het anders of
niet meegemaakt.
3. Intuïtie op je gevoel vertrouwen. Je doet iets want het lijkt logisch
of je gevoel zegt dat een bepaalde keuze de juiste is. Dit kan fout
zijn.
4. Onderzoek opvattingen zijn gebaseerd op wetenschappelijk
bewijs. Je opvattingen zijn controleerbaar. Dit is de meest
betrouwbare vorm van kennis.
Methode van onderzoek doen
Je hebt eerst een probleem of vraag. Hierna ga je de literatuur in duiken
om te zien wat er al over bekend is. Hierna ga je een hypothese opstellen
o.b.v. die literatuur. Dan ga je zelf data verzamelen en deze analyseren.
Uiteindelijk trek je conclusies en beantwoord je de vraag of heb je hopelijk
een oplossing voor het probleem.
,Soorten onderzoek
Er is kwantitatief, kwalitatief en mixed methods onderzoek.
Kwantitatief
Hier gaat het om objectiviteit. Je werkt met cijfers en hypothesen. Je wil
een zo groot mogelijke random steekproef.
Kwalitatief
Hier gaat het om subjectiviteit, de beleving van de participanten. Je werkt
niet met hypothesen en je wil een kleine maar relevante steekproef.
generalisatie en representativiteit voor een grotere populatie is veel
minder belangrijk.
Mixed-methods
Hier wordt kwalitatief en kwantitatief gecombineerd vanaf het begin. Dus
niet eerst een kwantitatief onderzoek en daarna pas een kwalitatief
onderzoek bijvoorbeeld. maar echt vanaf het begin kwantitatief en
kwalitatief integreren in 1 onderzoek.
,Hoofdstuk 2
Research problem
Een research problem is een vraag of situatie waar nog geen duidelijk
antwoord op is en meer verduidelijking nodig heeft. Dit is het startpunt
van elk onderzoek een vraag formuleren waar je antwoord op wil
krijgen, de onderzoeksvraag.
Bronnen
Er zijn meerdere bronnen waar deze research problems vandaan kunnen
komen:
1. Praktijk in de praktijk zie je problemen. Denk aan leerlingen die
niet goed mee kunnen komen of leerlingen die niet gemotiveerd zijn
2. Theorie bestaande kennis kan ook vragen en problemen
oproepen. Stel een theorie stelt iets, maar klopt dat wel in bepaalde
gevallen?
3. Voorgaand onderzoek in eerder onderzoek kunnen tegenstrijdige
resultaten zijn of juist erg weinig onderzoek naar een bepaald
onderwerp
4. Persoonlijke interesse onderwerpen die je zelf interessant vindt,
als ze maar wetenschappelijk relevant zijn. Vragen als: hoeveel
zandkorrels telt de Sahara, is niet wetenschappelijk relevant.
Criteria
Criteria voor een goede onderzoeksvraag zijn dat het onderzoek
uitvoerbaar moet zijn. Je kan bijvoorbeeld niet 10.000 studenten gaan
interviewen, dat is niet haalbaar. Je onderzoeksvraag moet ook duidelijk
zijn. De termen zijn duidelijk en zo niet, later goed uitgelegd. Een vraag
als: ‘wat vinden ouders van school?’ is veel te breed en zo niet duidelijk.
Verder moet de vraag wetenschappelijk relevant zijn en ethisch. Je mag
geen schade aanrichten en moet respect hebben voor de participanten.
De onderzoeksvraag moet kort, concreet en helder geformuleerd zijn
wat onderzoek je, bij wie en waarom?
Wanneer je een goede onderzoeksvraag hebt, moet je de gebruikte
termen uitleggen in de inleiding. Wat zijn inclusief onderwijs en attitudes
precies? Ook benoem je de onafhankelijke en afhankelijke variabelen,
bijvoorbeeld de onafhankelijke variabele opleidingsniveau op de
afhankelijke variabele attitudes. Ook benoem je stoorfactoren als mediator
en moderator.
Theorie
, Door bij je onderzoeksvraag de theorie in te duiken, kan je je probleem
afbakenen (wat is er al bekend en wat niet). Ook kan je een richting geven
aan je hypotheses en weten hoe de variabelen samen hangen in je
onderzoek. Je weet van te voren bijvoorbeeld dat opleidingsniveau de
attitudes beïnvloedt en niet de attitudes het opleidingsniveau. Doordat
hier al wat onderzoek over is gedaan, kan je een hypothese opstellen dat
een hoger opleidingsniveau samenhangt met een meer positieve houding.
Hypothesen kunnen een richting geven, zoals het voorbeeld hiervoor. Maar
ze kunnen ook alleen stellen dat er een verband is tussen de variabelen,
geen richting van het verband.
Hoofdstuk 1
Nature of research
Onderzoek doen is een systematische manier van informatie verzamelen,
analyseren en interpreteren om een vraag te beantwoorden.
Er is eerst altijd een probleem of vraag. Hierna wordt er data verzamelt en
geanalyseerd waarna een conclusie wordt getrokken om de vraag te
beantwoorden.
Onderzoek is geordend, kritisch, objectief en repliceerbaar.
Waarom onderzoek onderzoeken?
Waarom zou je het doen van onderzoek leren? Het is belangrijk dat
mensen onderzoek begrijpen. Hierdoor kunnen ze betere beslissingen
nemen en beter beoordelen. Ook kunnen ze zelf kleine onderzoeken
uitvoeren. Door te onderzoeken en dit te begrijpen, blijf je kritisch naar de
informatie die je krijgt.
Bronnen van kennis
Er zijn 4 bronnen waarvan we kennis krijgen:
1. Autoriteit je neemt iets aan omdat iemand met autoriteit en
status het je verteld. Denk aan je docent die je iets nieuws leert, je
gaat er van uit dat dit klopt en neemt het aan als kennis.
2. Eigen ervaringen omdat iets bij jou op een bepaalde manier is
gegaan of gaat, is dat waar voor jou en voor jou dus kennis. Maar dit
is niet representatief voor anderen want zij hebben het anders of
niet meegemaakt.
3. Intuïtie op je gevoel vertrouwen. Je doet iets want het lijkt logisch
of je gevoel zegt dat een bepaalde keuze de juiste is. Dit kan fout
zijn.
4. Onderzoek opvattingen zijn gebaseerd op wetenschappelijk
bewijs. Je opvattingen zijn controleerbaar. Dit is de meest
betrouwbare vorm van kennis.
Methode van onderzoek doen
Je hebt eerst een probleem of vraag. Hierna ga je de literatuur in duiken
om te zien wat er al over bekend is. Hierna ga je een hypothese opstellen
o.b.v. die literatuur. Dan ga je zelf data verzamelen en deze analyseren.
Uiteindelijk trek je conclusies en beantwoord je de vraag of heb je hopelijk
een oplossing voor het probleem.
,Soorten onderzoek
Er is kwantitatief, kwalitatief en mixed methods onderzoek.
Kwantitatief
Hier gaat het om objectiviteit. Je werkt met cijfers en hypothesen. Je wil
een zo groot mogelijke random steekproef.
Kwalitatief
Hier gaat het om subjectiviteit, de beleving van de participanten. Je werkt
niet met hypothesen en je wil een kleine maar relevante steekproef.
generalisatie en representativiteit voor een grotere populatie is veel
minder belangrijk.
Mixed-methods
Hier wordt kwalitatief en kwantitatief gecombineerd vanaf het begin. Dus
niet eerst een kwantitatief onderzoek en daarna pas een kwalitatief
onderzoek bijvoorbeeld. maar echt vanaf het begin kwantitatief en
kwalitatief integreren in 1 onderzoek.
,Hoofdstuk 2
Research problem
Een research problem is een vraag of situatie waar nog geen duidelijk
antwoord op is en meer verduidelijking nodig heeft. Dit is het startpunt
van elk onderzoek een vraag formuleren waar je antwoord op wil
krijgen, de onderzoeksvraag.
Bronnen
Er zijn meerdere bronnen waar deze research problems vandaan kunnen
komen:
1. Praktijk in de praktijk zie je problemen. Denk aan leerlingen die
niet goed mee kunnen komen of leerlingen die niet gemotiveerd zijn
2. Theorie bestaande kennis kan ook vragen en problemen
oproepen. Stel een theorie stelt iets, maar klopt dat wel in bepaalde
gevallen?
3. Voorgaand onderzoek in eerder onderzoek kunnen tegenstrijdige
resultaten zijn of juist erg weinig onderzoek naar een bepaald
onderwerp
4. Persoonlijke interesse onderwerpen die je zelf interessant vindt,
als ze maar wetenschappelijk relevant zijn. Vragen als: hoeveel
zandkorrels telt de Sahara, is niet wetenschappelijk relevant.
Criteria
Criteria voor een goede onderzoeksvraag zijn dat het onderzoek
uitvoerbaar moet zijn. Je kan bijvoorbeeld niet 10.000 studenten gaan
interviewen, dat is niet haalbaar. Je onderzoeksvraag moet ook duidelijk
zijn. De termen zijn duidelijk en zo niet, later goed uitgelegd. Een vraag
als: ‘wat vinden ouders van school?’ is veel te breed en zo niet duidelijk.
Verder moet de vraag wetenschappelijk relevant zijn en ethisch. Je mag
geen schade aanrichten en moet respect hebben voor de participanten.
De onderzoeksvraag moet kort, concreet en helder geformuleerd zijn
wat onderzoek je, bij wie en waarom?
Wanneer je een goede onderzoeksvraag hebt, moet je de gebruikte
termen uitleggen in de inleiding. Wat zijn inclusief onderwijs en attitudes
precies? Ook benoem je de onafhankelijke en afhankelijke variabelen,
bijvoorbeeld de onafhankelijke variabele opleidingsniveau op de
afhankelijke variabele attitudes. Ook benoem je stoorfactoren als mediator
en moderator.
Theorie
, Door bij je onderzoeksvraag de theorie in te duiken, kan je je probleem
afbakenen (wat is er al bekend en wat niet). Ook kan je een richting geven
aan je hypotheses en weten hoe de variabelen samen hangen in je
onderzoek. Je weet van te voren bijvoorbeeld dat opleidingsniveau de
attitudes beïnvloedt en niet de attitudes het opleidingsniveau. Doordat
hier al wat onderzoek over is gedaan, kan je een hypothese opstellen dat
een hoger opleidingsniveau samenhangt met een meer positieve houding.
Hypothesen kunnen een richting geven, zoals het voorbeeld hiervoor. Maar
ze kunnen ook alleen stellen dat er een verband is tussen de variabelen,
geen richting van het verband.