Oefentoets Bewegingen Beschrijven NA4
1. Een auto nadert eenparig met 20 m/s een 50,0 m verder gelegen zebrapad.
Een voetganger steekt op dat moment versneld de 10,0 m brede weg over.
Ze is net aan de overkant als de auto het zebrapad passeert.
a. Bereken de tijd waarin de voetganger de overkant bereikt.
b. Bereken welke versnelling de voetganger moet hebben om dit te
halen
c. Bereken de snelheid waarmee zij aan de overkant aankomt.
2. Je laat een knikker boven een zwembad los waardoor deze versneld daalt.
Na enige tijd valt hij in het 2,0 m diepe water en gaat verder tot op de
bodem. Een deel van de afstand-tijd grafiek is gegeven in figuur 1.
a. Bepaal de versnelling tijdens de val door de lucht.
b. Bepaal de snelheid van de knikker in het water.
c. Bereken hoeveel seconden na het loslaten de knikker de bodem
bereikt.
Figuur 1
1. Een auto nadert eenparig met 20 m/s een 50,0 m verder gelegen zebrapad.
Een voetganger steekt op dat moment versneld de 10,0 m brede weg over.
Ze is net aan de overkant als de auto het zebrapad passeert.
a. Bereken de tijd waarin de voetganger de overkant bereikt.
b. Bereken welke versnelling de voetganger moet hebben om dit te
halen
c. Bereken de snelheid waarmee zij aan de overkant aankomt.
2. Je laat een knikker boven een zwembad los waardoor deze versneld daalt.
Na enige tijd valt hij in het 2,0 m diepe water en gaat verder tot op de
bodem. Een deel van de afstand-tijd grafiek is gegeven in figuur 1.
a. Bepaal de versnelling tijdens de val door de lucht.
b. Bepaal de snelheid van de knikker in het water.
c. Bereken hoeveel seconden na het loslaten de knikker de bodem
bereikt.
Figuur 1