Methodenleer samenvatting
H1 Psychology is a way of thinking
Psychologen zijn empiristen: conclusies worden gebaseerd op systematische
observaties
Er zijn onderzoeksproducenten en onderzoeksconsumenten. In de praktijk
hebben psychologen beide rollen. Wanneer je iets gaat onderzoeken, heb je eerst
onderzoek gedaan naar vorige studies hierover.
Onderzoeksproducten doen onderzoek en noteren data
Onderzoeksconsumenten lezen het onderzoek en passen het toe
Theorie, hypotheses en data
Theorie = een reeks verklaringen dat algemene principes beschrijft over hoe
variabelen tot elkaar verhouden
Hypothese = een voorspelling die de onderzoeker gaat onderzoeken (vooraf
beschreven)
Data = een reeks observaties
Onderzoek kan een theorie alleen ondersteunen of weerleggen, NIET bewijzen.
Parsimony (spaarzaam) = de eenvoudigste verklaring is meestal de beste
De empirische cyclus
De empirische cyclus is een systematische methode die in de wetenschap wordt
gebruikt om kennis te vergaren en hypotheses te toetsen. De cyclus bestaat uit
vijf fasen die elkaar logisch opvolgen.
1. Observatie: In deze fase begint de onderzoeker met het verzamelen van
gegevens en observaties over een bepaald onderwerp. Dit kan
bijvoorbeeld door literatuuronderzoek, het doen van experimenten of het
observeren van natuurlijke fenomenen. De observaties leiden tot het
opmerken van bepaalde patronen/problemen die verder onderzocht
moeten worden.
2. Theorie (inductie): Op basis van de verzamelde observaties probeert de
onderzoeker een hypothese te formuleren. Dit is een veronderstelling of
verklaring die nog niet bewezen is, maar een mogelijke verklaring biedt
voor het onderwerp. Deze fase wordt inductie genoemd, omdat de
onderzoeker van specifieke observaties naar een meer algemene conclusie
gaat.
3. Voorspelling (deductie): In de voorspellingsfase wordt de algemene
hypothese omgezet in toetsbare voorspellingen. De onderzoeker stelt
, specifieke, toetsbare verwachtingen op die logisch volgen uit de
hypothese. Dit proces wordt deductie genoemd, omdat de onderzoeker
van een algemene regel naar specifieke voorspellingen gaat.
4. Toetsing: In deze fase worden de voorspellingen getoetst aan de hand van
experimenten, verdere observaties of andere empirische methoden. Het
doel is om te kijken of de gegevens overeenkomen met de verwachtingen
die uit de hypothese voortkomen. Deze fase is cruciaal, omdat de
hypothese bevestigd of weerlegd kan worden.
5. Evaluatie: In de laatste fase wordt de hypothese geëvalueerd op basis van
de resultaten van de toetsing. Als de resultaten consistent zijn met de
voorspellingen, wordt de hypothese sterker ondersteund. Als de resultaten
niet consistent zijn, moet de hypothese worden aangepast of verworpen.
Soms leidt dit tot het formuleren van een nieuwe hypothese, waardoor de
cyclus opnieuw begint.
Falsificeerbaarheid
Een theorie moet een risico bevatten. Een theorie zou moeten leiden tot
hypothesen die zouden kunnen falen om de theorie te ondersteunen theorie is
falsificeerbaar
Onderzoekers zijn ‘self-correcting’ = ze ondervinden hun eigen fouten en lossen
ze op
Wetenschappers zijn leden van een gemeenschap die zich moeten houden aan
normen:
Merton’s Scientific Norms:
1. Universalisme: wetenschappelijke beweringen worden
beoordeeld op hun verdienste, onafhankelijk van de
referenties of reputatie van de onderzoeker.
- Interpretatie: zelfs studenten kunnen wetenschap
bedrijven, je hebt geen gevorderde graad of positie nodig.
2. Gemeenschappelijkheid: wetenschappelijke kennis wordt
gecreëerd door een gemeenschap en de bevindingen behoren
toe aan de gemeenschap.
- Interpretatie: wetenschappers moeten de resultaten van
hun werk vrij delen met andere wetenschappers en het
publiek.
3. Belangeloosheid: wetenschappers streven ernaar om de
waarheid te ontdekken, wat die ook is. Ze worden niet
beïnvloed door idealisme, overtuiging, politiek of winstbejag.
- Interpretatie: wetenschappers verdraaien het verhaal niet,
maar accepteren wat de gegevens hen vertellen. De eigen
, overtuigingen van een wetenschapper mogen hun
interpretatie van de gegevens niet beïnvloeden.
4. Georganiseerde scepsis: wetenschappers trekken alles in
twijfel, inclusief hun eigen theorieën.
- Interpretatie: wetenschappers nemen bijna niets zomaar
aan, ze moeten altijd vragen het bewijs te zien.
Basis research = onderzoek dat tot doel heeft de algemene kennis te vergroten,
zonder rekening te houden met directe toepassing op praktische problemen
Applied research = onderzoek waarvan het doel is een oplossing te vinden voor
een specifiek praktisch probleem
Translational research = onderzoek dat kennis gebruikt die afkomstig is van
fundamenteel onderzoek om oplossingen voor wereldproblemen te ontwikkelen
en te testen
Journal = een tijdschrift dat peer-reviewed artikelen bevat over een specifieke
academische discipline of subdiscipline, geschreven voor een wetenschappelijk
publiek. Ook wel wetenschappelijk tijdschrift genoemd.
, H2 Sources of Information: Why Research Is Best
and How to Find It
Eigen ervaring is geen goede bron van informatie, vooral omdat het geen
vergelijkingsgroep heeft. Een vergelijkingsgroep is cruciaal voor het verkrijgen
van juiste informatie. Bijvoorbeeld bij het gebruik van een zoutlamp voor extra
mineralen. Je gelooft dat het werkt, maar wat was er gebeurd als je geen
zoutlamp had staan (vergelijkingsgroep)?
Ook kan je niet verklaren wat een verandering heeft veroorzaakt bij persoonlijke
ervaringen. In het dagelijks leven zijn er te veel andere factoren die voor de
verandering gezorgd kunnen hebben.
Confounds = een algemene term voor een mogelijke alternatieve uitleg voor een
onderzoeksbevinding; een bedreiging voor de interne validiteit
Confederate = een acteur die door de onderzoeker wordt aangestuurd om een
specifieke rol te spelen in een onderzoeksstudie
In een onderzoek kunnen potentiële confounds gecontroleerd worden, in
tegenstelling tot in het dagelijks leven.
Resultaten van gedragsonderzoek zijn probalistisch: wetenschap bedoeld is om
een bepaald percentage (maar niet noodzakelijkerwijs alle) van de mogelijke
gevallen te verklaren
Intuïtie is ook geen goede bron van informatie. Mensen zijn geen natuurlijke
wetenschappelijke denkers. Mensen hebben biasen = menselijke valkuilen
5 voorbeelden van biasen:
1. Een conclusie accepteren omdat het logisch lijkt
2. Availability heuristic: de frequentie van iets wordt incorrect ingeschat,
waarbij ze vertrouwen op voorbeelden die gemakkelijk en snel in
gedachten komen, in plaats van alle mogelijke bewijzen te gebruiken bij
het evalueren van een conclusie.
3. Present/present bias: De relatie tussen een gebeurtenis en het resultaat
worden onjuist ingeschat. Er wordt alleen gekeken naar de keren dat de
gebeurtenis en het resultaat aanwezig zijn, terwijl ze vergeten rekening te
houden met bewijs dat afwezig is
4. Confirmation bias: we kijken alleen naar informatie dat overeenstemt met
wat wij willen of al denken
H1 Psychology is a way of thinking
Psychologen zijn empiristen: conclusies worden gebaseerd op systematische
observaties
Er zijn onderzoeksproducenten en onderzoeksconsumenten. In de praktijk
hebben psychologen beide rollen. Wanneer je iets gaat onderzoeken, heb je eerst
onderzoek gedaan naar vorige studies hierover.
Onderzoeksproducten doen onderzoek en noteren data
Onderzoeksconsumenten lezen het onderzoek en passen het toe
Theorie, hypotheses en data
Theorie = een reeks verklaringen dat algemene principes beschrijft over hoe
variabelen tot elkaar verhouden
Hypothese = een voorspelling die de onderzoeker gaat onderzoeken (vooraf
beschreven)
Data = een reeks observaties
Onderzoek kan een theorie alleen ondersteunen of weerleggen, NIET bewijzen.
Parsimony (spaarzaam) = de eenvoudigste verklaring is meestal de beste
De empirische cyclus
De empirische cyclus is een systematische methode die in de wetenschap wordt
gebruikt om kennis te vergaren en hypotheses te toetsen. De cyclus bestaat uit
vijf fasen die elkaar logisch opvolgen.
1. Observatie: In deze fase begint de onderzoeker met het verzamelen van
gegevens en observaties over een bepaald onderwerp. Dit kan
bijvoorbeeld door literatuuronderzoek, het doen van experimenten of het
observeren van natuurlijke fenomenen. De observaties leiden tot het
opmerken van bepaalde patronen/problemen die verder onderzocht
moeten worden.
2. Theorie (inductie): Op basis van de verzamelde observaties probeert de
onderzoeker een hypothese te formuleren. Dit is een veronderstelling of
verklaring die nog niet bewezen is, maar een mogelijke verklaring biedt
voor het onderwerp. Deze fase wordt inductie genoemd, omdat de
onderzoeker van specifieke observaties naar een meer algemene conclusie
gaat.
3. Voorspelling (deductie): In de voorspellingsfase wordt de algemene
hypothese omgezet in toetsbare voorspellingen. De onderzoeker stelt
, specifieke, toetsbare verwachtingen op die logisch volgen uit de
hypothese. Dit proces wordt deductie genoemd, omdat de onderzoeker
van een algemene regel naar specifieke voorspellingen gaat.
4. Toetsing: In deze fase worden de voorspellingen getoetst aan de hand van
experimenten, verdere observaties of andere empirische methoden. Het
doel is om te kijken of de gegevens overeenkomen met de verwachtingen
die uit de hypothese voortkomen. Deze fase is cruciaal, omdat de
hypothese bevestigd of weerlegd kan worden.
5. Evaluatie: In de laatste fase wordt de hypothese geëvalueerd op basis van
de resultaten van de toetsing. Als de resultaten consistent zijn met de
voorspellingen, wordt de hypothese sterker ondersteund. Als de resultaten
niet consistent zijn, moet de hypothese worden aangepast of verworpen.
Soms leidt dit tot het formuleren van een nieuwe hypothese, waardoor de
cyclus opnieuw begint.
Falsificeerbaarheid
Een theorie moet een risico bevatten. Een theorie zou moeten leiden tot
hypothesen die zouden kunnen falen om de theorie te ondersteunen theorie is
falsificeerbaar
Onderzoekers zijn ‘self-correcting’ = ze ondervinden hun eigen fouten en lossen
ze op
Wetenschappers zijn leden van een gemeenschap die zich moeten houden aan
normen:
Merton’s Scientific Norms:
1. Universalisme: wetenschappelijke beweringen worden
beoordeeld op hun verdienste, onafhankelijk van de
referenties of reputatie van de onderzoeker.
- Interpretatie: zelfs studenten kunnen wetenschap
bedrijven, je hebt geen gevorderde graad of positie nodig.
2. Gemeenschappelijkheid: wetenschappelijke kennis wordt
gecreëerd door een gemeenschap en de bevindingen behoren
toe aan de gemeenschap.
- Interpretatie: wetenschappers moeten de resultaten van
hun werk vrij delen met andere wetenschappers en het
publiek.
3. Belangeloosheid: wetenschappers streven ernaar om de
waarheid te ontdekken, wat die ook is. Ze worden niet
beïnvloed door idealisme, overtuiging, politiek of winstbejag.
- Interpretatie: wetenschappers verdraaien het verhaal niet,
maar accepteren wat de gegevens hen vertellen. De eigen
, overtuigingen van een wetenschapper mogen hun
interpretatie van de gegevens niet beïnvloeden.
4. Georganiseerde scepsis: wetenschappers trekken alles in
twijfel, inclusief hun eigen theorieën.
- Interpretatie: wetenschappers nemen bijna niets zomaar
aan, ze moeten altijd vragen het bewijs te zien.
Basis research = onderzoek dat tot doel heeft de algemene kennis te vergroten,
zonder rekening te houden met directe toepassing op praktische problemen
Applied research = onderzoek waarvan het doel is een oplossing te vinden voor
een specifiek praktisch probleem
Translational research = onderzoek dat kennis gebruikt die afkomstig is van
fundamenteel onderzoek om oplossingen voor wereldproblemen te ontwikkelen
en te testen
Journal = een tijdschrift dat peer-reviewed artikelen bevat over een specifieke
academische discipline of subdiscipline, geschreven voor een wetenschappelijk
publiek. Ook wel wetenschappelijk tijdschrift genoemd.
, H2 Sources of Information: Why Research Is Best
and How to Find It
Eigen ervaring is geen goede bron van informatie, vooral omdat het geen
vergelijkingsgroep heeft. Een vergelijkingsgroep is cruciaal voor het verkrijgen
van juiste informatie. Bijvoorbeeld bij het gebruik van een zoutlamp voor extra
mineralen. Je gelooft dat het werkt, maar wat was er gebeurd als je geen
zoutlamp had staan (vergelijkingsgroep)?
Ook kan je niet verklaren wat een verandering heeft veroorzaakt bij persoonlijke
ervaringen. In het dagelijks leven zijn er te veel andere factoren die voor de
verandering gezorgd kunnen hebben.
Confounds = een algemene term voor een mogelijke alternatieve uitleg voor een
onderzoeksbevinding; een bedreiging voor de interne validiteit
Confederate = een acteur die door de onderzoeker wordt aangestuurd om een
specifieke rol te spelen in een onderzoeksstudie
In een onderzoek kunnen potentiële confounds gecontroleerd worden, in
tegenstelling tot in het dagelijks leven.
Resultaten van gedragsonderzoek zijn probalistisch: wetenschap bedoeld is om
een bepaald percentage (maar niet noodzakelijkerwijs alle) van de mogelijke
gevallen te verklaren
Intuïtie is ook geen goede bron van informatie. Mensen zijn geen natuurlijke
wetenschappelijke denkers. Mensen hebben biasen = menselijke valkuilen
5 voorbeelden van biasen:
1. Een conclusie accepteren omdat het logisch lijkt
2. Availability heuristic: de frequentie van iets wordt incorrect ingeschat,
waarbij ze vertrouwen op voorbeelden die gemakkelijk en snel in
gedachten komen, in plaats van alle mogelijke bewijzen te gebruiken bij
het evalueren van een conclusie.
3. Present/present bias: De relatie tussen een gebeurtenis en het resultaat
worden onjuist ingeschat. Er wordt alleen gekeken naar de keren dat de
gebeurtenis en het resultaat aanwezig zijn, terwijl ze vergeten rekening te
houden met bewijs dat afwezig is
4. Confirmation bias: we kijken alleen naar informatie dat overeenstemt met
wat wij willen of al denken