Week 1
Gebaseerd op: T. van der Linden, ‘Natrekking moet worden begrepen als een noodzakelijk
kwaad’, NTBR 2020/16, afl. 5.
1. Inleiding
Natrekking op grond van art. 5:20 lid 1 sub e BW is inmiddels een ruim begrip geworden. Niet alleen
klassieke huizen, maar ook Portacabins en zogenaamde ‘’tiny houses’’ kunnen worden nagetrokken,
zolang zij duurzaam met de grond verenigd zijn.
In dit artikel staat indirecte natrekking centraal, waarvan sprake is zodra werken via een gebouw
indirect met de grond zijn verenigd. Dit houdt praktisch in dat ook een machine in een fabriek
nagetrokken kan worden door de grond, mits de machine naar aard en inrichting bestemd is om
duurzaam ter plaatse te blijven. Het ruime toepassingsgebied van indirecte nawerking is volgens de
auteur echter problematisch, nu dit kan leiden tot te veel rechtsverlies als een zaak wordt nagetrokken
door de zaak van een ander.
Volgens de auteur moeten de natrekkingsregels dan ook restrictief worden toegepast, zoals op grond
van het arrest Dépex/Curatoren blijkt:
Een natrekkingsregel mag niet verder gaan dan wordt gerechtvaardigd door het doel van de
natrekking en;
De erkenning dat natrekking negatieve gevolgen kan als leidraad gelden bij de interpretatie en
toepassing van natrekkingsregels.
De Portcabin leer kan deze restrictieve invalshoek juist tegenspreken. De leer van Van der Plank en
Witting luidt als volgt (hoewel deze niet wordt gevolgd door de HR):
Het object maakt direct contact met de grond dan wordt art. 5:20 lid 1 sub e BW exclusief
toegepast.
Het object maakt geen direct contact met de grond dan wordt art. 3:4 jo 5:3 BW exclusief
toegepast.
De huidige koers van de HR verdient volgens de auteur dus een heroverweging en het liefst wordt
aangesloten bij de leer van Van der Plank en Witting.
2. Ratio van natrekking
Het belang (ofwel de noodzakelijkheid) van natrekking is te vinden in de gedachte dat daarmee
waardevernietiging wordt tegen gegaan. Indien iemand eigenaar kan zijn van de spiegel in een
spiegelreflexcamera, dan kan hij die spiegel revindiceren. Daardoor zou de camera natuurlijk een stuk
minder waard worden.
Maar wat geldt dan precies als een zakenrechtelijke eenheid? Volgens het eenheidsbeginsel moet
duidelijk zijn wat onder het eigendomsrecht valt. De omlijning van het voorwerp van zakenrechtelijke
rechten moet dus helder zijn. De auteur schetst daarom enkele overwegingen:
Verwachtingen in het rechtsverkeer
Dit hangt voornamelijk samen met derdenbescherming, de rechtszekerheid en het
vertrouwensbeginsel. Het moet voor een schuldeiser duidelijk zijn waarop hij zich kan verhalen. Het is
daarom nodig dat duidelijk is wat onder de goederenrechtelijke rechten van de schuldenaar valt.
Verwachtingsmanagement is dus van belang bij de vormgeving van de natrekkingsregel en men moet
niet op het verkeerde been worden gezet.
, Natrekkingsregels behoren hanteerbaar te zijn
Dit houdt in dat de omlijning van de eenheidszaak zo duidelijk is, dat deze het recht kan leiden als het
ware. Ook deze omlijning hangt natuurlijk weer samen met de verwachtingen in het verkeer. Een
voorbeeld is bijvoorbeeld de persoon die een museum wil overdragen, maar de kunstvoorwerpen zelf
wil houden om deze vervolgens aan het koper wil verhuren. Zijn de kunstvoorwerpen echter
nagetrokken door het museum, dan leidt dit tot problemen.
Deze hanteerbaarheid heeft naast een commerciële dimensie ook een conceptuele kant. Zaken zijn
immers veelal gebruiksvoorwerpen en de bestanddelen zijn slechts onderdelen daarvan. Worden de
onderdelen ook als eenheidszaak gezien, dan leidt dit tot conceptuele vraagstukken die de
hanteerbaarheid bemoeilijken.
Natrekking als noodzakelijk kwaad
Heyman bestempelt natrekking als een noodzakelijk kwaad, omdat het leidt tot rechtsverlies wanneer
zaken die toebehoren aan verschillende personen worden verweven tot één eigendomsrecht.
3. De Portacabin-leer
In deze paragraaf worden het Portacabin- en Woonark-arrest uitgelegd. Zie hiervoor de jurisprudentie
in deze samenvatting.
De auteur vervolgt in par. 3.2 met het geven van enkele voorbeelden die in de praktijk door de HR als
onroerend werden aangemerkt, omdat die bestemd waren om duurzaam ter plaatse te blijven:
Een warmtekrachtkoppelingsinstallatie in een aparte ruimte van een kassencomplex;
Mobiele havenkranen die zich over een rails kunnen verplaatsen;
4. Evaluatie Portacabin-leer
De auteur oordeelt dat de Portacabin-leer aan duidelijk niets te wensen over laat. Deze leer wordt
immers strak toegepast: een machine is naar aard en inrichting bestemd om duurzaam ter plaatse te
blijven wanneer de machine zowel functioneel als visueel een geheel vormen met de overige
onderdelen van het bedrijfsterrein. Maar wat betekent dit nou precies in de praktijk? Dat is niet zonder
meer duidelijk te zeggen. De ruime toepassingsregel van natrekking heeft in ieder geval gezorgd voor
een uit de hand gelopen rechtspraak, waardoor de resultaten verder zijn gegaan dan initieel werd
verwacht op het gebied van natrekking (denk aan de voorbeelden die zojuist zijn genoemd).
Geconcludeerd kan worden dat de Portacabin-leer natrekking niet behandelt als een noodzakelijk
kwaad, wat wel zou moeten. Daarnaast blijkt dat de Portacabin-toets niet goed hanteerbaar is.
5. Mogelijkheid tot indamming
De auteur pleit voor aansluiting van de HR bij de leer van Van der Plank en Witting. Indirecte
vereniging is er dan niet al bij indirect contact met de grond, maar slechts als een object bestanddeel is
van een gebouw of werk. Hierdoor wordt de restrictieve koers uit Dépex leidend.
Week 2
Verkrijgende verjaring erfdienstbaarheid van
overpad
Gebaseerd op: F.M.J. Verstijlen annotatie bij NJ 2010/294
1 | Feiten