Introductie in de Klinische Neuropsychologie
College 1: historische context en werkvelden
Beroepsuitoefening (klinische) neuropsychologie
Een neuropsycholoog onderzoekt de relatie tussen hersenen en gedrag
aan de hand van hersenbeschadigingen. Cognitieve revalidatie
betekend dat er wordt gecompenseerd voor of wordt geleerd om te gaan
met beperkingen. Het mind-body problem is de vraag wat de relatie is
tussen onze geest en ons lichaam. Cognitieve functies, zoals perceptie,
geheugen en aandacht, beïnvloeden de hersenfuncties en de mentale
processen. De ventrikeltheorie is een oude theorie over het lokaliseren
van cognitieve functies in de hersenen. Ze dachten dat in de holtes,
ventrikels, de geest zat. Een ander voorbeeld hiervan zijn de
frenologiekaarten; betere functies hebben groter hersengebied. De basis is
best slim, verdeling tussen links en rechts. Het huidige inzicht toont ons
dat al het gedrag wordt gemedieerd door de hersenen. Er is wel
lokalisatie: sommige stoornissen zijn vanuit specifieke onderdelen te
verklaren. En ook holisme: sommige stoornissen zijn vanuit globaal
disfunctioneren van de hersenen te verklaren. Maar hierbij is te weinig
gekeken naar de neuro invloed. De niveaus van lokalisatie zijn; brein,
kwabben, modules, netwerken, verbindingen, cellen en daarna
neurotransmitters.
Cognitieve psychologie
Cognitie is kenvermogen, hoe mensen informatie verwerken en mentale
processen die hierbij een rol spelen. Verschillende experimenten zijn:
Ponzo illusie: hoe perceptie werkt
Stroop effect: kleur en woord, automatische processen kunnen
onderdrukken.
Bij veel van deze experimenten gebruik gemaakt van de
substractiemethode. Tijd van simpele taak aftrekken van de tijd van een
complexe taak verwerkingstijd meten van specifiek mentaal proces.
Cognitieve neuroscience
Hoe mentale processen worden uitgevoerd door de hersenen. Met
brain imaging technieken wordt onderzoek gedaan naar de structuur
en het functioneren van het brein. Temporele resolutie wanneer er iets
plaats vindt, dit kan met een EEG. Spatiële resolutie is waar het plaats
vindt, dit kan met een fMRI.
Cognitieve neuropsychologie
, Hoe cognitieve functies werken door te kijken naar mensen met
hersenbeschadiging en leren hoe normale cognitie is opgebouwd. Vooral
veel case studies. De basis assumpties bij laesie studies zijn:
1. Franctionation assumption: beschadiging van het brein selectieve
cognitieve laesies. Selectief defect in één cognitief proces, hierdoor
zie je welke functie dat hersengebied normaal uitvoert.
2. Transparency assumption: laesies leiden tot beschadiging van een
bestaan cognitief systeem, leiden niet tot een nieuw cognitief
systeem. Verandert systeem niet volledig, maar verwijdert alleen
één onderdeel.
3. Universality assumption: alle cognitieve systemen zijn identiek.
Een enkele dissociatie betekent dat er na beschadiging van gebied X de
prestatie op taak A intact is, maar op taak B niet. (taak A is dus
geassocieerd met gebied X). stoornis in functie X, maar functie Y intact. En
een dubbele dissociatie is dat twee patiënten een tegenovergestelde
enkele dissociatie hebben. Dan zijn X en Y dus twee onafhankelijke
cognitieve systemen. Bij het model van gezichtverwerking zijn er
meerdere stappen die bijdragen aan gezichtsherkenning. Er is bijvoorbeeld
een dubbele dissociatie tussen iemand herkennen aan het gezicht en een
emotionele reactie op dat gezicht. Prosopanosie is dat je wel weet wie
iemand is maar dat je geen emotionele reactie hebt bij zijn/haar gezicht.
Als je wel een emotionele reactie hebt, maar niet weet wie het is dan heet
dit covert-recognition. Het functionele model laat de functionele
stappen zien van gezichtsverwerking. Core system: zien en herkennen
van gezichten. Extended system: emotionele, semantische en sociale
betekenis toevoegen. Met transcraniele magnetische stimulatie wordt
door een sterk magnetisch veld een ‘virtuele laesie’ gescreëerd, met
specifieke uival van cognitieve functies als gevolg.
Klinische neuropsychologie
Hoe hersenbeschadiging, hersenziekten of ontwikkelingsstoornissen
invloed hebben op cognitie, gedrag en emoties en dit diagnostiseren en
behandelen. Vooral met groepsstudies. Het probleem met laesie studies is
dat je moeilijk conclusies kunt vormen. Dit komt doordat gedrag erg
complex is en uit meerdere factoren bestaat. Pluripotentialiteit is dat
een bepaald hersengebied bij meerdere cognitieve functies betrokken is.
College 2: de neuropsychologische praktijk
Neuropsychologische diagnostiek
Vaak zijn dit n=1 onderzoeken. Twee klassieke testbenaderingen in de
neuropsychologische diagnostiek zijn de psychometrische en de
gedragsneurologische testbenadering. Dit eerste is hoe goed iemand
scoort vergeleken met anderen en het tweede is welke specifieke
hersengebieden of cognitieve systemen zijn aangetast. Een voorbeeld
, hiervan is een schotwond in de hersenen. Een voorbeeld van de
psychometrische testbenadering is dat er normen en een
gestandaardiseerde afname is zoals bij een Reitan-Halstead testbatterij.
Kritiek hierop is dat het a-theoretisch is, geen flexibele testbatterij
toegespitst op problemen van patiënt, niet echt blind, kijkt naar ‘ability’ en
niet naar ‘dysfunction’. Kenmerkend voor de gedragsneurologische
testbenadering is dat het theoretisch is, flexibele testafname die
individueel aangepast is aan de problemen van de patiënt en hierdoor is
het dus een hollistische benadering. Ook is het kwantitatief en niet
gestandaardiseerd er zijn dus geen normen. Door middel van korte
eenvoudige taken worden er symptomen uitgelokt die kenmerkend zijn
voor een stoornis in een bepaald gebied van de hersenen. De huidige
werkwijze is vaak een combinatie van de psychometrische en de
kwalitatieve methode. Er zijn enkele standaardtests + individueel
geselecteerde tests, ook is het hypothese toetsend.
Stappenplan diagnostiek
Er zijn drie fasen die allemaal even lang duren. Het begin is de
voorbereiding, dit bestaat uit het vaststellen van de vraagstelling, het
onderzoek van het medisch dossier, de hypothese vorming en de
testselectie. Daarna is het onderzoek, dit bestaat uit de heteroanamnese,
de observatie en het testonderzoek. Tot slot is er de evaluatie, dit bestaat
uit een interpretatie, een verslaglegging en de terugkoppeling. Er zijn twee
soorten vraagstellingen, eentje als er wel al een medische diagnose is en
een als er nog geen medische diagnose is. Ook de voorinformatie is er
belangrijk, zoals de sociale situatie van iemand. Een belangrijk onderdeel
is de testselectie, er moeten vaak meerdere tests gedaan worden, want
tests meten zelden alleen de functie die de test beoogt te meten. De
anamnese is het gesprek met persoon en de heteroanamnese is dit met
een naaste van de persoon. Bij een observatie is het belangrijk dat je van
te voren weet welke observatie je gaat doen.
Cognitieve revalidatie bij niet-aangeboren hersenletsel
De interaction of concepts is een model waarin je ziet dat gezondheid
en functioneren ontstaan uit de interactie tussen functies, activiteiten,
participatie en contextfactoren. Dingen die hierbij horen zijn bijvoorbeeld,
wat werkt er wel en niet in een lichaam, wat kan iemand, hoe doet iemand
mee in het dagelijks leven. Hulpmiddelen, familie, werkdruk zijn
voorbeelden van dingen die invloed hebben op wat iemand kan. Ook
motivatie, coping, leeftijd en persoonlijkheid hebben hier invloed op. Er
zijn twee benaderingen; restauratie en compensatie. Restauratie is
herhaling en training van beschadigde functie zelf, de functie wordt
hiermee beter gemaakt. Compensatie is het omgaan met de beperking,
bijv. agenda gebruiken voor geheugenproblemen.
College 1: historische context en werkvelden
Beroepsuitoefening (klinische) neuropsychologie
Een neuropsycholoog onderzoekt de relatie tussen hersenen en gedrag
aan de hand van hersenbeschadigingen. Cognitieve revalidatie
betekend dat er wordt gecompenseerd voor of wordt geleerd om te gaan
met beperkingen. Het mind-body problem is de vraag wat de relatie is
tussen onze geest en ons lichaam. Cognitieve functies, zoals perceptie,
geheugen en aandacht, beïnvloeden de hersenfuncties en de mentale
processen. De ventrikeltheorie is een oude theorie over het lokaliseren
van cognitieve functies in de hersenen. Ze dachten dat in de holtes,
ventrikels, de geest zat. Een ander voorbeeld hiervan zijn de
frenologiekaarten; betere functies hebben groter hersengebied. De basis is
best slim, verdeling tussen links en rechts. Het huidige inzicht toont ons
dat al het gedrag wordt gemedieerd door de hersenen. Er is wel
lokalisatie: sommige stoornissen zijn vanuit specifieke onderdelen te
verklaren. En ook holisme: sommige stoornissen zijn vanuit globaal
disfunctioneren van de hersenen te verklaren. Maar hierbij is te weinig
gekeken naar de neuro invloed. De niveaus van lokalisatie zijn; brein,
kwabben, modules, netwerken, verbindingen, cellen en daarna
neurotransmitters.
Cognitieve psychologie
Cognitie is kenvermogen, hoe mensen informatie verwerken en mentale
processen die hierbij een rol spelen. Verschillende experimenten zijn:
Ponzo illusie: hoe perceptie werkt
Stroop effect: kleur en woord, automatische processen kunnen
onderdrukken.
Bij veel van deze experimenten gebruik gemaakt van de
substractiemethode. Tijd van simpele taak aftrekken van de tijd van een
complexe taak verwerkingstijd meten van specifiek mentaal proces.
Cognitieve neuroscience
Hoe mentale processen worden uitgevoerd door de hersenen. Met
brain imaging technieken wordt onderzoek gedaan naar de structuur
en het functioneren van het brein. Temporele resolutie wanneer er iets
plaats vindt, dit kan met een EEG. Spatiële resolutie is waar het plaats
vindt, dit kan met een fMRI.
Cognitieve neuropsychologie
, Hoe cognitieve functies werken door te kijken naar mensen met
hersenbeschadiging en leren hoe normale cognitie is opgebouwd. Vooral
veel case studies. De basis assumpties bij laesie studies zijn:
1. Franctionation assumption: beschadiging van het brein selectieve
cognitieve laesies. Selectief defect in één cognitief proces, hierdoor
zie je welke functie dat hersengebied normaal uitvoert.
2. Transparency assumption: laesies leiden tot beschadiging van een
bestaan cognitief systeem, leiden niet tot een nieuw cognitief
systeem. Verandert systeem niet volledig, maar verwijdert alleen
één onderdeel.
3. Universality assumption: alle cognitieve systemen zijn identiek.
Een enkele dissociatie betekent dat er na beschadiging van gebied X de
prestatie op taak A intact is, maar op taak B niet. (taak A is dus
geassocieerd met gebied X). stoornis in functie X, maar functie Y intact. En
een dubbele dissociatie is dat twee patiënten een tegenovergestelde
enkele dissociatie hebben. Dan zijn X en Y dus twee onafhankelijke
cognitieve systemen. Bij het model van gezichtverwerking zijn er
meerdere stappen die bijdragen aan gezichtsherkenning. Er is bijvoorbeeld
een dubbele dissociatie tussen iemand herkennen aan het gezicht en een
emotionele reactie op dat gezicht. Prosopanosie is dat je wel weet wie
iemand is maar dat je geen emotionele reactie hebt bij zijn/haar gezicht.
Als je wel een emotionele reactie hebt, maar niet weet wie het is dan heet
dit covert-recognition. Het functionele model laat de functionele
stappen zien van gezichtsverwerking. Core system: zien en herkennen
van gezichten. Extended system: emotionele, semantische en sociale
betekenis toevoegen. Met transcraniele magnetische stimulatie wordt
door een sterk magnetisch veld een ‘virtuele laesie’ gescreëerd, met
specifieke uival van cognitieve functies als gevolg.
Klinische neuropsychologie
Hoe hersenbeschadiging, hersenziekten of ontwikkelingsstoornissen
invloed hebben op cognitie, gedrag en emoties en dit diagnostiseren en
behandelen. Vooral met groepsstudies. Het probleem met laesie studies is
dat je moeilijk conclusies kunt vormen. Dit komt doordat gedrag erg
complex is en uit meerdere factoren bestaat. Pluripotentialiteit is dat
een bepaald hersengebied bij meerdere cognitieve functies betrokken is.
College 2: de neuropsychologische praktijk
Neuropsychologische diagnostiek
Vaak zijn dit n=1 onderzoeken. Twee klassieke testbenaderingen in de
neuropsychologische diagnostiek zijn de psychometrische en de
gedragsneurologische testbenadering. Dit eerste is hoe goed iemand
scoort vergeleken met anderen en het tweede is welke specifieke
hersengebieden of cognitieve systemen zijn aangetast. Een voorbeeld
, hiervan is een schotwond in de hersenen. Een voorbeeld van de
psychometrische testbenadering is dat er normen en een
gestandaardiseerde afname is zoals bij een Reitan-Halstead testbatterij.
Kritiek hierop is dat het a-theoretisch is, geen flexibele testbatterij
toegespitst op problemen van patiënt, niet echt blind, kijkt naar ‘ability’ en
niet naar ‘dysfunction’. Kenmerkend voor de gedragsneurologische
testbenadering is dat het theoretisch is, flexibele testafname die
individueel aangepast is aan de problemen van de patiënt en hierdoor is
het dus een hollistische benadering. Ook is het kwantitatief en niet
gestandaardiseerd er zijn dus geen normen. Door middel van korte
eenvoudige taken worden er symptomen uitgelokt die kenmerkend zijn
voor een stoornis in een bepaald gebied van de hersenen. De huidige
werkwijze is vaak een combinatie van de psychometrische en de
kwalitatieve methode. Er zijn enkele standaardtests + individueel
geselecteerde tests, ook is het hypothese toetsend.
Stappenplan diagnostiek
Er zijn drie fasen die allemaal even lang duren. Het begin is de
voorbereiding, dit bestaat uit het vaststellen van de vraagstelling, het
onderzoek van het medisch dossier, de hypothese vorming en de
testselectie. Daarna is het onderzoek, dit bestaat uit de heteroanamnese,
de observatie en het testonderzoek. Tot slot is er de evaluatie, dit bestaat
uit een interpretatie, een verslaglegging en de terugkoppeling. Er zijn twee
soorten vraagstellingen, eentje als er wel al een medische diagnose is en
een als er nog geen medische diagnose is. Ook de voorinformatie is er
belangrijk, zoals de sociale situatie van iemand. Een belangrijk onderdeel
is de testselectie, er moeten vaak meerdere tests gedaan worden, want
tests meten zelden alleen de functie die de test beoogt te meten. De
anamnese is het gesprek met persoon en de heteroanamnese is dit met
een naaste van de persoon. Bij een observatie is het belangrijk dat je van
te voren weet welke observatie je gaat doen.
Cognitieve revalidatie bij niet-aangeboren hersenletsel
De interaction of concepts is een model waarin je ziet dat gezondheid
en functioneren ontstaan uit de interactie tussen functies, activiteiten,
participatie en contextfactoren. Dingen die hierbij horen zijn bijvoorbeeld,
wat werkt er wel en niet in een lichaam, wat kan iemand, hoe doet iemand
mee in het dagelijks leven. Hulpmiddelen, familie, werkdruk zijn
voorbeelden van dingen die invloed hebben op wat iemand kan. Ook
motivatie, coping, leeftijd en persoonlijkheid hebben hier invloed op. Er
zijn twee benaderingen; restauratie en compensatie. Restauratie is
herhaling en training van beschadigde functie zelf, de functie wordt
hiermee beter gemaakt. Compensatie is het omgaan met de beperking,
bijv. agenda gebruiken voor geheugenproblemen.