Hoofdstuk 1: Leer-, onderwijzen en onderwijspsychologie
1.1 Leren en onderwijzen in de huidige tijd
1.1.1 De studenten van nu: Grote diversiteit en geavanceerde
technologie
De leerlingenpopulatie in de Verenigde Staten (als graadmeter voor de
algemene trends) vertoont een opmerkelijke verscheidenheid. Enkele
belangrijke statistieken illustreren dit:
Immigratie: De VS is historisch gezien een land van immigranten.
Momenteel heeft ongeveer 25% van de kinderen onder de 18 jaar
een migratieachtergrond. De verwachting is dat dit percentage de
komende jaren verder zal stijgen.
Armoede: Bijna 15 miljoen kinderen (22%) leven in armoede.
Hiermee heeft de VS de op één na hoogste ratio voor kinderarmoede
onder de 35 economisch ontwikkelde landen. Ter vergelijking:
IJsland, de Scandinavische landen, Cyprus en Nederland hebben de
laagste percentages.
Vermogenskloof: Een gemiddeld zwart huishouden heeft slechts
ongeveer 8% van het vermogen van een gemiddeld blank
huishouden.
Ontwikkelingsstoornissen: Circa 1 op de 6 kinderen kampt met
een milde tot ernstige ontwikkelingsstoornis, zoals autisme, een
verstandelijke beperking of spraakstoornissen. Meer dan de helft van
deze kinderen volgt regulier onderwijs.
Gezinssituaties: In 2012 leefde 20% van de kinderen tot 17 jaar bij
gescheiden ouders. Verder woonde 11% samen met iemand met een
verslavingsproblematiek, had 7% een ouder met een
gevangenisverleden en leefde 9% met een psychisch zieke
huisgenoot.
Volgens onderzoekster Erica Turner is de samenleving diverser en
ongelijker dan ooit. Ondanks deze verschillen hebben leerlingen door
massamedia ook veel gemeen, zoals hun technologische vaardigheden. 8-
jarigen kijken bijvoorbeeld meer dan 2 uur per dag TV en zitten dagelijks
ruim een half uur op de computer, waardoor ze vaak vaardiger zijn met
technologie dan hun leraren.
1.1.2 Zelfvertrouwen in elke context
Onderwijzen en leren zijn de kernactiviteiten van een school; al het andere
is bijzaak. Een cruciale factor hierbij is de zelfeffectiviteit van de docent:
de overtuiging dat men zelfs de meest uitdagende leerling kan helpen bij
het leerproces. Dit is een van de weinige persoonlijke kenmerken van een
leraar die de prestaties van leerlingen daadwerkelijk kan voorspellen.
Docenten met een hoge zelfeffectiviteit:
Werken harder en houden langer vol bij moeilijke situaties.
Ervaren minder snel een burn-out.
Zijn over het algemeen meer tevreden met hun werk.
1.1.3 Hoge verwachtingen voor docenten en leerlingen
,Wetgeving heeft een grote impact op het onderwijs. In 2002 voerde
George W. Bush de wet 'No Child Left Behind' (NCLB) in, die jaarlijkse
gestandaardiseerde tests voor lezen en wiskunde verplichtte in groep 3 tot
en met 8. Ook wetenschap werd getoetst om de jaarlijkse voortgang te
meten11. Scholen en leraren kregen straffen bij ondermaats presteren.
Vanwege de negatieve bijwerkingen tekende Barack Obama in 2015 de
'Every Student Succeeds Act' (ESSA). De belangrijkste wijzigingen zijn:
Staten mogen nu hun eigen normen vaststellen en de
bekwaamheidseis voor álle studenten vervalt.
Er moet nog steeds getoetst worden (met 95% deelname), maar
lokale districten bepalen zelf de vorm en het tijdstip van de toetsen.
Scholen worden pas als 'mislukt' beschouwd als ze tot de laagste 5%
behoren of als minder dan twee derde van de leerlingen afstudeert.
Er is nu verplichte financiering voor speciale diensten op privé- en
religieuze scholen als leerlingen daarvoor in aanmerking komen.
Veel docenten vinden echter dat er nog steeds te veel tijd opgaat aan
toetsvoorbereiding ten koste van vakken als kunst, muziek en lichamelijke
opvoeding.
1.1.4 Maken docenten echt het verschil?
Onderzoek bevestigt dat de invloed van een leraar groot is:
Relatie leraar-leerling: Hamre en Piante (2011) toonden aan dat
de kwaliteit van de relatie (gemeten op basis van conflict,
afhankelijkheid en genegenheid) bepalend is voor succes op de
lange termijn. Dit geldt vooral voor kinderen met gedragsproblemen;
zij hebben minder problemen later als hun vroege leraren gevoelig
zijn en goede feedback geven.
Impact van effectiviteit: Sanders en Rivers (1996) ontdekten dat
leerlingen die drie jaar achter elkaar (groep 3-5) zeer effectieve
leraren hadden, aanzienlijk hoger scoorden op wiskunde.
Cumulatief effect: Goed onderwijs in latere jaren kan slecht
onderwijs uit het verleden deels compenseren, maar nooit volledig
herstellen. Vooral zwakkere leerlingen profiteren het meest van
kwalitatief goede docenten.
1.2 Wat is goed onderwijzen?
Goed onderwijs vindt overal plaats (thuis, ziekenhuizen, musea), maar hier
focussen we op het klaslokaal21.
1.2.1 De praktijk in het klaslokaal
Leraren moeten constant differentiëren om aan de diverse behoeften
(taal, thuissituatie, vaardigheden) te voldoen. Ze bewaken de emotionele
balans, het zelfrespect en de verantwoordelijkheid van leerlingen 22. Een
goede leraar is reflectief: hij analyseert constant eigen handelen om te
verbeteren. Daarnaast is een leraar zowel deskundig als inventief door een
scala aan strategieën in te zetten.
1.2.1.1 Modellen voor goed onderwijs
Er zijn drie prominente systemen om de kwaliteit van leraren te evalueren:
1. Danielson's Framework for Teaching: Bestaat uit 4 domeinen:
Planning en voorbereiding, Klasomgeving, Instructie en Professionele
, verantwoordelijkheden. Deze zijn onderverdeeld in 22 componenten
en 76 elementen, met vier vaardigheidsniveaus (onbevredigd tot
onderscheiden)24.
2. Teaching Works: Richt zich op 19 essentiële praktijken, waaronder
het leiden van discussies, het interpreteren van leerlingdenken, het
opbouwen van relaties en het geven van feedback.
+1
3. Measures of Teacher Effectiveness (MET): Een project van de
Gates Foundation dat drie maatstaven hanteert: winst op
staatsexamens, leerlingenenquêtes en observaties via het
Danielson-kader.
1.2.2 Beginnende leerkrachten
Velen ervaren een 'realiteitsschok' bij hun eerste baan door de grote
verantwoordelijkheid. Met de juiste steun en ervaring verschuift hun focus
van 'overleven' naar het succes van de leerling.
1.3 De rol van onderwijspsychologie
1.3.1 De koppeling tussen psychologie en onderwijs
Vanaf het begin was psychologie in de VS verbonden met onderwijs.
Stanley Hall (oprichter APA) gebruikte observaties van leerkrachten voor
zijn onderzoek naar de wereld van kinderen. Onderwijspsychologen
bestuderen tegenwoordig ontwikkeling, motivatie, culturele invloeden en
toetsing in de context van leren.
1.3.2 Is het gewoon gezond verstand?
Vaak lijken onderzoeksresultaten logisch, maar de feiten spreken dit soms
tegen:
Hulp bieden: Waar men denkt dat zwakke leerlingen veel hulp
nodig hebben, blijkt uit onderzoek dat ongevraagde hulp kan leiden
tot de conclusie dat de leerling niet capabel is, wat de motivatie
schaadt.
Klassen overslaan: Men is vaak bang dat slimme kinderen sociale
buitenbeentjes worden als ze versnellen, maar onderzoek toont aan
dat versnelling juist de meest effectieve interventie is voor
hoogbegaafden32.
Keuzevrijheid: Meer controle over het eigen leren werkt niet voor
iedereen; zwakkere leerlingen kunnen hierdoor juist vermijden wat
ze moeilijk vinden33.
1.4 Onderzoek inzetten om leren te begrijpen
Onderzoekers gebruiken diverse methoden:
1. Correlatiestudies: Meten de sterkte en richting van een relatie
tussen twee factoren (tussen -1.00 en +1.00). Correlatie bewijst
geen oorzaak-gevolg, maar helpt bij voorspellingen.
2. Experimentele studies: Hierbij worden bewuste veranderingen
aangebracht om oorzaak-gevolg te bepalen. Dit kan willekeurig
(random) of quasi-experimenteel (met bestaande groepen).
+1
, 3. ABAB-ontwerp: Een proces van baseline (A), interventie (B),
stoppen van interventie (A) en herstel (B) om effectiviteit te
toetsen36.
4. Klinische interviews & Casestudies: Diepgaand onderzoek naar
één persoon of situatie via open vragen.
5. Etnografie: Bestuderen van gebeurtenissen in de natuurlijke
omgeving om de betekenis voor de betrokkenen te begrijpen 38.
1.4.1 De rol van tijd in onderzoek
Longitudinaal: Dezelfde proefpersonen over vele jaren volgen
(duur en tijdrovend).
Transversaal: Verschillende leeftijdsgroepen tegelijkertijd
bestuderen.
Microgenetisch: Cognitieve processen intensief observeren op het
moment dat de verandering plaatsvindt (met 'een microscoop').
1.4.2 Kwantitatief vs. Kwalitatief onderzoek
Kwalitatief: Gebruikt woorden, beelden en thema's om situaties
diepgaand te begrijpen (bijv. etnografie).
Kwantitatief: Gebruikt cijfers en statistieken om resultaten te
generaliseren (bijv. experimenten).
Gemengde methoden: Combineert beide vormen voor zowel
diepgang als breedte.
1.5 Theorieën voor het onderwijs
Een wetenschappelijke theorie is een samenhangende reeks concepten
die gegevens verklaart en voorspellingen doet. De onderzoekscyclus
verbindt theorie en praktijk:
1. Hypothesen formuleren op basis van theorie.
2. Systematisch data verzamelen en analyseren.
3. Theorieën aanpassen op basis van resultaten.
4. Nieuwe hypothesen opstellen.
Hoofdstuk 2: Cognitieve ontwikkeling
2.1 Wat verstaan we onder ontwikkeling?
Ontwikkeling wordt gedefinieerd als de reeks specifieke veranderingen die
mensen (en dieren) doormaken tussen de bevruchting en het overlijden.
Deze transformaties volgen een gestructureerd patroon en hebben een
blijvend karakter. Binnen dit proces onderscheiden we verschillende
vormen, zoals fysieke, persoonlijke, sociale en cognitieve groei. Een groot
deel van deze veranderingen komt voort uit rijping: spontane processen
die genetisch zijn vastgelegd. Andere aspecten van groei worden echter
gestuurd door interacties met de buitenwereld en leerervaringen. Kortom,
menselijke groei is het resultaat van een samenspel tussen aanleg
(nature) en omgevingsfactoren (nurture).
2.1.1 Drie fundamentele vraagstukken binnen de psychologie
1.1 Leren en onderwijzen in de huidige tijd
1.1.1 De studenten van nu: Grote diversiteit en geavanceerde
technologie
De leerlingenpopulatie in de Verenigde Staten (als graadmeter voor de
algemene trends) vertoont een opmerkelijke verscheidenheid. Enkele
belangrijke statistieken illustreren dit:
Immigratie: De VS is historisch gezien een land van immigranten.
Momenteel heeft ongeveer 25% van de kinderen onder de 18 jaar
een migratieachtergrond. De verwachting is dat dit percentage de
komende jaren verder zal stijgen.
Armoede: Bijna 15 miljoen kinderen (22%) leven in armoede.
Hiermee heeft de VS de op één na hoogste ratio voor kinderarmoede
onder de 35 economisch ontwikkelde landen. Ter vergelijking:
IJsland, de Scandinavische landen, Cyprus en Nederland hebben de
laagste percentages.
Vermogenskloof: Een gemiddeld zwart huishouden heeft slechts
ongeveer 8% van het vermogen van een gemiddeld blank
huishouden.
Ontwikkelingsstoornissen: Circa 1 op de 6 kinderen kampt met
een milde tot ernstige ontwikkelingsstoornis, zoals autisme, een
verstandelijke beperking of spraakstoornissen. Meer dan de helft van
deze kinderen volgt regulier onderwijs.
Gezinssituaties: In 2012 leefde 20% van de kinderen tot 17 jaar bij
gescheiden ouders. Verder woonde 11% samen met iemand met een
verslavingsproblematiek, had 7% een ouder met een
gevangenisverleden en leefde 9% met een psychisch zieke
huisgenoot.
Volgens onderzoekster Erica Turner is de samenleving diverser en
ongelijker dan ooit. Ondanks deze verschillen hebben leerlingen door
massamedia ook veel gemeen, zoals hun technologische vaardigheden. 8-
jarigen kijken bijvoorbeeld meer dan 2 uur per dag TV en zitten dagelijks
ruim een half uur op de computer, waardoor ze vaak vaardiger zijn met
technologie dan hun leraren.
1.1.2 Zelfvertrouwen in elke context
Onderwijzen en leren zijn de kernactiviteiten van een school; al het andere
is bijzaak. Een cruciale factor hierbij is de zelfeffectiviteit van de docent:
de overtuiging dat men zelfs de meest uitdagende leerling kan helpen bij
het leerproces. Dit is een van de weinige persoonlijke kenmerken van een
leraar die de prestaties van leerlingen daadwerkelijk kan voorspellen.
Docenten met een hoge zelfeffectiviteit:
Werken harder en houden langer vol bij moeilijke situaties.
Ervaren minder snel een burn-out.
Zijn over het algemeen meer tevreden met hun werk.
1.1.3 Hoge verwachtingen voor docenten en leerlingen
,Wetgeving heeft een grote impact op het onderwijs. In 2002 voerde
George W. Bush de wet 'No Child Left Behind' (NCLB) in, die jaarlijkse
gestandaardiseerde tests voor lezen en wiskunde verplichtte in groep 3 tot
en met 8. Ook wetenschap werd getoetst om de jaarlijkse voortgang te
meten11. Scholen en leraren kregen straffen bij ondermaats presteren.
Vanwege de negatieve bijwerkingen tekende Barack Obama in 2015 de
'Every Student Succeeds Act' (ESSA). De belangrijkste wijzigingen zijn:
Staten mogen nu hun eigen normen vaststellen en de
bekwaamheidseis voor álle studenten vervalt.
Er moet nog steeds getoetst worden (met 95% deelname), maar
lokale districten bepalen zelf de vorm en het tijdstip van de toetsen.
Scholen worden pas als 'mislukt' beschouwd als ze tot de laagste 5%
behoren of als minder dan twee derde van de leerlingen afstudeert.
Er is nu verplichte financiering voor speciale diensten op privé- en
religieuze scholen als leerlingen daarvoor in aanmerking komen.
Veel docenten vinden echter dat er nog steeds te veel tijd opgaat aan
toetsvoorbereiding ten koste van vakken als kunst, muziek en lichamelijke
opvoeding.
1.1.4 Maken docenten echt het verschil?
Onderzoek bevestigt dat de invloed van een leraar groot is:
Relatie leraar-leerling: Hamre en Piante (2011) toonden aan dat
de kwaliteit van de relatie (gemeten op basis van conflict,
afhankelijkheid en genegenheid) bepalend is voor succes op de
lange termijn. Dit geldt vooral voor kinderen met gedragsproblemen;
zij hebben minder problemen later als hun vroege leraren gevoelig
zijn en goede feedback geven.
Impact van effectiviteit: Sanders en Rivers (1996) ontdekten dat
leerlingen die drie jaar achter elkaar (groep 3-5) zeer effectieve
leraren hadden, aanzienlijk hoger scoorden op wiskunde.
Cumulatief effect: Goed onderwijs in latere jaren kan slecht
onderwijs uit het verleden deels compenseren, maar nooit volledig
herstellen. Vooral zwakkere leerlingen profiteren het meest van
kwalitatief goede docenten.
1.2 Wat is goed onderwijzen?
Goed onderwijs vindt overal plaats (thuis, ziekenhuizen, musea), maar hier
focussen we op het klaslokaal21.
1.2.1 De praktijk in het klaslokaal
Leraren moeten constant differentiëren om aan de diverse behoeften
(taal, thuissituatie, vaardigheden) te voldoen. Ze bewaken de emotionele
balans, het zelfrespect en de verantwoordelijkheid van leerlingen 22. Een
goede leraar is reflectief: hij analyseert constant eigen handelen om te
verbeteren. Daarnaast is een leraar zowel deskundig als inventief door een
scala aan strategieën in te zetten.
1.2.1.1 Modellen voor goed onderwijs
Er zijn drie prominente systemen om de kwaliteit van leraren te evalueren:
1. Danielson's Framework for Teaching: Bestaat uit 4 domeinen:
Planning en voorbereiding, Klasomgeving, Instructie en Professionele
, verantwoordelijkheden. Deze zijn onderverdeeld in 22 componenten
en 76 elementen, met vier vaardigheidsniveaus (onbevredigd tot
onderscheiden)24.
2. Teaching Works: Richt zich op 19 essentiële praktijken, waaronder
het leiden van discussies, het interpreteren van leerlingdenken, het
opbouwen van relaties en het geven van feedback.
+1
3. Measures of Teacher Effectiveness (MET): Een project van de
Gates Foundation dat drie maatstaven hanteert: winst op
staatsexamens, leerlingenenquêtes en observaties via het
Danielson-kader.
1.2.2 Beginnende leerkrachten
Velen ervaren een 'realiteitsschok' bij hun eerste baan door de grote
verantwoordelijkheid. Met de juiste steun en ervaring verschuift hun focus
van 'overleven' naar het succes van de leerling.
1.3 De rol van onderwijspsychologie
1.3.1 De koppeling tussen psychologie en onderwijs
Vanaf het begin was psychologie in de VS verbonden met onderwijs.
Stanley Hall (oprichter APA) gebruikte observaties van leerkrachten voor
zijn onderzoek naar de wereld van kinderen. Onderwijspsychologen
bestuderen tegenwoordig ontwikkeling, motivatie, culturele invloeden en
toetsing in de context van leren.
1.3.2 Is het gewoon gezond verstand?
Vaak lijken onderzoeksresultaten logisch, maar de feiten spreken dit soms
tegen:
Hulp bieden: Waar men denkt dat zwakke leerlingen veel hulp
nodig hebben, blijkt uit onderzoek dat ongevraagde hulp kan leiden
tot de conclusie dat de leerling niet capabel is, wat de motivatie
schaadt.
Klassen overslaan: Men is vaak bang dat slimme kinderen sociale
buitenbeentjes worden als ze versnellen, maar onderzoek toont aan
dat versnelling juist de meest effectieve interventie is voor
hoogbegaafden32.
Keuzevrijheid: Meer controle over het eigen leren werkt niet voor
iedereen; zwakkere leerlingen kunnen hierdoor juist vermijden wat
ze moeilijk vinden33.
1.4 Onderzoek inzetten om leren te begrijpen
Onderzoekers gebruiken diverse methoden:
1. Correlatiestudies: Meten de sterkte en richting van een relatie
tussen twee factoren (tussen -1.00 en +1.00). Correlatie bewijst
geen oorzaak-gevolg, maar helpt bij voorspellingen.
2. Experimentele studies: Hierbij worden bewuste veranderingen
aangebracht om oorzaak-gevolg te bepalen. Dit kan willekeurig
(random) of quasi-experimenteel (met bestaande groepen).
+1
, 3. ABAB-ontwerp: Een proces van baseline (A), interventie (B),
stoppen van interventie (A) en herstel (B) om effectiviteit te
toetsen36.
4. Klinische interviews & Casestudies: Diepgaand onderzoek naar
één persoon of situatie via open vragen.
5. Etnografie: Bestuderen van gebeurtenissen in de natuurlijke
omgeving om de betekenis voor de betrokkenen te begrijpen 38.
1.4.1 De rol van tijd in onderzoek
Longitudinaal: Dezelfde proefpersonen over vele jaren volgen
(duur en tijdrovend).
Transversaal: Verschillende leeftijdsgroepen tegelijkertijd
bestuderen.
Microgenetisch: Cognitieve processen intensief observeren op het
moment dat de verandering plaatsvindt (met 'een microscoop').
1.4.2 Kwantitatief vs. Kwalitatief onderzoek
Kwalitatief: Gebruikt woorden, beelden en thema's om situaties
diepgaand te begrijpen (bijv. etnografie).
Kwantitatief: Gebruikt cijfers en statistieken om resultaten te
generaliseren (bijv. experimenten).
Gemengde methoden: Combineert beide vormen voor zowel
diepgang als breedte.
1.5 Theorieën voor het onderwijs
Een wetenschappelijke theorie is een samenhangende reeks concepten
die gegevens verklaart en voorspellingen doet. De onderzoekscyclus
verbindt theorie en praktijk:
1. Hypothesen formuleren op basis van theorie.
2. Systematisch data verzamelen en analyseren.
3. Theorieën aanpassen op basis van resultaten.
4. Nieuwe hypothesen opstellen.
Hoofdstuk 2: Cognitieve ontwikkeling
2.1 Wat verstaan we onder ontwikkeling?
Ontwikkeling wordt gedefinieerd als de reeks specifieke veranderingen die
mensen (en dieren) doormaken tussen de bevruchting en het overlijden.
Deze transformaties volgen een gestructureerd patroon en hebben een
blijvend karakter. Binnen dit proces onderscheiden we verschillende
vormen, zoals fysieke, persoonlijke, sociale en cognitieve groei. Een groot
deel van deze veranderingen komt voort uit rijping: spontane processen
die genetisch zijn vastgelegd. Andere aspecten van groei worden echter
gestuurd door interacties met de buitenwereld en leerervaringen. Kortom,
menselijke groei is het resultaat van een samenspel tussen aanleg
(nature) en omgevingsfactoren (nurture).
2.1.1 Drie fundamentele vraagstukken binnen de psychologie