Inhoudsopgave
CoMED4 – Pathologie Tractus Urogenitalis ...............................................................................2
CoMED5 – Pathologie tractus respiratorius ..............................................................................4
CoMED6 – Pathologie tractus circulatorius...............................................................................6
CoMED7 – Pathologie tractus digestivus ..................................................................................8
CoMED9 – Diabetes en hormoonhuishouding ......................................................................... 11
CoCT1 – Contrastresolutie..................................................................................................... 13
CoCT2 – CT hersenen ............................................................................................................ 14
CoCT3 – CT Thorax ................................................................................................................ 16
CoCT4 – Spatiele resolutie ..................................................................................................... 17
CoCT5- CT Extremiteiten en wervels ...................................................................................... 18
CoMRI1 – Beeldkwaliteit ........................................................................................................ 20
fcMRI1 - Beeldkwaliteit .......................................................................................................... 21
CoMRI2 – SE, TSE en GE......................................................................................................... 22
CoMRI – IR, STIR, SPIR en FLAIR ............................................................................................. 24
CoNG1 – Longventilatie + perfusiescintigrafie......................................................................... 26
fcoNG5 – Kwaliteitscontroles NG ........................................................................................... 28
CoNG2 – PET-CT [18-F]FDG en kwantificeren ......................................................................... 30
CoNG3 – Schildklierscintigrafie en therapie ............................................................................ 32
CoEC1 – Echofysica: weergave modi ...................................................................................... 35
CoEC2 – Beeldkwaliteit en beeldoptimalisatie ........................................................................ 37
CoEC3 – Beeldherkenning lever ............................................................................................. 39
CoEC4 – Beeldherkenning galwegen ...................................................................................... 41
CoRT1 – IGRT ........................................................................................................................ 43
CoRT2 – IMRT ........................................................................................................................ 45
CoRT3 – QA in de radiotherapie .............................................................................................. 47
,CoMED4 – Pathologie Tractus Urogenitalis
Aangeboren aandoeningen aan de nieren
1. Renale agenesie: het missen van één nier. Vaak ontbreekt ook de
ureter aan dezelfde kant. Patiënten hebben meestal geen klachten en
de aandoening wordt vaak toevallig ontdekt. De aanwezige nier
vertoont meestal hypertrofie (gaat groeien). Bij renale hypoplasie is de
tweede nier wel aanwezig, maar onvoldoende ontwikkeld.
2. Malrotatie: Een verkeerde rotatie van een nier tijdens de embryonale
ontwikkeling. Dit geeft meestal geen klachten, maar meestal wel een
iets grotere kans op een urineweginfectie. Soms gaat deze aandoening
gepaard met andere stoornissen zoals het syndroom van Turner.
3. Ectopische nier: afwijkend gepositioneerde nier. Voorbeelden zijn
bekkennier, intrathoracale nier en gekruiste ectopie (beide nieren zitten
aan één kant).
4. Hoefijzernier: De onderste nierpolen zijn aan elkaar vergroeid. Ze
liggen daardoor lager in de buik. De ureters ontspringen ventraal i.p.v.
mediaal. En is er een verhoogde kans op urineweginfectie.
Polycystische nier: ernstige, erfelijke aandoening waarbij in de loop van de tijd steeds meer
cysten (1-15mm) in de nieren ontstaan. Door al deze cysten functioneren de nieren niet meer
goed. Een van de eerste symptomen is een hoge bloeddruk. Dit leidt vaak tot nierfalen, waarvoor
dialyse of niertransplantatie noodzakelijk is.
Aangeboren aandoeningen aan de baarmoeder
1. Uterus Didelphic: de baarmoederhals is gesplitst en
gescheiden door een septum. Dit leidt tot twee afzonderlijke
baarmoederholtes en vaak ook 2 baarmoederhaltes en vaginale
ingangen.
2. Uterus Bicornuate: er is een gedeeltelijke verdeling van de
baarmoeder (half septum).
3. Uterus septate: De baarmoeder is verdeeld door een septum,
wat de vruchtbaarheid kan beïnvloeden.
4. Uterus Unicornuate: Slechts één kant van de baarmoeder is
ontwikkeld. Dit leidt tot een kleinere uterus en verminderde
vruchtbaarheid, mede doordat er minder eicellen tot rijping komen.
Bij al deze aandoeningen is er vaak minder ruimte voor de baby om te groeien. Dit verhoogt het
risico op vroeggeboorte, stuitligging en een miskraam.
Uterine aplasie: het ontbreken van de baarmoeder.
Primaire amenorroe: geen menstruatie voor 16-jarige leeftijd.
Secundaire amenorroe: uitblijvende menstruatie gedurende 6 maanden of langer na eerder wel
gemenstrueerd te hebben.
,Verworven aandoeningen
Lithiasis: ook wel steenvorming. Nefrolithiasis = niersteen, urolithiasis = urinewegsteen. De
oorzaak is een kristallisatieproces (75-80% samengesteld uit calciumzouten), door: weinig
drinken, overmatig zweten, medicijngebruik en/of veel eiwitten in het bloed. De symptomen zijn:
pijn bij plassen, hematurie en misselijkheid. De behandeling is lithotripsie (niersteenvergruizer)
of medicijnen (spierverslappend/oplossen stenen).
Hydronefrose: waterzaknier. De oorzaak is een obstructie van uitstroom van urine door
bijvoorbeeld een niersteen of tumor. Hierdoor hoopt de urine zich op in de nier, wat leidt tot
verhoogde druk en ernstige stekende pijn in de flank.
Cystitis: blaasontsteking. Komt meer bij vrouwen dan bij mannen voor, vanwege de kortere
urinebuis. Symptomen zijn pollakisurie (vaker plassen), loze aandrang en brandend gevoel.
Andere ontstekingen in de urinewegen: urethritis (ontsteking van de urethra), ureteritis
(ontsteking van de ureter(s)) en pyelonefritis (nierbekkenontsteking).
Glomerulonefritis: ontsteking van de glomeruli. Meestal als gevolg van een infectie elders in het
lichaam. Symptomen: hematurie, frequentie urineren, schuimende of troebele urine,
opgezwollen gezicht, voeten en benen, kortademigheid.
Pelvic inflammatory disease
Bij vrouwen: cervicitis (ontsteking baarmoederhals), endometritis (ontsteking
baarmoederslijmvlies), salpingitis (ontsteking van de eileiders) en oöforitis (ontsteking ovaria).
De meest voorkomende oorzaak zijn Soa’s. Bacteriële infecties kunnen littekenweefsel
veroorzaken.
Bij mannen: prostatitis (ontsteking van de prostaat), epididymitis (ontsteking van de bijbal),
orchitis (ontsteking van de testikels).
Niercelcarcinoom: 2x vaker bij mannen (50-70 jaar) en rokers. Blijft jaren onopgemerkt.
Symptomen zijn: pijnloze hematurie, pijn nierstreek en moeheid.
Nefroblastoom (Wilms tumor): komt voor bij kinderen (2-5 jaar). Ontstaat uit embryonaal
renaal weefsel. Behandeling: chemotherapie, nefrectomie of radiotherapie. 85% genezingskans.
Myomen (vleesbomen): goedaardige tumor van de baarmoeder.
Andere veelvoorkomende kankers: baarmoederhalskanker, prostaatkanker, testiscarcinoom
Diagnostiek en behandeling
De diagnostiek van aandoeningen aan de tractus urogenitalis begint vrijwel altijd met
urineonderzoek. Verder wordt er vaak nog bloedonderzoek, beeldvormend onderzoek en
weefselonderzoek gedaan.
Nierdialyse is het kunstmatig filteren van bloed. 80/90% uitval van de nieren, slechts 10%
overname. 2 soorten: hemodialyse (buiten het lichaam via machine) en peritoneaal dialyse (via
buikvlies).
Bij een niertransplantatie wordt de donornier vaak in het bekken geplaatst en blijft de eigen (niet-
functionerende) nier vaak zitten. Deze nier zorgt voor 50% functionering. 75% werkt nog na 10
jaar.
,CoMED5 – Pathologie tractus respiratorius
Terminologie
Apneu: ademstilstand
Dyspneu: benauwdheid/kortademigheid/ademnood
Tachypneu: versnelde ademhaling
Bradypneu: vertraagde ademhaling
Hyperpneu: versnelde en verdiepte ademhaling (hyperventilatie)
Hypopneu: 50% afname ademhaling gedurende > 10 sec (hypoventilatie)
Hemoptoë: bloed ophoesten
Cyanose: blauwe verkleuring door zuurstoftekort
Aspiratie is het niet meer kunnen inademen. Kan door vreemde voorwerpen die in de
larynx/trachea blijven steken of door zwelling van de epiglottis of weefsels rond de glottis.
Behandeling in acute situatie is de heimlich-greep en als laatste redmiddel een tracheotomie.
Luchtweginfecties
Verkoudheid: acute ontsteking van het slijmvlies in de bovenste luchtwegen. Veroorzaakt door
meer dan 200 virusstammen (relatief besmettelijk) zoals rhinovirus, coronavirus of RS-virus.
Symptomen: keelpijn, hoesten, hoofdpijn, lichte spierpijn, loopneus en snotteren.
Sinusitis: ontsteking van het slijmvlies in de bijholten. Zorgt voor drukkende/kloppende pijn in
het voorhoofd en rond de ogen.
Pharyngitis: keelontsteking, zorgt voor keelpijn, slikklachten en roodheid van de keel.
Tonsillitis: ontsteking keelamandelen.
Laryngitis: ontsteking strottenhoofd, slikklachten en roodheid/pijn in keel.
Griep: infectie met het influenzavirus. Verloopt meestal ernstiger dan een gewone verkoudheid.
Symptomen: koude rillingen, hoofdpijn, heftige spierpijn en vermoeidheid, keelpijn en droge
hoest, (hoge)koorts.
COPD en astma
COPD (Chronische Obstructive Pulmonary Disease) is een chronische longziekte. Het bestaat
uit bronchitis en longemfyseem. Bij bronchitis zijn de bronchiën beschadigd en altijd
ontstoken, hierdoor wordt de doorgang kleiner. Dit komt acuut en chronisch voor. Gevolgen
hiervan zijn overmatige slijmproductie, langdurig hoesten en sputum. Bij longemfyseem zijn de
longblaasjes beschadigd en vormen die samen 1 grote slappen luchtzak. Meestal gevolg van
(mee)roken, maar ook giftige stoffen. Treedt op hogere leeftijd (>55 jaar) op. Met een
spirometrie kan de longfunctie bepaald worden. Er wordt hier vooral gekeken naar de FEV1
(forced expiratory volume in 1 second), oftewel hoeveel volume kun je uitblazen in 1 seconde.
COPD wordt op basis van de FEV1 ingedeeld in 4 verschillende GOLD-stadia.
Astma is ook een vernauwing waarbij de FEV1 is afgenomen. Het is een chronische ontsteking
van de bronchiën en bronchiolen. Er zijn episodes van bronchiale hyperreactiviteit: contractie
van de gladde spieren zorgt voor vernauwding van de luchtwegen. Deze vernauwing zorgt voor
een piepende ademhaling (wheezing). Het belangrijkste verschil tussen astma en COPD is dat je
over astma heen kunt groeien. Daarnaast komt astma ook op jonge leeftijd voor.
,Overige pathologiën
Taaislijmziekte (cystic fibrose): is een erfelijke aandoening van exocriene klieren. Het is een
continue aanmaak van taai slijm. Door dat taaie slijm hebben bacteriën wat makkelijker de kans
om zich te nestelen. Naast de longen komt het overal voor waar slijm wordt aangemaakt. De
gemiddelde levensverwachting is 35-40 jaar en een longtransplantatie is vaak noodzakelijk.
Longfibrose: progressieve verlittekening van het longweefsel. Hierdoor neemt de elasticiteit af
en is er sprake van een verminderde zuurstofopname. Er is nog geen adequate behandeling,
vaak worden ontstekingsremmers gebruikt en in de late fase een longtransplantatie.
Pneumonie (longontsteking); een bacterie zorgt voor ontstoken longblaasjes en bronchiën.
Daardoor ontstaat er slijm en kunnen de longen minder goed zuurstof opnemen. Symptomen
zijn koorts, dyspneu, pijn op de borst, productieve hoest. Vaak behandeld met antibiotica.
Longtuberculose (TBC) = de tering. Het is een chronische infectieziekte (myobacterium
tuberculosis) en zorgt voor necrose van longweefsel. Afstervend weefsel (verkazing) vormt
ingekapselde kaashaarden (knobbeltjes, tuberkels). Het is zeer besmettelijk en wereldwijd zijn
er 3000 doden per dag. De behandeling bestaat uit antibiotica.
Een pneumothorax is een klaplong. Oorzaken zijn trauma (steek/schotwond) of spontaan door
een scheurtje in de longen. Door een gaatje in de long komt er lucht in de thorax en dit kan niet
meer weg. Hierdoor verplaatst het hart en kunnen zelfs bloedvaten onder druk knappen. Het
moet dus snel behandeld worden.
Een longembolie is een afsluiting van een longslagader door een (bloed)propje. Risicofactoren
zijn langdurig stilzitten, trombose en stollingsstoornissen.
Bronchuscarcinoom: 28% van de sterfgevallen aan kanker. Ruim 85% is het gevolg van roken.
Er zijn twee vormen: klein-cellig en niet-klein-cellig. Vaak laat ontdekt waardoor behandeling
beperkt is.
, CoMED6 – Pathologie tractus circulatorius
Anatomie van het hart
Pathologieën
Hartinfarct: een hartinfarct begint meestal met pijn op de borst, die kan uitstralen naar de linker
arm. De oorzaak is vaak ischemie, waarbij een vernauwing van de kransslagaders optreedt. Een
vernauwing van meer dan 70% afsluiting geeft klachten. Het deel van het hart achter de
vernauwing krijgt namelijk te weinig zuurstof en daardoor kan het verlittekenen en kan het hart
niet meer goed samentrekken. Volledige afsluiting -> infarct.
Verdere klachten bij een hartinfarct zijn: vegetatieve symptomen (zweten, misselijk), pijn/doof
gevoel en de klachten houden meer dan 15 minuten aan. Bij het vermoeden van een hartinfarct
moet iemand zo snel mogelijk naar het ziekenhuis. In het ziekenhuis krijgt iemand als eerste stap
nitroglycerine onder de tong toegediend. Dit verwijdt de bloedvaten, waardoor de
zuurstofbehoefte van het hart tijdelijk verminderd. De volgende stap is een ECG om te kijken of
er sprake is van ischemisch of afstervend weefsel. Vervolgens wordt de vernauwing opgespoord
met behulp van beeldvormende technieken (hartkatheterisatie/coronair angiogram).
Vervolgens kan de vernauwing verholpen worden via percutane coronaire interventie (PCI) met
ballondilatatie/stentplaatsing. Andere mogelijkheid is het aanleggen van een nieuw bloedvat om
de vernauwing te omzeilen (coronary ARtery Bypass Grafting (CABG)).
Hartfalen/decompensatio cordis: verminderde pompfunctie van het hart. Kan door veel
aandoeningen veroorzaakt worden. Symptomen zijn vermoeidheid en verminderd
inspanningsvermogen. Wanneer er sprake is van hartfalen in de rechter harthelft, zorgt dit voor
oedeem in de enkels. Het bloed kan namelijk de rechterkant van het hart niet in omdat het hart
dit niet kan verwerken. Er vormt zo een “file” aan bloed en op het laagste punt (de enkels) blijft
dit zitten. Wanneer de hartfalen in de linker harthelft zit zorgt dit voor longoedeem en
kortademigheid met name bij liggen. Het bloed voor de linker harthelft komt namelijk uit de
longen en komt dus daar in de “file”.
CoMED4 – Pathologie Tractus Urogenitalis ...............................................................................2
CoMED5 – Pathologie tractus respiratorius ..............................................................................4
CoMED6 – Pathologie tractus circulatorius...............................................................................6
CoMED7 – Pathologie tractus digestivus ..................................................................................8
CoMED9 – Diabetes en hormoonhuishouding ......................................................................... 11
CoCT1 – Contrastresolutie..................................................................................................... 13
CoCT2 – CT hersenen ............................................................................................................ 14
CoCT3 – CT Thorax ................................................................................................................ 16
CoCT4 – Spatiele resolutie ..................................................................................................... 17
CoCT5- CT Extremiteiten en wervels ...................................................................................... 18
CoMRI1 – Beeldkwaliteit ........................................................................................................ 20
fcMRI1 - Beeldkwaliteit .......................................................................................................... 21
CoMRI2 – SE, TSE en GE......................................................................................................... 22
CoMRI – IR, STIR, SPIR en FLAIR ............................................................................................. 24
CoNG1 – Longventilatie + perfusiescintigrafie......................................................................... 26
fcoNG5 – Kwaliteitscontroles NG ........................................................................................... 28
CoNG2 – PET-CT [18-F]FDG en kwantificeren ......................................................................... 30
CoNG3 – Schildklierscintigrafie en therapie ............................................................................ 32
CoEC1 – Echofysica: weergave modi ...................................................................................... 35
CoEC2 – Beeldkwaliteit en beeldoptimalisatie ........................................................................ 37
CoEC3 – Beeldherkenning lever ............................................................................................. 39
CoEC4 – Beeldherkenning galwegen ...................................................................................... 41
CoRT1 – IGRT ........................................................................................................................ 43
CoRT2 – IMRT ........................................................................................................................ 45
CoRT3 – QA in de radiotherapie .............................................................................................. 47
,CoMED4 – Pathologie Tractus Urogenitalis
Aangeboren aandoeningen aan de nieren
1. Renale agenesie: het missen van één nier. Vaak ontbreekt ook de
ureter aan dezelfde kant. Patiënten hebben meestal geen klachten en
de aandoening wordt vaak toevallig ontdekt. De aanwezige nier
vertoont meestal hypertrofie (gaat groeien). Bij renale hypoplasie is de
tweede nier wel aanwezig, maar onvoldoende ontwikkeld.
2. Malrotatie: Een verkeerde rotatie van een nier tijdens de embryonale
ontwikkeling. Dit geeft meestal geen klachten, maar meestal wel een
iets grotere kans op een urineweginfectie. Soms gaat deze aandoening
gepaard met andere stoornissen zoals het syndroom van Turner.
3. Ectopische nier: afwijkend gepositioneerde nier. Voorbeelden zijn
bekkennier, intrathoracale nier en gekruiste ectopie (beide nieren zitten
aan één kant).
4. Hoefijzernier: De onderste nierpolen zijn aan elkaar vergroeid. Ze
liggen daardoor lager in de buik. De ureters ontspringen ventraal i.p.v.
mediaal. En is er een verhoogde kans op urineweginfectie.
Polycystische nier: ernstige, erfelijke aandoening waarbij in de loop van de tijd steeds meer
cysten (1-15mm) in de nieren ontstaan. Door al deze cysten functioneren de nieren niet meer
goed. Een van de eerste symptomen is een hoge bloeddruk. Dit leidt vaak tot nierfalen, waarvoor
dialyse of niertransplantatie noodzakelijk is.
Aangeboren aandoeningen aan de baarmoeder
1. Uterus Didelphic: de baarmoederhals is gesplitst en
gescheiden door een septum. Dit leidt tot twee afzonderlijke
baarmoederholtes en vaak ook 2 baarmoederhaltes en vaginale
ingangen.
2. Uterus Bicornuate: er is een gedeeltelijke verdeling van de
baarmoeder (half septum).
3. Uterus septate: De baarmoeder is verdeeld door een septum,
wat de vruchtbaarheid kan beïnvloeden.
4. Uterus Unicornuate: Slechts één kant van de baarmoeder is
ontwikkeld. Dit leidt tot een kleinere uterus en verminderde
vruchtbaarheid, mede doordat er minder eicellen tot rijping komen.
Bij al deze aandoeningen is er vaak minder ruimte voor de baby om te groeien. Dit verhoogt het
risico op vroeggeboorte, stuitligging en een miskraam.
Uterine aplasie: het ontbreken van de baarmoeder.
Primaire amenorroe: geen menstruatie voor 16-jarige leeftijd.
Secundaire amenorroe: uitblijvende menstruatie gedurende 6 maanden of langer na eerder wel
gemenstrueerd te hebben.
,Verworven aandoeningen
Lithiasis: ook wel steenvorming. Nefrolithiasis = niersteen, urolithiasis = urinewegsteen. De
oorzaak is een kristallisatieproces (75-80% samengesteld uit calciumzouten), door: weinig
drinken, overmatig zweten, medicijngebruik en/of veel eiwitten in het bloed. De symptomen zijn:
pijn bij plassen, hematurie en misselijkheid. De behandeling is lithotripsie (niersteenvergruizer)
of medicijnen (spierverslappend/oplossen stenen).
Hydronefrose: waterzaknier. De oorzaak is een obstructie van uitstroom van urine door
bijvoorbeeld een niersteen of tumor. Hierdoor hoopt de urine zich op in de nier, wat leidt tot
verhoogde druk en ernstige stekende pijn in de flank.
Cystitis: blaasontsteking. Komt meer bij vrouwen dan bij mannen voor, vanwege de kortere
urinebuis. Symptomen zijn pollakisurie (vaker plassen), loze aandrang en brandend gevoel.
Andere ontstekingen in de urinewegen: urethritis (ontsteking van de urethra), ureteritis
(ontsteking van de ureter(s)) en pyelonefritis (nierbekkenontsteking).
Glomerulonefritis: ontsteking van de glomeruli. Meestal als gevolg van een infectie elders in het
lichaam. Symptomen: hematurie, frequentie urineren, schuimende of troebele urine,
opgezwollen gezicht, voeten en benen, kortademigheid.
Pelvic inflammatory disease
Bij vrouwen: cervicitis (ontsteking baarmoederhals), endometritis (ontsteking
baarmoederslijmvlies), salpingitis (ontsteking van de eileiders) en oöforitis (ontsteking ovaria).
De meest voorkomende oorzaak zijn Soa’s. Bacteriële infecties kunnen littekenweefsel
veroorzaken.
Bij mannen: prostatitis (ontsteking van de prostaat), epididymitis (ontsteking van de bijbal),
orchitis (ontsteking van de testikels).
Niercelcarcinoom: 2x vaker bij mannen (50-70 jaar) en rokers. Blijft jaren onopgemerkt.
Symptomen zijn: pijnloze hematurie, pijn nierstreek en moeheid.
Nefroblastoom (Wilms tumor): komt voor bij kinderen (2-5 jaar). Ontstaat uit embryonaal
renaal weefsel. Behandeling: chemotherapie, nefrectomie of radiotherapie. 85% genezingskans.
Myomen (vleesbomen): goedaardige tumor van de baarmoeder.
Andere veelvoorkomende kankers: baarmoederhalskanker, prostaatkanker, testiscarcinoom
Diagnostiek en behandeling
De diagnostiek van aandoeningen aan de tractus urogenitalis begint vrijwel altijd met
urineonderzoek. Verder wordt er vaak nog bloedonderzoek, beeldvormend onderzoek en
weefselonderzoek gedaan.
Nierdialyse is het kunstmatig filteren van bloed. 80/90% uitval van de nieren, slechts 10%
overname. 2 soorten: hemodialyse (buiten het lichaam via machine) en peritoneaal dialyse (via
buikvlies).
Bij een niertransplantatie wordt de donornier vaak in het bekken geplaatst en blijft de eigen (niet-
functionerende) nier vaak zitten. Deze nier zorgt voor 50% functionering. 75% werkt nog na 10
jaar.
,CoMED5 – Pathologie tractus respiratorius
Terminologie
Apneu: ademstilstand
Dyspneu: benauwdheid/kortademigheid/ademnood
Tachypneu: versnelde ademhaling
Bradypneu: vertraagde ademhaling
Hyperpneu: versnelde en verdiepte ademhaling (hyperventilatie)
Hypopneu: 50% afname ademhaling gedurende > 10 sec (hypoventilatie)
Hemoptoë: bloed ophoesten
Cyanose: blauwe verkleuring door zuurstoftekort
Aspiratie is het niet meer kunnen inademen. Kan door vreemde voorwerpen die in de
larynx/trachea blijven steken of door zwelling van de epiglottis of weefsels rond de glottis.
Behandeling in acute situatie is de heimlich-greep en als laatste redmiddel een tracheotomie.
Luchtweginfecties
Verkoudheid: acute ontsteking van het slijmvlies in de bovenste luchtwegen. Veroorzaakt door
meer dan 200 virusstammen (relatief besmettelijk) zoals rhinovirus, coronavirus of RS-virus.
Symptomen: keelpijn, hoesten, hoofdpijn, lichte spierpijn, loopneus en snotteren.
Sinusitis: ontsteking van het slijmvlies in de bijholten. Zorgt voor drukkende/kloppende pijn in
het voorhoofd en rond de ogen.
Pharyngitis: keelontsteking, zorgt voor keelpijn, slikklachten en roodheid van de keel.
Tonsillitis: ontsteking keelamandelen.
Laryngitis: ontsteking strottenhoofd, slikklachten en roodheid/pijn in keel.
Griep: infectie met het influenzavirus. Verloopt meestal ernstiger dan een gewone verkoudheid.
Symptomen: koude rillingen, hoofdpijn, heftige spierpijn en vermoeidheid, keelpijn en droge
hoest, (hoge)koorts.
COPD en astma
COPD (Chronische Obstructive Pulmonary Disease) is een chronische longziekte. Het bestaat
uit bronchitis en longemfyseem. Bij bronchitis zijn de bronchiën beschadigd en altijd
ontstoken, hierdoor wordt de doorgang kleiner. Dit komt acuut en chronisch voor. Gevolgen
hiervan zijn overmatige slijmproductie, langdurig hoesten en sputum. Bij longemfyseem zijn de
longblaasjes beschadigd en vormen die samen 1 grote slappen luchtzak. Meestal gevolg van
(mee)roken, maar ook giftige stoffen. Treedt op hogere leeftijd (>55 jaar) op. Met een
spirometrie kan de longfunctie bepaald worden. Er wordt hier vooral gekeken naar de FEV1
(forced expiratory volume in 1 second), oftewel hoeveel volume kun je uitblazen in 1 seconde.
COPD wordt op basis van de FEV1 ingedeeld in 4 verschillende GOLD-stadia.
Astma is ook een vernauwing waarbij de FEV1 is afgenomen. Het is een chronische ontsteking
van de bronchiën en bronchiolen. Er zijn episodes van bronchiale hyperreactiviteit: contractie
van de gladde spieren zorgt voor vernauwding van de luchtwegen. Deze vernauwing zorgt voor
een piepende ademhaling (wheezing). Het belangrijkste verschil tussen astma en COPD is dat je
over astma heen kunt groeien. Daarnaast komt astma ook op jonge leeftijd voor.
,Overige pathologiën
Taaislijmziekte (cystic fibrose): is een erfelijke aandoening van exocriene klieren. Het is een
continue aanmaak van taai slijm. Door dat taaie slijm hebben bacteriën wat makkelijker de kans
om zich te nestelen. Naast de longen komt het overal voor waar slijm wordt aangemaakt. De
gemiddelde levensverwachting is 35-40 jaar en een longtransplantatie is vaak noodzakelijk.
Longfibrose: progressieve verlittekening van het longweefsel. Hierdoor neemt de elasticiteit af
en is er sprake van een verminderde zuurstofopname. Er is nog geen adequate behandeling,
vaak worden ontstekingsremmers gebruikt en in de late fase een longtransplantatie.
Pneumonie (longontsteking); een bacterie zorgt voor ontstoken longblaasjes en bronchiën.
Daardoor ontstaat er slijm en kunnen de longen minder goed zuurstof opnemen. Symptomen
zijn koorts, dyspneu, pijn op de borst, productieve hoest. Vaak behandeld met antibiotica.
Longtuberculose (TBC) = de tering. Het is een chronische infectieziekte (myobacterium
tuberculosis) en zorgt voor necrose van longweefsel. Afstervend weefsel (verkazing) vormt
ingekapselde kaashaarden (knobbeltjes, tuberkels). Het is zeer besmettelijk en wereldwijd zijn
er 3000 doden per dag. De behandeling bestaat uit antibiotica.
Een pneumothorax is een klaplong. Oorzaken zijn trauma (steek/schotwond) of spontaan door
een scheurtje in de longen. Door een gaatje in de long komt er lucht in de thorax en dit kan niet
meer weg. Hierdoor verplaatst het hart en kunnen zelfs bloedvaten onder druk knappen. Het
moet dus snel behandeld worden.
Een longembolie is een afsluiting van een longslagader door een (bloed)propje. Risicofactoren
zijn langdurig stilzitten, trombose en stollingsstoornissen.
Bronchuscarcinoom: 28% van de sterfgevallen aan kanker. Ruim 85% is het gevolg van roken.
Er zijn twee vormen: klein-cellig en niet-klein-cellig. Vaak laat ontdekt waardoor behandeling
beperkt is.
, CoMED6 – Pathologie tractus circulatorius
Anatomie van het hart
Pathologieën
Hartinfarct: een hartinfarct begint meestal met pijn op de borst, die kan uitstralen naar de linker
arm. De oorzaak is vaak ischemie, waarbij een vernauwing van de kransslagaders optreedt. Een
vernauwing van meer dan 70% afsluiting geeft klachten. Het deel van het hart achter de
vernauwing krijgt namelijk te weinig zuurstof en daardoor kan het verlittekenen en kan het hart
niet meer goed samentrekken. Volledige afsluiting -> infarct.
Verdere klachten bij een hartinfarct zijn: vegetatieve symptomen (zweten, misselijk), pijn/doof
gevoel en de klachten houden meer dan 15 minuten aan. Bij het vermoeden van een hartinfarct
moet iemand zo snel mogelijk naar het ziekenhuis. In het ziekenhuis krijgt iemand als eerste stap
nitroglycerine onder de tong toegediend. Dit verwijdt de bloedvaten, waardoor de
zuurstofbehoefte van het hart tijdelijk verminderd. De volgende stap is een ECG om te kijken of
er sprake is van ischemisch of afstervend weefsel. Vervolgens wordt de vernauwing opgespoord
met behulp van beeldvormende technieken (hartkatheterisatie/coronair angiogram).
Vervolgens kan de vernauwing verholpen worden via percutane coronaire interventie (PCI) met
ballondilatatie/stentplaatsing. Andere mogelijkheid is het aanleggen van een nieuw bloedvat om
de vernauwing te omzeilen (coronary ARtery Bypass Grafting (CABG)).
Hartfalen/decompensatio cordis: verminderde pompfunctie van het hart. Kan door veel
aandoeningen veroorzaakt worden. Symptomen zijn vermoeidheid en verminderd
inspanningsvermogen. Wanneer er sprake is van hartfalen in de rechter harthelft, zorgt dit voor
oedeem in de enkels. Het bloed kan namelijk de rechterkant van het hart niet in omdat het hart
dit niet kan verwerken. Er vormt zo een “file” aan bloed en op het laagste punt (de enkels) blijft
dit zitten. Wanneer de hartfalen in de linker harthelft zit zorgt dit voor longoedeem en
kortademigheid met name bij liggen. Het bloed voor de linker harthelft komt namelijk uit de
longen en komt dus daar in de “file”.