Kijken naar leerlingen
DEEL 1: DE BEGINSITUATIE
1. WAT
Elke leerling is uniek en verschilt van andere leerlingen. Daarom moet het
aanbod op school aangepast worden aan wat leerlingen kunnen en nodig
hebben. Dit noemt men differentiatie: de manier waarop de leerkracht
omgaat met verschillen tussen leerlingen in de klas. Deze verschillen
kunnen geobserveerd worden vanaf de eerste schooldag.
De beginsituatie in kaart brengen betekent dat de leerkracht informatie
verzamelt over de leerling om zijn handelen en de leeromgeving
voortdurend af te stemmen op wat de leerling nodig heeft om verder te
groeien/ontwikkelen.
2. BELANG
Als leerkracht moet je ervoor zorgen dat de leerlingen zich goed in hun
vel voelen, zich competent voelen en gemotiveerd zijn. Competentie
betekent dat een leerling het gevoel heeft dat hij iets kan en dit hangt
samen met zijn mindset. Daarom moet de leerkracht weten waar het kind
staat in zijn ontwikkeling en hoe het leert, zodat hij hierop kan verder
bouwen. Motivatie ontstaat wanneer leerlingen zich gewaardeerd voelen
en sociale verbondenheid ervaren. Dit heeft betrekking tot de relatie
tussen de leerkracht en de leerling en de leerlingen onderling.
3. ELEMENTEN
Een leerkracht moet zowel rekening houden met de beginsituatie van het
individuele kind (individugerichte focus) als dat van de klasgroep
(groepsgerichte focus).
Je kijkt naar wat de leerling kan en wat hij nodig heeft
(leerlinggerichte kant) en de leerlijnen (leerstofgerichte kant) en
stemt ze op elkaar af.
Om een goed zicht te hebben op de ontwikkeling van elk kind is het
belangrijk om de zone van naaste ontwikkeling te bepalen. Je maakt een
onderscheid tussen de actuele beginsituatie (wat het kind kan zonder
hulp) en de toekomstige beginsituatie (wat het kind onder begeleiding
kan, synoniem zone van naaste ontwikkeling).
Leerlingen moeten uitgedaagd worden door het niveau dat net boven hun
ontwikkelingsniveau (actuele beginsituatie) ligt. Te makkelijke leerstof doet
leerlingen hun interesse verliezen, terwijl te moeilijke leerstof de
leerlingen gefrustreerd doet afhaken.
,DEEL 2: OBSERVEREN
1. WAARNEMEN
Waarnemen is iets opmerken via 1 of meer van je 5 zintuigen.
Het is het resultaat van een (meestal onbewust) subjectief
selectieproces. Je selecteert onbewust welke prikkels je op de voorgrond
toelaat (bewust opmerken) en dewelke op de achtergrond blijven
(onbewust opmerken) o.b.v. voorkennis of context. Je bent meer bewust
van nieuwe of opvallende prikkels dan van bekende. Daarom is het
subjectief: wat voor jou vanzelfsprekend is, hoeft dat voor een ander
niet te zijn. Iedereen heeft andere bekende prikkels.
2. OBSERVEREN
WAT
Observeren gaat over verwonderen, openstaan, je laten raken en
begrijpen wat kinderen beweegt.
Het is objectief en doelgericht waarnemen van gedrag in een context.
Je verzamelt gegeven en laat geen interpretaties toe.
Je hebt een vooraf vastgelegd doel en een plan zodat je weet hoe en
wanneer je zal observeren.
Je bepaalt vooraf:
- wat je wil weten
- wat je daarvoor moet observeren (wie, welke situatie)
- wanneer je dat zal doen
- hoe je dat organiseert
- waar je zal zitten
- hoe je je observaties het best vastlegt
WAAROM
- het unieke van elk kind in beeld brengen: je leert elk kind als
individu kennen
- kijken in welke mate er sprake is van afwijkend zijn van de
gangbare ontwikkeling: helpt zien of extra aandacht nodig is
- de kwaliteit van het onderwijs verhogen door effectiever in te
spelen op de onderwijsbehoeften van lln: aanbod aanpassen aan
noden lln waardoor het leren verbetert
, Observeren heeft enkel zin als je weet wat je ziet, omdat je voldoende
vakinhoudelijke en vakdidactische kennis nodig hebt om het gedrag
en het leren van leerlingen correct te herkennen en te begrijpen. Dat
maakt het mogelijk om relevante observaties te doen en deze te
gebruiken om gericht te handelen en onderwijs op maat te bieden.
Oprechte nieuwsgierigheid naar hoe een leerling denkt ondersteunt dit
proces.
SOORTEN
- Participerende observatie: deelnemen aan de situatie die je observeert,
nadeel: je kan invloed uitoefenen op het gedrag
- Niet participerende observatie: niet in interactie met kind (achteraan
klas, filmopname, speelplaats), kind mag niet doorhebben dat hij
geobserveerd wordt
- Spontane / dagelijkse observatie: opvallende dingen doorheen de dag
- Zelfobservatie: jezelf van op een afstand bekijken (helicopterview)
METHODIEKEN
- Kwalitatieve observatie: inhoud van het gedrag, wat het kind doet
- Kwantitatieve observatie: frequentie van gedrag
-> telmethode & turven: streepjes trekken
-> duurmethode: hoelang duurt gedrag
-> beoordelingsschalen: gedrag is gekoppeld aan een waardeoordeel in
de vorm van een cijfer, subjectief ingevuld want o.b.v. eigen beleving van
de situatie
BEÏNVLOEDENDE FACTOREN
- Fysiologische toestand observator: wees fit & fris want als je vermoeid
bent reageer je trager, is je aandacht minder scherp en merk je
interessante gegevens niet op
- Persoonlijke voorbereiding observator: weet op voorhand waar je op
moet letten, hoe je dat zal aanpakken en wanneer
- Psychologische toestand observator
-> ervaring: hoe meer ervaringen hoe meer je zal opmerken, hoe beter je
afstand zult kunnen nemen en hoe bewuster je bent van je eigen
referentiekader
-> ingesteldheid:
DEEL 1: DE BEGINSITUATIE
1. WAT
Elke leerling is uniek en verschilt van andere leerlingen. Daarom moet het
aanbod op school aangepast worden aan wat leerlingen kunnen en nodig
hebben. Dit noemt men differentiatie: de manier waarop de leerkracht
omgaat met verschillen tussen leerlingen in de klas. Deze verschillen
kunnen geobserveerd worden vanaf de eerste schooldag.
De beginsituatie in kaart brengen betekent dat de leerkracht informatie
verzamelt over de leerling om zijn handelen en de leeromgeving
voortdurend af te stemmen op wat de leerling nodig heeft om verder te
groeien/ontwikkelen.
2. BELANG
Als leerkracht moet je ervoor zorgen dat de leerlingen zich goed in hun
vel voelen, zich competent voelen en gemotiveerd zijn. Competentie
betekent dat een leerling het gevoel heeft dat hij iets kan en dit hangt
samen met zijn mindset. Daarom moet de leerkracht weten waar het kind
staat in zijn ontwikkeling en hoe het leert, zodat hij hierop kan verder
bouwen. Motivatie ontstaat wanneer leerlingen zich gewaardeerd voelen
en sociale verbondenheid ervaren. Dit heeft betrekking tot de relatie
tussen de leerkracht en de leerling en de leerlingen onderling.
3. ELEMENTEN
Een leerkracht moet zowel rekening houden met de beginsituatie van het
individuele kind (individugerichte focus) als dat van de klasgroep
(groepsgerichte focus).
Je kijkt naar wat de leerling kan en wat hij nodig heeft
(leerlinggerichte kant) en de leerlijnen (leerstofgerichte kant) en
stemt ze op elkaar af.
Om een goed zicht te hebben op de ontwikkeling van elk kind is het
belangrijk om de zone van naaste ontwikkeling te bepalen. Je maakt een
onderscheid tussen de actuele beginsituatie (wat het kind kan zonder
hulp) en de toekomstige beginsituatie (wat het kind onder begeleiding
kan, synoniem zone van naaste ontwikkeling).
Leerlingen moeten uitgedaagd worden door het niveau dat net boven hun
ontwikkelingsniveau (actuele beginsituatie) ligt. Te makkelijke leerstof doet
leerlingen hun interesse verliezen, terwijl te moeilijke leerstof de
leerlingen gefrustreerd doet afhaken.
,DEEL 2: OBSERVEREN
1. WAARNEMEN
Waarnemen is iets opmerken via 1 of meer van je 5 zintuigen.
Het is het resultaat van een (meestal onbewust) subjectief
selectieproces. Je selecteert onbewust welke prikkels je op de voorgrond
toelaat (bewust opmerken) en dewelke op de achtergrond blijven
(onbewust opmerken) o.b.v. voorkennis of context. Je bent meer bewust
van nieuwe of opvallende prikkels dan van bekende. Daarom is het
subjectief: wat voor jou vanzelfsprekend is, hoeft dat voor een ander
niet te zijn. Iedereen heeft andere bekende prikkels.
2. OBSERVEREN
WAT
Observeren gaat over verwonderen, openstaan, je laten raken en
begrijpen wat kinderen beweegt.
Het is objectief en doelgericht waarnemen van gedrag in een context.
Je verzamelt gegeven en laat geen interpretaties toe.
Je hebt een vooraf vastgelegd doel en een plan zodat je weet hoe en
wanneer je zal observeren.
Je bepaalt vooraf:
- wat je wil weten
- wat je daarvoor moet observeren (wie, welke situatie)
- wanneer je dat zal doen
- hoe je dat organiseert
- waar je zal zitten
- hoe je je observaties het best vastlegt
WAAROM
- het unieke van elk kind in beeld brengen: je leert elk kind als
individu kennen
- kijken in welke mate er sprake is van afwijkend zijn van de
gangbare ontwikkeling: helpt zien of extra aandacht nodig is
- de kwaliteit van het onderwijs verhogen door effectiever in te
spelen op de onderwijsbehoeften van lln: aanbod aanpassen aan
noden lln waardoor het leren verbetert
, Observeren heeft enkel zin als je weet wat je ziet, omdat je voldoende
vakinhoudelijke en vakdidactische kennis nodig hebt om het gedrag
en het leren van leerlingen correct te herkennen en te begrijpen. Dat
maakt het mogelijk om relevante observaties te doen en deze te
gebruiken om gericht te handelen en onderwijs op maat te bieden.
Oprechte nieuwsgierigheid naar hoe een leerling denkt ondersteunt dit
proces.
SOORTEN
- Participerende observatie: deelnemen aan de situatie die je observeert,
nadeel: je kan invloed uitoefenen op het gedrag
- Niet participerende observatie: niet in interactie met kind (achteraan
klas, filmopname, speelplaats), kind mag niet doorhebben dat hij
geobserveerd wordt
- Spontane / dagelijkse observatie: opvallende dingen doorheen de dag
- Zelfobservatie: jezelf van op een afstand bekijken (helicopterview)
METHODIEKEN
- Kwalitatieve observatie: inhoud van het gedrag, wat het kind doet
- Kwantitatieve observatie: frequentie van gedrag
-> telmethode & turven: streepjes trekken
-> duurmethode: hoelang duurt gedrag
-> beoordelingsschalen: gedrag is gekoppeld aan een waardeoordeel in
de vorm van een cijfer, subjectief ingevuld want o.b.v. eigen beleving van
de situatie
BEÏNVLOEDENDE FACTOREN
- Fysiologische toestand observator: wees fit & fris want als je vermoeid
bent reageer je trager, is je aandacht minder scherp en merk je
interessante gegevens niet op
- Persoonlijke voorbereiding observator: weet op voorhand waar je op
moet letten, hoe je dat zal aanpakken en wanneer
- Psychologische toestand observator
-> ervaring: hoe meer ervaringen hoe meer je zal opmerken, hoe beter je
afstand zult kunnen nemen en hoe bewuster je bent van je eigen
referentiekader
-> ingesteldheid: