Aristotelisch Syllogisme
3 proposities
2 premissen en 1 conclusie
2 termen (komt 2x voor)
Subject (onderwerp) en predicaat (eigenschap)
Alle juristen (subject) zijn academici (predicaat)
Middenterm (komt niet in conclusie voor)
Kleine term (subject conclusie)
Grote term (predicaat conclusie)
- Alle juristen (kleine term) zijn universitair opgeleid (midden term)
- Alle universitair opgeleiden (middenterm) zijn academici (grote term)
- Alle juristen (kleine term) zijn academici (grote term)
Distributie
Gedistribueerd (zegt iets over alle leden in de groep)
Ongedistribueerd (zegt niet iets over alle leden in de groep)
Alle juristen (gedistribueerd) zijn academici (ongedistribueerd)
Kwantiteit
Algemeen (zegt iets over alle leden van het subject)
Particulier (zegt iets over sommige leden van het subject)
- Alle juristen (algemeen) zijn academici
- Sommige juisten (particulier) zijn academici
Kwaliteit
Bevestigend (predicaat is van toepassing)
Ontkennend (predicaat is niet van toepassing)
- Alle juristen zijn academici (bevestigend)
- Alle juristen zijn geen academici (ontkennend)
,Algemeen bevestigend = AB
Alle juristen (gedistribueerd) zijn academici (ongedistribueerd)
Particulier bevestigend = PB
Sommige juristen (ongedistribueerd) zijn academici (ongedistribueerd)
Algemeen ontkennend = AO
Alle juristen (gedistribueerd) zijn geen academici (gedistribueerd)
Particulier ontkennend = PO
Sommige juristen (ongedistribueerd) zijn geen academici (gedistribueerd)
Cirkels Euler
P1: Sommige bewijsmiddelen zijn geen getuigenverklaringen.
P2: Alle bewijsmiddelen zijn schriftelijke stukken.
C: Sommige schriftelijke stukken zijn geen getuigenverklaringen.
Middenterm: bewijsmiddelen
Kleine term: schriftelijke stukken
Grote term: getuigenverklaringen
2
, Regels syllogisme van Soeteman
P1: Sommige bewijsmiddelen (ongedis) zijn geen getuigenverklaringen (gedis). -> PO
P2 Alle bewijsmiddelen (gedis) zijn schriftelijke stukken (ongedis). -> AB
C: Sommige schriftelijke stukken (ongedis) zijn geen getuigenverklaringen (gedis). ->
PO
Middenterm: bewijsmiddelen
Kleine term: schriftelijke stukken
Grote term: getuigenverklaringen
1. De middenterm moet ten minste een maal gedistribueerd zijn. -> Ja, in P2
2. Als een term in de conclusie gedistribueerd is, moet deze ook in de premisse
gedistribueerd zijn. (In de conclusie mag een term niet gedistribueerd worden
gebruikt, tenzij die term gedistribueerd was in een van de premissen) -> Ja, in
P1
3. A. Als een van de premisse ontkennend is, is de conclusie ontkennend. -> Ja
B. Als beide premisse bevestigend zijn, is de conclusie bevestigend. ->
Overslaan
4. Uit twee ontkennende premissen kan geen conclusie getrokken worden. ->
Voldaan
Indien je bij een van de vragen strandt, hoef je de andere vragen niet te
beantwoorden.
Redeneerschema’s met oorzaak-gevolgrelatie
Redeneringen met een oorzaak-gevolgrelatie
- Hypothetische propositie (als dan propositie)
Als de zon schijnt, dan ga ik naar buiten
Als p, dan q
Als p het geval is (de zon schijnt), dan treedt q op (ga ik naar buiten).
- De kleine letters p en q staan hier voor variabelen. Daarbij noemen we p het
antecedent (oorzaak) en q het consequent (gevolg).
- Een volledige redenering met een oorzaak-gevolg relatie bestaat uit een
hypothetische propositie (P!), een argument (P2) en een conclusie (C).
3