NAT THEMA 1.2
- Determineren is het benoemen van een voorwerp of levend wezen aan
de hand van blijvende kenmerken die niet veranderen in de loop van
de tijd.
- Er zijn verschillende manier om te determineren: je kunt werken met
een visuele zoekkaart, een demineertabel, een determineerschema …
Biotoop = leefplaats, leefgebied
- Een organisme (levend wezen) bezit 7 levensverschijnselen:
Ademen, voeden , uitscheiden , waarnemen, bewegen, groeien,
voortplanten
- Een levenloos voorwerp heeft nooit geleefd.
- Een dood organisme leeft niet meer, maar deed dit ooit wel.
- Een biotoop is een plaats waar organismen samenleven onder
bepaalde omgevingsfactoren. Een biotoop wordt gekenmerkt door zijn
biotische en abiotische factoren.
- De biotische factoren zijn alle organismen die in een biotoop leven en
die biotoop beïnvloeden. Dat zijn onder andere planten, dieren,
zwammen en bacteriën.
- De abiotische factoren zijn alle levenloze omgevingsfactoren die een
biotoop kenmerken en beïnvloeden. Dat zijn onder andere
temperatuur, vochtigheid, verlichtingssterkte, windsnelheid,
geluidssterkte en bodemsoort.
- Bloemplanten zijn planten die tijdens een bepaalde periode van het
jaar bloemen kunnen dragen. Bloemplanten worden veel opgesplitst in
kruiden, bomen en struiken.
- Gewervelde dieren bezitten een wervelkolom (ruggengraat). Die vormt
een onderdeel van hun inwendige skelet. Er zijn 5 klassen: vissen,
- Determineren is het benoemen van een voorwerp of levend wezen aan
de hand van blijvende kenmerken die niet veranderen in de loop van
de tijd.
- Er zijn verschillende manier om te determineren: je kunt werken met
een visuele zoekkaart, een demineertabel, een determineerschema …
Biotoop = leefplaats, leefgebied
- Een organisme (levend wezen) bezit 7 levensverschijnselen:
Ademen, voeden , uitscheiden , waarnemen, bewegen, groeien,
voortplanten
- Een levenloos voorwerp heeft nooit geleefd.
- Een dood organisme leeft niet meer, maar deed dit ooit wel.
- Een biotoop is een plaats waar organismen samenleven onder
bepaalde omgevingsfactoren. Een biotoop wordt gekenmerkt door zijn
biotische en abiotische factoren.
- De biotische factoren zijn alle organismen die in een biotoop leven en
die biotoop beïnvloeden. Dat zijn onder andere planten, dieren,
zwammen en bacteriën.
- De abiotische factoren zijn alle levenloze omgevingsfactoren die een
biotoop kenmerken en beïnvloeden. Dat zijn onder andere
temperatuur, vochtigheid, verlichtingssterkte, windsnelheid,
geluidssterkte en bodemsoort.
- Bloemplanten zijn planten die tijdens een bepaalde periode van het
jaar bloemen kunnen dragen. Bloemplanten worden veel opgesplitst in
kruiden, bomen en struiken.
- Gewervelde dieren bezitten een wervelkolom (ruggengraat). Die vormt
een onderdeel van hun inwendige skelet. Er zijn 5 klassen: vissen,