Biologie 5: De Cel en Cellulaire Processen
Voorkennis
Weefsel, orgaan, en stelsel: Begrijp de definities en relaties
tussen deze niveaus van organisatie.
Stelsels: Ken de functie van de verschillende stelsels in een
organisme.
Prokaryote en eukaryote cellen: Vergelijk de verschillen en
overeenkomsten.
Plantaardige en dierlijke cellen: Beschrijf de verschillen en
overeenkomsten.
Plantaardige weefsels: Benoem en herken de verschillende
soorten.
Dierlijke weefsels: Benoem en herken de verschillende soorten.
Functies van weefsels: Beschrijf de functies van de verschillende
soorten dierlijke en plantaardige weefsels.
Oplosmiddel en opgeloste stof: Leg uit wat een oplosmiddel en
een opgeloste stof is.
Concentratie: Leg uit wat een concentratie is.
Homeostase: Leg uit wat homeostase betekent.
Plantenweefsels: Benoem en herken de plantenweefsels, zoals
meristeem, vaatbundels, epidermis, huidmondjes, parenchym en
cortex.
Oxidatie, reductie en redoxreactie: Definieer deze begrippen.
Redoxreactievergelijking: Duid in een gegeven
redoxreactievergelijking oxidatie en reductie, oxidator en reductor
aan.
De Cel als Basiseenheid van het Leven
Definitie van een cel: Structurele en functionele basiseenheid van
het leven.
o Celbegrenzing
o Celinhoud (cytoplasma)
o Erfelijke informatie (DNA)
o Celademhaling
, o Uitwisseling afvalstoffen
o Opname voedingsstoffen
o Vertering
Structurele kenmerken: Organismen hebben gelijkaardige
structurele kenmerken en een gemeenschappelijk basisplan, maar
verschillen in opbouw en complexiteit.
Microscopische niveaus:
o Macroscopisch niveau: zichtbaar met het blote oog (grote
organismen). Grootste menselijke cel: eicel (100-200 μ m).
o Microscopisch niveau: waargenomen via een lichtmicroscoop
(de meeste prokaryote en eukaryote cellen).
o Submicroscopisch niveau: waargenomen via een
elektronenmicroscoop (celorganellen, virussen).
Cytoplasma
Definitie: Inhoud tussen celmembraan en kernmembraan.
Componenten: Cytosol (vloeibare component: water, chemische
reacties) + celorganellen (gespecialiseerde onderdelen met
specifieke functies).
Celbegrenzing
Celmembraan
Functie: Scheiding tussen de intracellulaire vloeistof (cytosol) en de
extracellulaire vloeistof.
Structuur:
o Dubbele laag fosfolipiden: hydrofiele kop, hydrofobe staart.
o Cholesterol: hydrofoob, beweeglijkheid fosfolipiden (niet
aanwezig bij planten, schimmels en bacteriën).
o Membraaneiwitten (hydrofiel):
Transmembraaneiwitten: over de hele dubbele
fosfolipidenlaag, transportfunctie.
Perifere eiwitten: aan de oppervlakte, receptorfunctie.
o Sachariden: glycolipiden, glycoproteïnen.
, Eenheidsmembraan: Alle biologische membranen zijn opgebouwd
volgens dit bouwplan.
Vloeibaar mozaïekmodel: Verschillende moleculen, beweeglijke
structuur (olieachtige structuur, laterale beweging van moleculen).
Functies:
o Communicatie: signalen (hormonen of neurotransmitters),
receptoren op membraan (eiwitten en sachariden).
o Selectieve barrière: selectief transport (eiwitten).
o Vasthechting: aan naburige cellen en cytoskelet.
Celwand
Aanwezig bij: Plantaardige cellen, schimmels, bacteriën en
archaea. Dierlijke cellen hebben geen celwand.
Structuur:
o Plantaardige cellen: opgebouwd uit cellulose. Primaire en
secundaire celwand (meerdere lagen, andere oriëntatie
cellulosevezels, lignine).
o Plasmodesmata: Gaatjes in de celwand, contact tussen
naburige cellen, communicatie en uitwisseling van stoffen.
Opbouw celwand:
o Plantaardige cellen: cellulose.
o Schimmels: chitine.
o Bacteriën: peptidoglycaan.
o Arcaea: celwand zonder peptidoglycaan.
Functies:
o Bescherming
o Ondersteuning
o Transport van stoffen
Celorganellen
Celkern (Nucleus)
Aanwezig bij: Enkel in eukaryote cellen.
Voorkennis
Weefsel, orgaan, en stelsel: Begrijp de definities en relaties
tussen deze niveaus van organisatie.
Stelsels: Ken de functie van de verschillende stelsels in een
organisme.
Prokaryote en eukaryote cellen: Vergelijk de verschillen en
overeenkomsten.
Plantaardige en dierlijke cellen: Beschrijf de verschillen en
overeenkomsten.
Plantaardige weefsels: Benoem en herken de verschillende
soorten.
Dierlijke weefsels: Benoem en herken de verschillende soorten.
Functies van weefsels: Beschrijf de functies van de verschillende
soorten dierlijke en plantaardige weefsels.
Oplosmiddel en opgeloste stof: Leg uit wat een oplosmiddel en
een opgeloste stof is.
Concentratie: Leg uit wat een concentratie is.
Homeostase: Leg uit wat homeostase betekent.
Plantenweefsels: Benoem en herken de plantenweefsels, zoals
meristeem, vaatbundels, epidermis, huidmondjes, parenchym en
cortex.
Oxidatie, reductie en redoxreactie: Definieer deze begrippen.
Redoxreactievergelijking: Duid in een gegeven
redoxreactievergelijking oxidatie en reductie, oxidator en reductor
aan.
De Cel als Basiseenheid van het Leven
Definitie van een cel: Structurele en functionele basiseenheid van
het leven.
o Celbegrenzing
o Celinhoud (cytoplasma)
o Erfelijke informatie (DNA)
o Celademhaling
, o Uitwisseling afvalstoffen
o Opname voedingsstoffen
o Vertering
Structurele kenmerken: Organismen hebben gelijkaardige
structurele kenmerken en een gemeenschappelijk basisplan, maar
verschillen in opbouw en complexiteit.
Microscopische niveaus:
o Macroscopisch niveau: zichtbaar met het blote oog (grote
organismen). Grootste menselijke cel: eicel (100-200 μ m).
o Microscopisch niveau: waargenomen via een lichtmicroscoop
(de meeste prokaryote en eukaryote cellen).
o Submicroscopisch niveau: waargenomen via een
elektronenmicroscoop (celorganellen, virussen).
Cytoplasma
Definitie: Inhoud tussen celmembraan en kernmembraan.
Componenten: Cytosol (vloeibare component: water, chemische
reacties) + celorganellen (gespecialiseerde onderdelen met
specifieke functies).
Celbegrenzing
Celmembraan
Functie: Scheiding tussen de intracellulaire vloeistof (cytosol) en de
extracellulaire vloeistof.
Structuur:
o Dubbele laag fosfolipiden: hydrofiele kop, hydrofobe staart.
o Cholesterol: hydrofoob, beweeglijkheid fosfolipiden (niet
aanwezig bij planten, schimmels en bacteriën).
o Membraaneiwitten (hydrofiel):
Transmembraaneiwitten: over de hele dubbele
fosfolipidenlaag, transportfunctie.
Perifere eiwitten: aan de oppervlakte, receptorfunctie.
o Sachariden: glycolipiden, glycoproteïnen.
, Eenheidsmembraan: Alle biologische membranen zijn opgebouwd
volgens dit bouwplan.
Vloeibaar mozaïekmodel: Verschillende moleculen, beweeglijke
structuur (olieachtige structuur, laterale beweging van moleculen).
Functies:
o Communicatie: signalen (hormonen of neurotransmitters),
receptoren op membraan (eiwitten en sachariden).
o Selectieve barrière: selectief transport (eiwitten).
o Vasthechting: aan naburige cellen en cytoskelet.
Celwand
Aanwezig bij: Plantaardige cellen, schimmels, bacteriën en
archaea. Dierlijke cellen hebben geen celwand.
Structuur:
o Plantaardige cellen: opgebouwd uit cellulose. Primaire en
secundaire celwand (meerdere lagen, andere oriëntatie
cellulosevezels, lignine).
o Plasmodesmata: Gaatjes in de celwand, contact tussen
naburige cellen, communicatie en uitwisseling van stoffen.
Opbouw celwand:
o Plantaardige cellen: cellulose.
o Schimmels: chitine.
o Bacteriën: peptidoglycaan.
o Arcaea: celwand zonder peptidoglycaan.
Functies:
o Bescherming
o Ondersteuning
o Transport van stoffen
Celorganellen
Celkern (Nucleus)
Aanwezig bij: Enkel in eukaryote cellen.